← België

Arrest 133534 - - 05/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.534 Rolnummer: A. 147237/X-11747 Zaak: Arrest 133534 - - 05/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-05 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 08:01 Fiche Arrest nr 133.534 van 5 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.534 van 5 juli 2004 in de zaak A. 147.237/X-11.

  1. In zake :
  2. Jean ROBIJNS,
  3. Rosa GILLIS, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. VANDEROSIEREN, kantoor houdende te 3090 OVERIJSE, Brusselsesteenweg 100 tegen : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. van YPERSELE, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Koninklijke Prinsstraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jean ROBIJNS en Rosa GILLIS op 2 februari 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 11 september 2003 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende instelling van de procedure tot bescherming als monument van bepaalde delen van het gebouw gelegen te Sint-Gillis, Sint-Gillisvoorplein 19-21, op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nr. 199 x 5; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur- Afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 mei 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; X-11.747-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. VANDEROSIEREN, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat L. MERTENS die, loco Advocaat J. van YPERSELE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- Afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partijen eigenaar zijn van een gebouw gelegen te Sint-Gillis, Sint-Gillisvoorplein 19-21, op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nr. 199 x 5; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Gillis op 25 mei 1994 de bescherming als monument, van het interieur van de slagerij gelegen op de benedenverdieping van het bovenvermeld gebouw, heeft voorgesteld; dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bij besluit van 13 april 1995 heeft beslist om de procedure tot bescherming als monument van de handelsruimte op de benedenverdieping aan te vatten; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Gillis op 13 december 1995 besluit te verzaken aan haar vraag tot bescherming van de bovenvermelde handelsruimte; dat de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bij besluit van 7 maart 1996 heeft beslist om niet over te gaan tot de bescherming als monument van de handelsruimte op de benedenverdieping van het kwestieuze gebouw; dat de Raad van State bij arrest nr. 101.950 van 18 december 2001 het bovenvermeld besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 7 maart 1996 heeft vernietigd; dat de dienst Monumenten en Landschappen van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 21 augustus 2002 aan de bevoegde staatssecretaris heeft voorgesteld om een besluit goed te keuren tot het aanvatten van de procedure tot bescherming als monument van de voor- en achtergevel, het dak en de gehele benedenverdieping van het gebouw gelegen te Sint-Gillis, Sint-Gillisvoorplein 19-21; dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bij besluit van 11 september 2003 de procedure tot bescherming als monument van de voorgevel, het dak en het geheel van de benedenverdieping heeft ingesteld; dat dit het bestreden besluit is; dat de verzoekende partijen bij aangetekende brief van 1 december 2003 een afschrift van het besluit van 11 september 2003 hebben ontvangen; dat de raadsman van de verzoekende partijen bij aangetekende brief van 4 december 2003 een Nederlandstalige beslissing met dossier heeft gevraagd, daar de kennisgeving in het Frans is gebeurd en de X-11.747-2/6 verzoekende partijen Nederlandstalig zijn; dat aan de verzoekende partijen bij aangetekende brief van 11 december 2003 een kennisgeving in het Nederlands is verstuurd; dat de verzoekende partijen bij aangetekende brief van 15 januari 2004 een bezwaarschrift hebben ingediend bij het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tegen de voorgenomen bescherming; dat de verzoekende partijen op 2 februari 2004 de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 11 september 2003 hebben gevorderd; dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen op 4 februari 2004 een gunstig advies heeft uitgebracht; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift duidelijk en concreet dienen aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaan of dreigen te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, de verzoekende partijen uiteenzetten wat volgt : "Overwegende dat verzoekers