← België

Arrest 133533 - - 05/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.533 Rolnummer: A. 138568/X-11484 Zaak: Arrest 133533 - - 05/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-20 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 08:01 Fiche Arrest nr 133.533 van 5 juli 2004 - Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 133.533 van 5 juli 2004 in de zaak A. 138.568/X-11.

  1. In zake : André VERDUN, die woonplaats kiest bij Advocaat S. VERBIST, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Vlaamse kaai 54-57 tegen : de gemeente SINT-GENESIUS-RODE, die woonplaats kiest bij Advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat André VERDUN op 1 juli 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : "
  3. De beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Sint-Genesius-Rode dd. 5 mei 2003 (lees : 24 april 2003) tot afgifte van een stedenbouwkundige vergunning aan de Heer VAN CAPELLEN Eric (...) m.b.t. een door (hem) ingediende bouwvergunningsaanvraag onder nummer 2002 64 tot het bouwen van een appartementsgebouw met 6 éénheden op een terrein met als adres Grasmuslaan 4 en met als kadastrale omschrijving (afdeling 2) sectie G nr. 3 V
  4. De beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Sint-Genesius-Rode dd. 5 mei 2003 (lees : 24 april 2003) tot afgifte van een stedenbouwkundige vergunning aan de NV LIH INTERPROJECT (...) m.b.t. een door (haar) ingediende bouwvergunningsaanvraag onder nummer 2002 65 tot het bouwen van een appartementsgebouw met 9 éénheden op een terrein met als adres Grasmuslaan 2 en met als kadastrale omschrijving (afdeling 2) sectie G nr. 3 E9."; Gelet op het arrest nr. 128.638 van 1 maart 2004 waarbij de verzoeken tot tussenkomst van Eric VAN CAPELLEN en de n.v. L.I.H. INTERPROJEKT in het administratief kort geding worden ingewilligd, de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen, de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld en de kosten van de tussenkomsten in de schorsingspro- cedure ten laste van de tussenkomende partijen worden gelegd; X-11.484-1/6 Gelet op de kennisgeving van dit arrest aan verzoeker op 5 maart 2004; Gelet op de kennisgeving aan verzoeker, op grond van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Gelet op het schrijven van verzoeker van 5 mei 2004, waarbij hij vraagt om te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 3 juni 2004, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 25 juni 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. VERBIST, die verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat F. DE PRETER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Hoofdgriffier bij de kennisgeving van het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, aan verzoeker melding heeft gemaakt van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Overwegende dat naar luid van voornoemd artikel 17, § 4ter, ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; X-11.484-2/6 Overwegende dat verzoeker in zijn verzoek om te worden gehoord "wenst te benadrukken dat hij geen afstand van geding wenst te doen"; dat hij onder meer betoogt wat volgt: "
  5. Volgens constante rechtspraak van de Raad van State is een binnen de termijn ingediend verzoekschrift niet ongeldig enkel en alleen doordat het verschuldigde recht niet binnen de termijn voor het indienen van het verzoekschrift is gekweten en dat het verzoekschrift door de Raad van State wordt aanvaard wanneer het recht binnen een redelijke termijn is gekweten. Deze redelijke termijn loopt vanaf het tijdstip dat verzoeker erop wordt gewezen dat zijn verzoekschrift niet gezegeld is. Terzake is deze redelijke termijn ingegaan op het moment dat verzoeker het schrijven van de griffie van de Raad van State van 28 april
