← België

Arrest 133580 - - 06/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.580 Rolnummer: A. 150772/X-11843 Zaak: Arrest 133580 - - 06/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-20 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 08:01 Fiche Arrest nr 133.580 van 6 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.580 van 6 juli 2004 in de zaak A. 150.772/X-11.

  1. In zake : de n.v. "MANUFACTURE LE CYGNE", die woonplaats kiest bij Advocaten G. VAN THUYNE en D. DE ROOVER, kantoor houdende te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 268 A tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. MANUFACTURE LE CYGNE op 15 april 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 14 januari 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken houdende vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten, "wegens de historische waarde: als monument: de voormalige abdijsite van Kortenberg, gelegen te Kortenberg", en dit "voor zover dit betrekking heeft op het met oranje stippellijn afgebakende gedeelte van per- ceel 257e"; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eer st e Auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 4 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 juni 2004; X-11.843-1/6 Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. DE ROOVER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat I. VANDEN BON die, loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Geho o rd het eensluidend advies van Eerst e Auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekende partij eigenares is van drie percelen gelegen te Kortenberg, kadastraal bekend 1e afdeling, Sectie B, nrs. 257 e, 254 z 2 en 254 g 3; dat het bestuur Monumenten en Landschappen in een nota van 26 november 2003 voorstelt om de voormalige abdijsite van Kortenberg omwille van haar historische waarde als monument te beschermen; dat de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken bij het bestreden besluit van 14 januari 2004 heeft besloten de voormalige abdijsite van Kortenberg, gelegen te Kortenberg, als monument op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten te plaatsen; dat de percelen kadastraal bekend 1e afdeling, sectie B, nrs. 257e, 254 z 2 en 254 g 3, waarvan verzoekende partij eigenares is, vallen binnen de perimeter van dit besluit; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting X-11.843-2/6 van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, verzoekende partij aanvoert wat volgt : "
  3. De onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden Besluit (stuk 1) kan Verzoekster een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkenen. De opname in het bestreden Besluit van de volledige percelen 257e, 254z2, en 254g3 en dus ook van het niet bebouwde en perfect verkavelbare met oranje stippellijn afgebakende gedeelte van perceel 257e heeft tot gevolg dat dit perceel in zijn geheel onderworpen is aan het zeer strenge beschermingsregime uit het Decreet en het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten. Immers, het voornoemd Besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 1993 is reeds van toepassing op de monumenten 'die opgenomen zijn op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten en stads- en dorpsgezichten' (Artikel 1, § 1 Besluit 17 november 1993), en dus ook op de volledige percelen 257e, 254z2, en 254g3 in eigendom van Verzoekster.
  4. (...) De nadelen die voor Verzoekster voortvloeien uit het bestreden Besluit zijn dan ook talrijk : zo is het voor Verzoekster bijvoorbeeld zelfs verboden om zonder schriftelijke vergunning straatmeubilair, zoals bloembakken, banken, verlichtingspalen, tuinmuren etc. aan te brengen, te wijzigen of te vervangen (Artikel 3, 13/ Besluit 17 november 1993). Het bestreden Besluit maakt het vroegere gebruik (d.i. het gebruik dat Verzoekster van het terrein maakte voor het Besluit van 14 januari 2004) van het goed zeer moeilijk en dwarsboomt bovendien Verzoeksters plannen om voor het met oranje stippellijn afgebakende gedeelte van perceel 257e een verkavelingsvergunning aan te vragen.
