id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.608 Rolnummer: A. 136263/XII-3855 Zaak: Arrest 133608 - - 07/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-05 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 08:02 Fiche Arrest nr 133.608 van 7 juli 2004 - Beslissing : Verwerping dwangsom Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.608 van 7 juli 2004 in de zaak A. 136.263/XII-
- In zake : Ronald VLAEMINCK, wonende te Gent, Schoonmeersstraat 34 tegen : de HOGESCHOOL GENT, die woonplaats kiest bij advocaat E. Bral, kantoor houdende te Gent, Henleykaai 3 R. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ronald Vlaeminck op 2 mei 2003 heeft ingediend om een dwangsom te vorderen van 10.000 euro per dag ten laste van de verwerende partij “die weigert het arrest Ronald Vlaeminck nr. 109.285 van 15 juli 2002 uit te voeren, volgens het gezag van gewijsde van voormeld arrest”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 13 november 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 december 2003; Gelet op het uitstel van de zaak tot de terechtzitting van 27 april 2004; Gelet op het uitstel van de zaak tot de terechtzitting van 25 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. Brewaeys; XII-3855-1/7 Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat E. Bral, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op artikel 36 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Feitelijke gegevens. 1.
- Verzoeker, industrieel ingenieur elektriciteit, optie elektronica en licentiaat in de economische wetenschappen, is van 19 januari 1989 tot 1 oktober 1993 aangesteld aan de Industriële Hogeschool Gent. Zijn ambt wordt afgeschaft bij beslissing van 26 april 1993 waarbij de personeelsformatie voor het academiejaar 1993-1994 wordt goedgekeurd. Deze beslissing wordt door de Raad van State nietigverklaard bij arrest nr. 104.882 van 20 maart
- 1.
- Bij arrest nr. 109.285 van 15 juli 2002 worden op vordering van verzoeker vernietigd : - de beslissing B/368/1993/122 van 14 september 1993 genomen door de raad van bestuur van de Hogeschool Gent, waarbij Filip Debersaques als tijdelijk leraar T.V. 15 u van 50' chemie, spec. instrument, technieken, stagebegeleiding HOKT, IH-CTL, academiejaar 93-94 aangesteld werd; - de beslissing B/368/1994/024 van 24 maart 1994 waarbij de personeelsformatie HOLT voor de IH-CTL Gent voor het academiejaar 1994-1995 vastgesteld wordt, en de beslissing B/368/1994/026 van dezelfde datum in zoverre door deze beslissing impliciet geweigerd wordt Ronald Vlaeminck met de waarneming van het afgeschafte halftijdse ambt assistent elektriciteit te belasten; - de beslissing B/368/1994/212 en de daaruit voortspruitende beslissing B/368/1994/218, beide op 27 september 1994 genomen door de raad van bestuur van de Hogeschool Gent, waarbij in beslissing B/368/1994/212 de personeelsformatie HOLT, IH-CTL gewijzigd wordt en als dusdanig vastgelegd voor het begin van het academiejaar 1994-95 en waarbij :
- een F.T. assistent landbouw, spec. agrochem. (sic) analysen vacant verklaard wordt voor het academiejaar 1994-1995 aan de IH-CTL-HOLT; XII-3855-2/7
- Filip Debersaques aangesteld wordt als FT assistent land- en tuinbouw, spec. agronomische (sic) analysen voor het academiejaar 1994-1995 aan de IH-CTL-HOLT; - de beslissing van 8 november 1994 genomen door de raad van bestuur (B/368/1996/240) van de Hogeschool Gent waarbij
- J. Huysman wordt aangesteld in het vacant ambt van 3/10 docent en 1/4 assistent toegepaste economie aan de IH-CTL-HOLT voor het academiejaar 1994-1995;
- Ronald Vlaeminck impliciet geweigerd wordt de betrekking van FT docent economie aan de IH-CTL-HOLT, waar te nemen. 1.