  6. ontving met de mededeling als zou er geen verzoek tot voortzetting zijn ingediend. Verzoekende partij ontving dit schrijven op 29 april
  7. De zegelrechten werden door verzoekende partij voldaan op 3 mei
  8. Niet ingezien wordt waarom de termijn die wordt toegestaan voor het aanbrengen van zegels bij het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring niet zou gelden voor het indienen van het verzoek tot voortzetting van de procedure in nietigverklaring. De situatie van een verzoeker die een verzoekschrift tot nietigverklaring indient binnen de termijn maar zonder fiscale zegels, verschilt in wezen niet met die van een verzoeker die een verzoek tot voortzetting van de procedure in vernietiging heeft ingediend binnen de termijn maar zonder fiscale zegels. Daar anders over oordelen is strijdig met het gelijkheidsbeginsel verwoord in de artt. 10 en 11 van de Grondwet en met art. 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Verzoekende partij verzoekt dan ook beleefd dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen aan de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State met toepassing van art. 93 van de gecoördineerde Wetten op de Raad van State. Wanneer de algemene vergadering van de afdeling Raad van State zich reeds negatief heeft uitgesproken, verzoekt verzoekende partij dezelfde prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof. De prejudiciële vraag luidt als volgt 'Schenden de artt. 70, §1, 2de lid en 71, 1ste lid, (b), van het algemeen procedurereglement, geïnterpreteerd in de zin dat het recht van 175 EUR moet worden gekweten binnen de termijn van 30 dagen bepaald in art. 17, § 4ter, van de gecoördineerde Wetten op de Raad van State en dat wie binnen die termijn een niet gezegeld verzoekschrift tot voortzetting indient, zelfs indien hij daarop naast het verstrijken ervan binnen een redelijke termijn de vereiste zegels aanbrengt, geacht moet worden van het geding afstand te hebben gedaan, de artt. 10 en 11 van de Grondwet, terwijl dat recht niet noodzakelijk moet worden gekweten binnen de termijn van 60 dagen voorgeschreven door art. 4, 3de lid van het algemeen procedurereglement, en wie binnen die termijn een niet gezegeld verzoekschrift tot nietigverklaring indient doch daarop na het verstrijken ervan binnen een redelijke termijn de vereiste zegels aanbrengt wel op een uitspraak over zijn vordering aanspraak kan maken?'
  9. Het vermoeden van afstand zoals geformuleerd in art. 17, §4ter van de Wet op de Raad van State, werd in de Wetten op de Raad van State ingevoegd bij X-11.484-3/6 art. 11 van de Wet van 4 augustus
  10. Het was de bedoeling stringente gevolgen te verbinden aan het niet respecten van de termijn. Eenzelfde éénduidige wettelijke basis voor het verbinden van dezelfde stringente gevolgen aan het niet respecteren van het aanbrengen van de fiscale zegels op het verzoekschrift, is niet voorhanden. Het verbinden van dezelfde stringente gevolgen aan het niet gezegeld zijn van het verzoekschrift als aan het te laat indienen van het verzoekschrift ontbeert niet alleen elke wettelijke basis, doch staat tevens niet in redelijk verantwoordbare verhouding met de gevolgen voor de verzoekende partij waarvan de intentie om de rechtspleging voort te zetten werd geëxpliciteerd op een wijze waaraan vaste datum kan worden verleend. De ratio legis van het verbinden van stringente gevolgen aan het niet naleven van de termijn, m.n. de procedurele en administratieve doeltreffendheid van de instelling van de vervaltermijn, geldt niet op gelijke wijze voor het aanbrengen van fiscale zegels op het verzoekschrift.