  5. Alhoewel Verzoekster begrip en sympathie heeft voor dit strenge regime voor wat betreft de percelen 254z2, 254g3 en het met zwarte arcering aangedui- de stuk van perceel 257e, werkt de toepasselijke regelgeving verlammend voor wat betreft het overige deel van perceel 257e, met oranje stippellijn afgebakend, dat niet dienend is om de visuele waarde van de site intact te houden, en verzoekt zij uw Raad bijgevolg om de schorsing van het bestreden Besluit, voor zover dit betrekking heeft op het met oranje stippellijn afgebakende gedeelte van perceel 257e waarvan Verzoekster eigenaar is."; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen antwoordt wat volgt : X-11.843-3/6 "III. 3 Verwerende partij dient er vooreerst op te wijzen dat het beweerde nadeel blijkbaar beperkt is tot een deel van het perceel 257E. Verzoekende partij beweert niet dat ze een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou lijden door de toepassing van de beschermings- voorschriften op de percelen 254Z2 en 254G
  6. In tegendeel heeft ze blijkbaar begrip voor het beschermingsregime voor deze percelen. III. 4 Vervolgens dient verwerende partij vast te stellen dat verzoekende partij in haar algemeen en vaag betoog voornamelijk argumenten ontwikkelt met betrekking tot een puur financieel nadeel. Daar waar verzoekende partij stelt dat zij gedwarsboomd wordt in haar verkavelingsplannen kan zij inderdaad enkel een financieel nadeel bedoelen. Een financieel nadeel is in principe een herstelbaar nadeel en verzoekende partij toont - op grond van concrete en precieze gegevens - niet aan dat dit in onderhavige zaak anders zou zijn. Bovendien stelt verzoekende partij dat zij verkavelingsplannen zou hebben, zonder ook daaromtrent precieze en concrete gegevens naar voor te brengen. Verzoekende partij heeft blijkbaar in elk geval nog geen aanvraag ingediend tot het bekomen van een stedenbouw- kundige vergunning. Ze heeft derhalve blijkbaar geen korte termijn 'plannen' of brengt in elk geval geen enkel gegeven naar voor waaruit zou blijken dat dit wel zo zou zijn. Men vraagt zich echter af hoe lange termijn plannen te rijmen zijn met het aantonen van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. In onderhavige zaak is dit temeer het geval aangezien de bestreden beslissing een beperkte geldingsduur heeft. Verwerende partij heeft er inderdaad reeds op gewezen dat de beschermingsprocedure zich nog in de voorlopige fase bevindt. Het voorlopig beschermingsbesluit heeft in principe maar een geldingsduur van twaalf maanden. Verzoekende partij beweert zelfs niet dat zij plannen heeft om de verkavelingsaanvraag binnen die termijn in te dienen zodat moet besloten worden tot de afwezigheid van elk mogelijk moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Bovendien blijkt uit het verzoekschrift niet dat het realiseren van verkavelingen behoort tot het maatschappelijk doel van verzoekende partij. Tenslotte vermeldt verzoekende partij niet, noch maakt zij aanneme- lijk in welk opzicht het niet kunnen realiseren van haar verkave- lingsplannen haar op enige andere wijze een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te kunnen berokkenen. III. 5 Verzoekende partij blijft even algemeen en vaag in haar bewering dat het regime van de erfdienstbaarheden haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zouden toebrengen. Verzoekende partij zet niet uiteen, noch maakt zij aannemelijk waarom het van toepassing zijn van de erfdienstbaarheden gedurende twaalf maanden voor haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou zijn."; Overwegende dat uit de uiteenzetting van verzoekende partij blijkt dat zij zich enkel verzet tegen de opname op het ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten van het door hen met een oranje stippellijn afgebakende gedeelte van het perceel nr. 257e; dat verzoeksters uiteenzetting dat ingevolge het van toepassing worden van het besluit van de X-11.843-4/6 Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten het gebruik dat zij van dit terrein maakte vóór het bestreden besluit werd vastgesteld "zeer moeilijk" wordt gemaakt, en dat het haar bijvoorbeeld zelfs verboden is om zonder schriftelijke vergunning straatmeubilair zoals bloembakken, banken, verlichtingspalen, tuinmuren aan te brengen, te wijzigen of te vervangen (artikel 3, 13/ van voormeld besluit van de Vlaamse regering) dermate vaag en algemeen is dat het niet als een ernstig nadeel kan worden aangemerkt; dat verzoekster immers niet uiteenzet waarin precies het gebruik van dit terrein bestond vooraleer het bestreden besluit werd vastgesteld, noch hoe het bestreden besluit dit gebruik thans ernstig belemmert; dat zij geen concrete gegevens bijbrengt waaruit kan blijken dat zij de intentie had om in de nabije toekomst door voormeld besluit van 17 november 1993 gereglementeerde handelingen te verrichten welke ingevolge het bestreden besluit niet meer mogelijk zouden zijn; dat verzoekster evenmin enig gegeven bijbrengt waaruit kan blijken dat zij op dit ogenblik reeds over concrete verkavelingsplannen beschikt of zodanige vergunning reeds zou hebben aangevraagd; dat de uiteenzetting van verzoekende partij geen afdoende concrete en precieze gegevens bevat waaruit kan blijken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  8. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. X-11.843-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes juli 2004, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-11.843-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.580 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.978 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.