- In zijn brief van 19 augustus 2002 vraagt verzoeker aan de verwerende partij de arresten uit te voeren. Bij brief van 30 augustus 2002 richt verzoeker aan de verwerende partij een “aanmaning conform artikel 36 § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State” omdat hij “tot op heden niet in kennis is gesteld omtrent het rechtsherstel (...) inzake het arrest nr. 104.883 (...) in samenlezing met het arrest nr. 104.882”. Hij stelt daarin het volgende : “Ik wens er tevens uw aandacht op te vestigen dat de hierboven aangemaande uitvoering van het arrest nr. 104.883 (...) niet in strijd mag zijn met het gezag van gewijsde van het arrest nr. 109.285 van 15 juli 2002 waarvan in deze brief uitvoering wordt gevraagd (geen aanmaning wegens ontvankelijkheidsvereiste van drie maand)”. Bij brief van 21 oktober 2002 verstuurt verzoeker aan de verwerende partij een “aanmaning conform artikel 36 § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State” omdat hij “tot op heden niet in kennis is gesteld omtrent het rechtsherstel dat mij dient toegekend inzake de arresten (...) nr. 109.284 en 109.285 (...)”; 1.
- Op 29 oktober 2002 laat de algemeen directeur van de verwerende partij verzoeker onder meer het volgende weten : “(...) Wat de verdere uitvoering van de arresten van de Raad van State betreft zullen wij u ten spoedigste de resultaten van het lopende onderzoek laten weten. Gelet op het feit dat het dossiers betreft van onze rechtsvoorganger is het opvragen van de originele dossiers een vereiste, doch tijdrovende, opdracht”; XII-3855-3/7
- De ontvankelijkheid. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in een eerste exceptie aanvoert dat verzoeker, zonder het resultaat van vorige procedures af te wachten, gemeend heeft reeds een volgende procedure met betrekking tot hetzelfde voorwerp en dezelfde probleemstelling te moeten indienen. Overwegende dat de huidige procedure de eerste is waarin verzoeker op grond van artikel 36, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 een dwangsom vordert; dat de vorige door hem ingestelde procedures bijgevolg niet kunnen leiden tot de onontvankelijkheid van de huidige; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in een tweede exceptie aanvoert dat om ontvankelijk een dwangsomprocedure te kunnen aanhangig maken, de expliciete weigering om een arrest van de Raad van State uit te voeren, dient te worden aangetoond; dat uit de reactie die gekomen is op de aanmaning van 29 oktober 2002 blijkt dat een nieuwe beslissing zal worden genomen; Overwegende dat overeenkomstig artikel 36, § 1, eerste lid, eerste zin van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de persoon op wiens verzoek de nietigverklaring is uitgesproken, de Raad van State kan vragen een dwangsom op te leggen “bij in gebreke blijven van de overheid”; dat, zolang de aangekondigde beslissing niet is getroffen, er sprake is van een “in gebreke blijven”; dat de vordering niet voorbarig is; dat de exceptie niet wordt aangenomen; Overwegende, voorts, dat nu de aangekondigde beslissing in de loop van het geding effectief is genomen, daarmee nog niet ipso facto vaststaat dat de overheid niet (meer) in gebreke is gebleven; dat dit nagaan echter de grond van de zaak betreft; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij nog betoogt dat de problematiek veel complexer is dan de loutere tenuitvoerlegging van het arrest nr. 109.285 aangezien ook de personeelsformatie van het voorgaande academiejaar werd vernietigd zodat ook de uitvoering van twee arresten die niet het voorwerp vormen van deze procedure, dient te gebeuren; XII-3855-4/7 Overwegende dat de verwerende partij niet concreet aantoont dat de uitvoering van het in het geding zijnde arrest nr. 109.285 slechts en alleen slechts kan gebeuren na de uitvoering van de arresten waarop zij alludeert; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij tenslotte stelt dat verzoeker niet met de huidige procedure de reconstructie van zijn loopbaan kan eisen en dat deze eis neerkomt op een eis tot herziening van de wedde, wat tot de rechtsmacht van de burgerlijke rechter behoort; Overwegende dat verzoeker via de huidige procedure in beginsel de reconstructie van zijn loopbaan kan vorderen wanneer daardoor uitvoering wordt gegeven aan het arrest nr. 109.285, dat het voorwerp van huidige vordering het horen opleggen van een dwangsom is; dat de wijze waarop en de mate waarin de loopbaan moet worden gereconstrueerd tot het onderzoek ten gronde behoren; dat de eis tot loopbaanreconstructie niet louter van pecuniaire aard is; dat het rechtsherstel immers kan vereisen dat formele beslissingen worden genomen in verband met de administratieve toestand van verzoeker; dat de vordering dan ook niet a priori geacht kan worden uitsluitend tot een herziening van de wedde te strekken; dat de zaak tot de rechtsmacht van de Raad van State behoort; dat de exceptie evenmin kan worden aangenomen;
