← België

Arrest 133629 - - 07/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.629 Rolnummer: A. 150773/X-11844 Zaak: Arrest 133629 - - 07/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-20 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 08:02 Fiche Arrest nr 133.629 van 7 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.629 van 7 juli 2004 in de zaak A. 150.773/X-11.844. In zake : 1. Georges LAFOSSE, 2. Pierre LAFOSSE, die woonplaats kiezen bij Advocaten G. VAN THUYNE en D. DE ROOVER, kantoor houdende te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 268 A tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Georges LAFOSSE en Pierre LAFOSSE op 15 april 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerleg- ging te vorderen van het besluit van 14 januari 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken, houdende vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten, "wegens de historische waarde: als monument : de voormalige abdijsite van Kortenberg, gelegen te Kortenberg", en dit "voor zover dit betrekking heeft op het met oranje stippellijn afgebakende gedeelte van perceel 259g"; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het ver slag o pgemaakt door Eerst e Auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 4 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 juni 2004; X-11.844-1/6 Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. DE ROOVER, die verschijnt voor verzoekers, en van Advocaat I. VANDEN BON die, loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Geho o rd het eensluidend advies van Eerst e Auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekende partijen onverdeeld mede-eigenaar zijn van twee percelen gelegen te Kortenberg, kadastraal bekend Sectie B, nrs. 259 g en 259 h; dat het bestuur Monumenten en Landschappen in een nota van 26 november 2003 voorstelt om de voormalige abdijsite van Kortenberg omwille van haar historische waarde als monument te beschermen; dat de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken bij het bestreden besluit van 14 januari 2004 heeft besloten de voormalige abdijsite van Kortenberg, gelegen te Kortenberg, als monument op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten te plaatsen; dat de percelen kadastraal bekend Sectie B, nrs. 259 g en 259 h, waarvan verzoekende partijen onverdeeld mede-eigenaar zijn, vallen binnen de perimeter van dit besluit; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting X-11.844-2/6 van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, verzoekende partijen aanvoeren wat volgt : "De opname in het bestreden Besluit van de volledige percelen 259g en 259h en dus ook van het niet bebouwde en perfect verkavelbare met oranje stippellijn afgebakende gedeelte van perceel 259g heeft tot gevolg dat deze percelen in hun geheel onderworpen zijn aan het zeer strenge beschermingsregime uit het Decreet en het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten. Immers, het voornoemd Besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 1993 is reeds van toepassing op de monumenten 'die opgenomen zijn op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten en stads- en dorpsgezichten' (Artikel 1, § 1 Besluit 17 november 1993), en dus ook op de volledige percelen 259g en 259h in eigendom van Verzoekers. 29. In eerdere arresten oordeelde uw Raad dat ook een voorlopige rang- schikking reeds een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan veroorzaken (...). De nadelen die voor Verzoekers voortvloeien uit het Bestreden Besluit zijn dan ook talrijk : zo is het voor Verzoekers sinds de datum van dit Besluit bijvoorbeeld zelfs verboden om zonder schriftelijke vergunning straatmeubilair, zoals bloembakken, banken, verlichtingspalen, tuinmuren etc. aan te brengen, te wijzigen of te vervangen (Artikel 3, 13/ Besluit 17 november 1993). Het bestreden Besluit maakt het vroegere gebruik (d.i. het gebruik dat Verzoekers van het terrein maakten voor het Besluit van 14 januari 2004) van het goed zeer moeilijk en dwarsboomt bovendien Verzoekers' plannen om voor het met oranje stippellijn afgebakende gedeelte van perceel 259g een verkavelingsvergunning aan te vragen. 30. Alhoewel Verzoekers begrip en sympathie hebben voor dit strenge regime voor wat betreft de voormelde delen van de percelen 259g en 259h, werkt de toepasselijke regelgeving verlammend voor wat betreft de overige delen die niet dienen(

  1. d)zijn om de visuele waarde van de site intact te houden, en verzoeken zij uw Raad om de schorsing van het bestreden Besluit, voor zover dit betrekking heeft op het met oranje stippellijn afgebakende gedeelte van perceel 259g waarvan Verzoekers eigenaar zijn"; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen antwoordt wat volgt : X-11.844-3/6 "III. 3 Verwerende partij dient er vooreerst op (
