id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.484 Rolnummer: A. 153219/VII-33596 Zaak: Arrest 133484 - - 02/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-07 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 08:00 Fiche Arrest nr 133.484 van 2 juli 2004 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 133.484 van 2 juli 2004 in de zaak A. 153.219/XIV-19.988 In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat Dirk VERLEYEN, kantoor houdende te 9000 GENT, Hubert Frère-Orbanlaan 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 5 april 1956 en van Marokkaanse nationaliteit, op 28 juni 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 juni 2004 houdende de onontvankelijkverklaring van een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf, overeenkomstig artikel 9, derde lid, van de van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 juni 2004 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, waarbij de beide beslissingen ter kennis van de verzoekende partij werden gebracht op 24 juni 2004; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 29 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 30 juni 2004 om 11.45 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-19.988-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. VERLEYEN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 1.
- Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2 betreft, blijkt dat de verzoekende partij uiterlijk op 28 juni 2004 het grondgebied van het Rijk dient te verlaten, zodat de verzoekende partij met haar verzoekschrift ingediend op 28 juni 2004 alert en diligent heeft gehandeld, zodat is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2; 1.
- Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, uit het geheel van de medische verslagen en attesten die zich bevinden in het warrig administratief dossier, blijkt dat de verwerende partij een manifeste appreciatiefout heeft begaan door geen buitengewone omstandigheden te aanvaarden; dat bovendien uit recente medische stukken neergelegd ter zitting van woensdag 30 juni 2004 door de Advocaat van de verzoekende partij, blijkt dat de verzoekende partij op dit ogenblik niet alleen kan reizen naar Marokko, omdat zij volgens een gemotiveerd medisch attest van dr. J. V. L. van 26 april 2004 blind is aan het rechteroog en uiterst slechtziende wat het linkeroog betreft; dat volgens deze dokter de verzoekende partij op dit ogenblik een invaliditeitspercentage heeft van 100 %, dat voornoemde dokter tot de volgende conclusie komt: “Volgens de officiële Belgische schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit komt volgens artikel 728 de visusdaling vastgesteld bij deze patiënte overeen met een invaliditeitspercentage van 100 %.”; dat de gedwongen verwijdering van het grondgebied van een persoon met een dergelijke handicap die blijkbaar zijn oorzaak vindt in een zeer zware diabetes, op het eerste gezicht een schending uitmaakt van artikel 3 van het E.V.R.M., zodat het enig middel van de verzoekende partij ernstig is; dat bijgevolg is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2; XIV-19.988-2/4 1.
- Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, op dit ogenblik vaststaat dat de effectieve tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen de mogelijke verdere deterioratie van de gezondheidstoestand van de verzoekende partij kan meebrengen, zodat is voldaan aan de derde cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2;
- Overwegende dat de Raad van State op dit ogenblik enkel een prima facie oordeel velt en dat met dit arrest niet gezegd is dat de effectieve medische behandeling van de verzoekende partij in haar land van herkomst onmogelijk of extra moeilijk is; dat huidig arrest enkel een momentopname is van de zwakke gezondheidstoestand van de verzoekende partij op dit ogenblik; dat het toekomt aan de verzoekende partij om haar verblijfstoestand zo mogelijk te regulariseren en om de nodige bewijsstukken te verzamelen in verband met de zogezegde onmogelijkheid van familiale hulp in haar thuisland; dat België geen verzorgingsstaat kan worden voor vreemdelingen die menen dat in hun thuisland de medische verzorging niet equivalent is aan die verstrekt in België; dat in die zin huidig arrest een beperkt gezag van gewijsde heeft, BESLUIT: Artikel
- De schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt bevolen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 juni 2004 houdende de onontvankelijkverklaring van een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf overeenkomstig artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 juni 2004, waarbij de beide beslissingen ter kennis van de verzoekende partij werden gebracht op 24 juni
- Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-19.988-3/4 Aldus te Brussel, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juli tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-19.988-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.484 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div