ter zake eigenaar zijn van het onroerend goed dat voorwerp uitmaakt van de beschermingsprocedure; Dat zij alle belang hebben bij een procedure tot annulatie en schorsing; dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de X-11.747-3/6 beschermingsprocedure die (...) vervat ligt in de ordonnantie van 4 maart 1993 uitwerking krijgt; Dat dit tot gevolg heeft dat alle verplichtingen en beperkingen die het gevolg zijn van een opening van deze procedure op verzoekers rusten; dat deze reeds werden medegedeeld bij schrijven van 11.12.2003 ( o.a. de artikelen 26, 27 en 28 van de erfgoedordonna(n)tie); dat daarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel voor verzoekers bestaat; Dat zo het goed in goede staat dient behouden, verbodsbeperkingen en stede(n)bouwkundige vergunningen worden opgelegd, beperkte werken slechts mogen worden uitgevoerd, ... ; Dat echter vooral het pand niet volledig kan worden geëxploiteerd en gerendabiliseerd zoals beoogd door verzoekers; dat dit trouwens zelf werd verwoord door het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in de beslissing dd. 07.03.1996 nl. het belang dat de dwingende beschermingsmaatregel voor verzoekers heeft (...); dat de leeftijd van verzoekers trouwens van dien aard is dat zij het pand financieel zouden kunnen laten opbrengen en eventueel verkopen wat een optie is maar wat uitgesloten is gezien de geopende procedure en ten gevolge daarvan te ontvangen minwaarde"; Overwegende dat, in zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat hun nadeel voortvloeit uit de verplichtingen en beperkingen die het gevolg zijn van de instelling van de procedure tot bescherming, er dient te worden aangestipt dat de voorlopige bescherming maar een eerste stap in de beschermingsprocedure is; dat zij een fase inluidt waarin de adviezen van diverse instanties worden ingewonnen, waarin de betrokken eigenaars, erfpachthouders, opstalhouders en vruchtgebruikers hun opmerkingen en bezwaren kunnen doen gelden, waarin ook een openbaar onderzoek wordt gevoerd en waarin door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen een met redenen omkleed advies wordt uitgebracht; dat in dit licht de omzetting van de voorlopige bescherming in een definitieve bescherming geen automatisme of vanzelfsprekendheid lijkt; dat hoe dan ook definitieve bescherming in voorkomend geval zelf tot voorwerp van een vordering tot vernietiging en schorsing kan worden gemaakt; Overwegende dat de verzoekende partijen derhalve inzichtelijk en aannemelijk dienen te maken, aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens, dat het reeds moeten ondergaan van de essentieel kortdurende en provisoire effecten van de bestreden voorlopige bescherming hen een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel dreigt te berokkenen; dat zulks niet wordt aangetoond door zonder meer te poneren dat het aangevochten besluit beperkingen en verplichtingen oplegt; dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen te algemeen en te vaag is; dat de verzoekende partijen geen concrete en precieze gegevens aanbrengen over eventuele werken die zouden moeten worden uitgevoerd en die door het beschermingsbesluit onmogelijk gemaakt worden; dat zij niet aantonen dat zij het goed niet zullen kunnen X-11.747-4/6 blijven gebruiken zoals ze dat deden de dag voorafgaand aan de betekening van de aangevochten beslissing; dat evenmin met concrete en verifieerbare gegevens wordt aangetoond dat het pand niet volledig "geëxploiteerd en gerendabiliseerd" kan worden, zoals de verzoekende partijen het beoogd hadden; dat het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel "dat zij het pand financieel zouden kunnen laten opbrengen en eventueel verkopen, wat een optie is maar wat uitgesloten is gezien de geopende procedure en ten gevolge daarvan te ontvangen minwaarde" niet alleen een hypothetisch nadeel is, ten gebreke aan concrete plannen terzake, doch daarenboven in wezen ook een financieel nadeel dat als zodanig niet moeilijk te herstellen is; dat de verzoekende partijen geen concrete gegevens bijbrengen waaruit zou kunnen blijken dat dit terzake wel het geval zou kunnen zijn; dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen geen concrete en precieze gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  6. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. X-11.747-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juli 2004, door : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-11.747-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.534 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.269 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.