  2. te)wijzen dat het beweerde nadeel blijkbaar beperkt is tot een deel van (...) perceel 259G. Verzoekende partijen beweren niet dat ze een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou lijden door de toepassing van de beschermings- voorschriften op de percelen 254Z2 en 254G3. In tegendeel hebben ze blijkbaar begrip voor het beschermingsregime voor deze percelen. III 4. Vervolgens dient verwerende partij vast te stellen dat verzoekende partijen in hun algemeen en vaag betoog voornamelijk argumenten ontwikkelen met betrekking tot een puur financieel nadeel. Daar waar verzoekende partijen stellen dat zij gedwarsboomd worden in hun verkavelingsplannen kunnen zij inderdaad enkel een financieel nadeel bedoelen. Een financieel nadeel is in principe een herstelbaar nadeel en verzoe- kende partijen (tonen) - op grond van concrete en precieze gege- vens - niet aan dat dit in onderhavige zaak anders zou zijn. Bovendien stellen verzoekende partijen dat zij verkavelingsplannen zouden hebben, zonder ook daaromtrent precieze en concrete gegevens naar voor te brengen. Verzoekende partijen hebben blijkbaar in elk geval nog geen aanvraag ingediend tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning. Ze hebben derhalve blijkbaar geen 'kortetermijnplannen' of brengen in elk geval geen enkel gegeven naar voor waaruit zou blijken dat dit wel zo zou zijn. Men vraagt zich echter af hoe langetermijnplannen te rijmen zijn met het aantonen van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. In onderhavige zaak is dit temeer het geval aangezien de bestreden beslissing een beperkte geldingsduur heeft. Verwerende partij heeft er inderdaad reeds op gewezen dat de beschermingsprocedure zich nog in de voorlopige fase bevindt. Het voorlopig beschermingsbesluit heeft in principe maar een geldingsduur van twaalf maanden. Verzoekende partijen beweren zelfs niet dat zij plannen hebben om de verkavelingsaanvraag binnen die termijn in te dienen zodat moet besloten worden tot de afwezigheid van elk mogelijk moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Tenslotte vermelden verzoekende partijen niet, noch maken zij aannemelijk in welk opzicht het niet kunnen realiseren van hun verkavelingsplannen hen op enige andere wijze een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te kunnen berokkenen. III. 5 Verzoekende partijen blijven even algemeen en vaag in hun bewering dat het regime van de erfdienstbaarheden haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zouden toebrengen. Verzoekende partijen zetten niet uiteen, noch maken zij aannemelijk waarom het van toepassing zijn van de erfdienstbaarheden gedurende twaalf maanden voor hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou zijn"; Overwegende dat uit de uiteenzetting van verzoekende partijen blijkt dat zij zich enkel verzetten tegen de opname op het ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten van het door hen met een oranje stippellijn afgebakende gedeelte van het perceel nr. 259 g; dat verzoekers' uiteenzetting dat ingevolge het van toepassing worden van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten, X-11.844-4/6 het gebruik dat zij van dit terrein maakten vóór het bestreden besluit werd vastgesteld "zeer moeilijk" wordt gemaakt, en dat het hen bv. zelfs verboden is om zonder schriftelijke vergunning straatmeubilair zoals bloembakken, banken, verlichtingspalen, tuinmuren aan te brengen, te wijzigen of te vervangen (artikel 3, 13/ van voormeld besluit van de Vlaamse regering) dermate vaag en algemeen is dat het niet als een ernstig nadeel kan worden aangemerkt; dat verzoekers immers niet uiteenzetten waarin precies het gebruik van dit terrein bestond vooraleer het bestreden besluit werd vastgesteld, noch hoe het bestreden besluit dit gebruik thans ernstig belemmert; dat zij geen concrete gegevens bijbrengen waaruit kan blijken dat zij de intentie hadden om in de nabije toekomst door voormeld besluit van 17 november 1993 gereglementeerde handelingen te verrichten welke ingevolge het bestreden besluit niet meer mogelijk zouden zijn; dat verzoekers evenmin enig gegeven bijbrengen waaruit kan blijken dat zij op dit ogenblik reeds over concrete verkavelingsplannen beschikken of zodanige vergunning reeds zouden hebben aangevraagd; dat de uiteenzetting van verzoekende partijen geen afdoende concrete en precieze gegevens bevat waaruit kan blijken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juli 2004, door : X-11.844-5/6 de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-11.844-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.629 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.113 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.