- Ten gronde. Overwegende dat overeenkomstig artikel 36, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een dwangsom kan worden opgelegd wanneer het herstel van de wettigheid inhoudt dat de vernietiging van een rechtshandeling gevolgd moet worden door een nieuwe overheidsbeslissing, terwijl de overheid in gebreke blijft; dat, in het verzoekschrift, verzoeker verwerende partij verwijt in gebreke te blijven door met schending van het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest nr.109.285 na te laten aan haar “handelingsplicht” tegemoet te komen; dat, nadat verwerende partij ter uitvoering van het arrest zes beslissingen heeft voorgelegd, verzoeker in een nota van 20 mei 2004 er bij blijft dat het gezag van gewijsde geschonden is en wel omdat de tussengekomen beslissingen op foutieve “inputgegevens” steunen, omdat het rekenblad voor de omkadering 1993-1994 ontbreekt, omdat loutere stijlformules worden gebruikt, omdat de beslissingen “niet XII-3855-5/7 rechtsgeldig” gemotiveerd zijn en omdat adviesorganen nog te adviseren beslissingen reeds als bestaande beschouwen; Overwegende dat in zoverre de door het arrest nr. 109.285 uitgesproken vernietigingen vereisten, op straffe van schending van het gezag van gewijsde, dat door de verwerende partij nieuwe beslissingen werden getroffen, vastgesteld moet worden dat daaraan is voldaan; dat immers de verwerende partij alle vernietigde beslissingen door nieuwe heeft vervangen; Overwegende dat wat het gezag van gewijsde van de uitgesproken vernietigingen dan nog verder vergde, moet worden beoordeeld in het licht van de motieven waarop de vernietigingen steunen; dat in dat verband verzoeker “de reconstructie van zijn loopbaan met alle daaraan verbonden statutaire rechten” vraagt en inzonderheid “eist retroactief met ingang van 1 oktober 1994 aangesteld te worden als voltijds docent economie in de Hogeschool Gent en erna doorlopend aangesteld blijft”; dat hij evenwel verzuimt aan te wijzen, en evenmin spontaan duidelijk is, wáár in de vernietigingsmotieven hij mag lezen dat een correcte toepassing van de geschonden voorschriften noodzakelijkerwijs tot een beslissing in die welbepaalde zin moest hebben geleid; dat daarentegen de uitgesproken vernietigingen alle direct of indirect teruggaan op de afwezigheid (en niet-vermelding in de notulen) van het advies van het basisoverlegcomité en van het pedagogisch college; dat verzoeker niet aantoont en zelfs niet beweert dat bij het nemen van de nieuwe beslissingen de verwerende partij opnieuw dezelfde onwettigheid heeft begaan; dat hij er zich weliswaar over beklaagt dat de nieuwe beslissingen onwettig zijn, maar de onwettigheden die hij doet gelden zich niet laten vereenzelvigen met de onwettigheden die tot de vernietigingen in het arrest van de Raad van State nr. 109.285 hebben geleid; dat dan ook de “nieuwe” onwettigheden, indien ze zich effectief zouden voordoen, niet als zodanig een schending van het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest uitmaken; Overwegende dat de conclusie uit het voorgaande is dat niet blijkt dat verwerende partij heeft verzuimd de handelingsplicht te vervullen waartoe zij ten gevolge van het vernietigingsarrest nr. 109.285 was gehouden en het gezag van gewijsde van het arrest zou hebben geschonden; dat de vordering tot oplegging van een dwangsom moet worden verworpen, XII-3855-6/7 BESLUIT: Enig artikel. De vordering tot het opleggen van een dwangsom wordt verworpen. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juli 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. J. LUST. XII-3855-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.608 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.