  11. Art. 71 van het procedurereglement bepaalt dat een recht van 175 EUR moet worden betaald d.m.v. plakzegels aangebracht in een geheel naargelang van het geval : 'a) op het origineel van het verzoekschrift; b) op het origineel van de vordering tot schorsing of de vordering tot voortzetting van de procedure bedoeld bij art. 70, § 1, 2de lid'. Uit het samen lezen van het voormeld art. 17 § 4ter met art. 70 § 1, 2de lid en art. 71, 1ste lid van het algemeen procedurereglement kan niet zonder meer worden afgeleid dat de vereiste zegels principieel moeten zijn aangebracht wanneer het betrokken verzoekschrift bij de Raad van State wordt ingediend. Wanneer immers het verzoekschrift binnen de termijn zou worden ingediend zonder de vereiste fiscale zegels en wanneer deze zegels achteraf zouden worden aangebracht doch voor het verstrijken van de termijn waarbinnen het verzoekschrift moest worden ingediend, zou zich wellicht geen probleem stellen. De Raad van State heeft immers beslist (...) dat de vereiste zegels moeten zijn aangebracht wanneer het betrokken verzoekschrift bij de Raad van State wordt ingediend of uiterlijk voor het verstrijken van de termijn waarbinnen dat moet gebeuren. Hiermee wordt aangetoond dat wordt aanvaard dat de vereiste zegels nog worden aangebracht nadat het verzoekschrift bij de Raad van State wordt ingediend. De Wet voorziet nu een vervaltermijn voor het indienen van het verzoekschrift. Gelet op het bovenstaande kan het indienen van het verzoekschrift chronologisch worden onderscheiden van het aanbrengen van de fiscale zegels op dit verzoekschrift. De Wet voorziet geen vervaltermijn voor het aanbrengen van de fiscale zegels op het verzoekschrift. Dat een en ander interpretatieruimte laat aan de Raad van State blijkt uit het feit dat de Raad van State inzake de beroepen tot nietigverklaring toelaat dat voor het zegelen van een dergelijk verzoekschrift de verschuldigde zegels nog worden aangebracht binnen een redelijke termijn (15 dagen) na de aanmaning daartoe door de griffie. De Raad van State aanvaardt dit omdat het (...) 'in dat geval niet duidelijk is of verzoekende partij wist dat het plakken van de zegels in principe binnen de beroepstermijn diende te gebeuren'. De Raad van State gaat met hetzelfde arrest verder als volgt : 'Wanneer het echter gaat om een verzoek tot voortzetting zoals in het onderhavige geval wordt die mogelijkheid niet geboden omdat verzoeker door de griffie vooraf wordt gewaarschuwd dat het verzoek tot voortzetting van de procedure gezegeld dient te zijn.' X-11.484-4/6 Deze houding toont aan dat de Raad van State los van de wettelijke bepalingen en los van de bepalingen in het procedurereglement, zelf kan bepalen of aan de verzoekende partij een bijkomende redelijke termijn wordt toegestaan teneinde de verschuldigde zegels aan te brengen. Hieruit volgt dat niet ondubbelzinnig naar de wettelijke bepaling, m.n. artikel 17 § 4 ter, kan worden verwezen om aan het niet aanbrengen van de verschuldigde fiscale zegels volgens een juridisch automatisme dezelfde gevolgen te verbinden als aan het te laat indienen van het verzoek tot voortzetting van rechtspleging."; Overwegende dat de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State zich in het arrest nr. 129.112 van 10 maart 2004 reeds met toepassing van artikel 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft uitgesproken over de door verzoeker geformuleerde prejudiciële vraag en deze als volgt heeft beantwoord : "De artikelen 70, § 1, tweede lid, en 71, eerste lid, b), van het algemeen procedurereglement, geïnterpreteerd in de zin dat het recht van 175 euro moet worden gekweten binnen de termijn van dertig dagen bepaald in artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en dat wie binnen die termijn een niet gezegeld verzoekschrift tot voortzetting indient, zelfs indien hij daarop na het verstrijken ervan binnen een redelijke termijn de vereiste zegels aanbrengt, geacht moet worden van het geding afstand te hebben gedaan, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet."; Overwegende dat verzoeker geen rechtsgeldig verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, daar het door de wet voorziene zegelrecht niet binnen de termijn van dertig dagen werd gekweten; dat te zijnen aanzien een vermoeden van afstand van het geding geldt; Overwegende dat zoals uiteengezet in het arrest nr. 129.110, NV STEVAN, van 10 maart 2004, van de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State, welke conclusie hier uitdrukkelijk wordt bij- gevallen, de verschillende behandeling van degene die niet tijdig zegels aanbrengt op het inleidend verzoekschrift en degene die dat niet doet met betrekking tot het verzoekschrift tot voortzetting van het geding na verwerping van de vordering tot schorsing, volgt uit de bepalingen van het regentsbesluit van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State en van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State en niet uit de wet; dat er dan ook geen aanleiding is om, zoals verzoeker in bijkomende orde had gevraagd, daarover ook een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof, X-11.484-5/6 BESLUIT: Artikel
  12. De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
  13. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juli 2004, door : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. BOVIN. X-11.484-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.533 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.128.638 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.