← België

Arrest 133508 - - 02/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.508 Rolnummer: A. 143328/VII-32058 Zaak: Arrest 133508 - - 02/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-13 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 08:00 Fiche Arrest nr 133.508 van 2 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.508 van 2 juli 2004 in de zaak A. 143.328/VII-32.058 In zake :

  1. XXX,
  2. XXX, in eigen naam en in naam van hun minderjarige kinderen
  3. XXX,
  4. XXX;
  5. XXX,
  6. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat V. LURQUIN, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Zwitserlandstraat 22 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - - DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, in eigen naam en in naam van hun minderjarige kinderen J., E., G. en G. en XXX, van XXX nationaliteit, op 27 september 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 augustus 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 17 juli 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partijen betekend op 28 augustus 2003; Gelet op de beschikking van 6 november 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 22 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van de memorie van antwoord aan de verzoekende partijen op 17 februari 2004; Gezien de brief van de hoofdgriffier van 13 april 2004, waarbij de verzoekende partijen in kennis worden gesteld van de mogelijkheid om gehoord te worden; VII-32.058-1/3 Gezien de brief van de verzoekende partijen van 22 april 2004, waarin zij vragen om gehoord te worden; Gelet op de beschikking van 17 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 juni 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. FRERE, die, loco advocaat V. LURQUIN, verschijnt voor de verzoekende partijen, en van adjunct-adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op artikel 21, tweede lid, en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat bij het versturen van een kopie van de memorie van antwoord aan de verzoekende partijen, de hoofdgriffier melding heeft gemaakt van bovengenoemd artikel 21, tweede lid; Overwegende dat de verzoekende partijen binnen de termijn van dertig dagen, gesteld in artikel 21 van voornoemd koninklijk besluit, weliswaar een aangetekende brief aan de griffie hebben toegestuurd; dat deze brief van 15 maart 2004 echter werd ondertekend door een sociaal assistent, en niet door verzoekers zelf of door een raadsman; dat deze niet gemachtigd is procedurestukken in te dienen in naam van verzoekers; dat dit stuk dan ook niet kan worden beschouwd als een regelmatig ingediende memorie van wederant- woord; dat de verzoekende partijen ter terechtzitting geen argumenten aanvoeren die het niet regelmatig indienen van een memorie van wederantwoord rechtvaardigen; dat krachtens voormeld artikel 21, tweede lid, dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen ontbreekt, VII-32.058-2/3 BESLUIT: Artikel
  7. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de eerste twee verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juli tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. M.-R. BRACKE. VII-32.058-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.508 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.