id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.635 Rolnummer: A. 50753/XII-713 Zaak: Arrest 133635 - - 08/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-05 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 08:03 Fiche Arrest nr 133.635 van 8 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.635 van 8 juli 2004 in de zaak A. 50.753/XII-
- In zake : Alfons SEBREGHTS, die woonplaats kiest bij advocaten E. Van der Mussele en Y. Vanden Bosch, kantoor houdende te Antwerpen, Justitiestraat 18 A tegen : de GOUVERNEUR VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alfons Sebreghts op 19 maart 1993 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 18 januari 1993 houdende oplegging van een tuchtstraf van acht dagen schorsing met verlies van wedde; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur J. Lust; Gelet op de beschikking van 6 januari 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-713-1/11 Gelet op de beschikking van 19 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 maart 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Van der Mussele, die verschijnt voor verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- De burgemeester van de gemeente Nijlen legt op 30 mei 1985 aan Alfons Sebreghts een schorsing van veertien dagen met verlies van wedde op, eensdeels, wegens een ongepast proces-verbaal jegens de gemeenteontvanger en een perslek over een onderzoek tegen deze en, anderdeels, wegens een reeks tekortkomingen in zijn administratieve opdrachten. 1.
- De gouverneur van de provincie Antwerpen verwerpt het beroep van Alfons Sebreghts bij besluit van 4 juli
- Dit besluit wordt door de Raad van State bij arrest nr. 39.774 van 23 juni 1992 nietigverklaard. Bij brief van 4 september 1992 wordt dat arrest aan de gouverneur betekend. 1.
- Tussen 24 september 1992 en 13 oktober 1992 overlegt het provinciebestuur met de diensten van het Vlaamse Gewest omtrent de invloed van de wet van 24 mei 1991 op de na het vernietigingsarrest aan te nemen houding. XII-713-2/11 1.
- De provinciegouverneur nodigt Alfons Sebreghts bij brief van 10 november 1992 uit om op 2 december 1992 te worden gehoord over het perslek en de tekortkomingen met betrekking tot zijn administratieve opdrachten. 1.
- Met het bestreden besluit van 18 januari 1993 willigt de gouverneur van de provincie Antwerpen het beroep van Alfons Sebreghts gedeeltelijk in door, enkel rekening houdend met het perslek, de oorspronkelijke sanctie terug te brengen tot acht dagen schorsing met verlies van wedde;
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker in hetgeen hij als een eerste middel aanvoert enkel stelt hetgeen volgt: “De Heer Goeverneur kan niet meer optreden als beroepsinstantie tegen een tuchtstraf opgelegd door de Heer Burgemeester te Nijlen, na de Wet van 24 mei 1991”; Overwegende dat in het aangehaalde betoog niet wordt aangegeven welke bepaling van de tientallen ontworpen bepalingen van “de wet van 24 mei 1991” juist is geschonden en op welke wijze; dat dergelijk al te summier betoog niet als een rechtsmiddel wordt aangemerkt; dat het als middel niet ontvankelijk is; 2.
- Overwegende dat, samengevat, verzoeker in een tweede en derde middel aanvoert dat de verwerende partij na de uitspraak van de Raad van State te lang, zijnde twee maanden en twee weken, heeft gewacht alvorens de procedure te hernemen, dat dit tijdsverloop te wijten zou zijn geweest aan het plegen van overleg met de bevoegde minister, overleg dat overbodig was en in elk geval nodeloos lang heeft geduurd, dat voorts de gehele tuchtprocedure sinds de tuchtfeiten acht jaar heeft geduurd en dat de zaak bijgevolg is verjaard en dat het onredelijk is om na acht jaar nog een tuchtstraf van acht dagen schorsing op te leggen; XII-713-3/11 Overwegende dat de in artikel 1 van de wet van 24 mei 1991 tot wijziging van de nieuwe gemeentewet wat de tuchtregeling betreft, omschreven verjaring van de tuchtvordering te dezen niet van toepassing is; dat artikel 4 van deze wet immers bepaalt dat “De tuchtvordering die ingesteld is vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt afgehandeld volgens de bepalingen welke vóór deze datum van kracht waren”; Overwegende voorts, dat wanneer geen wettelijke of reglementaire bepaling een termijn oplegt voor het afhandelen van een tuchtprocedure, een redelijke termijn in acht moet worden genomen; dat bij het beoordelen van het redelijk karakter van die termijn rekening moet worden gehouden met de specifieke omstandigheden van de zaak en in het bijzonder met inachtneming van het belang ervan voor de betrokkene, de complexiteit van het dossier en het gedrag van de partijen; dat te dezen verzoeker niet beweert dat de redelijke termijn reeds was verstreken toen de verwerende partij een eerste maal, op 4 juli 1985, zijn beroep verwierp; dat de duur van de door verzoeker zelf opgestarte procedure voor de Raad van State, ingeval van nietigverklaring van de tuchtstraf, op zich niet leidt tot het verstrijken van de redelijke termijn en tot de onbevoegdheid van de tuchtoverheid; dat verzoeker, hangende de procedure voor de Raad van State ook nooit uit eigen beweging op een sneller verloop heeft aangedrongen, onder verwijzing naar de redelijke termijn; dat voorts de tuchtprocedure na het bij de Raad van State ingestelde beroep de redelijke termijn niet heeft overschreden; dat immers het tijdsverloop van twee maanden tussen het betekenen van het voormelde vernietigingsarrest op 4 september 1992 en het hervatten van de tuchtprocedure met de voornoemde uitnodiging van verzoeker tot een verhoor, bij brief van 10 november 1992, wordt gerechtvaardigd door de noodzaak na te gaan welke overheid na de wet van 24 mei 1991 tot wijziging van de nieuwe gemeentewet wat de tuchtregeling betreft, bevoegd is van verzoekers beroep kennis te nemen; dat het verhoor plaats vindt op 2 december 1992, drie weken later; dat na mededeling van het proces-verbaal met een brief van 9 december 1992 verzoeker laat weten ermee in te stemmen onder voorwaarde dat bepaalde toevoegingen worden verricht; dat de tuchtbeslissing volgt op 18 januari XII-713-4/11 1993; dat de tuchtprocedure aldus op geen enkel ogenblik op onverantwoorde wijze vertraging heeft opgelopen; dat ten slotte verzoeker nergens het nadeel concretiseert dat hij zou hebben geleden door het verloop van de procedure bij de Raad van State en dat hij bij een snellere beslissing zou hebben vermeden; dat uit al hetgeen voorafgaat volgt de redelijke-termijn-eis om uitspraak te doen over verzoekers beroep niet is geschonden; dat het tweede en derde middel niet gegrond zijn; 2.
- Overwegende dat verzoeker een vierde middel steunt op schending van de motiveringsplicht; dat hij daarbij in een eerste onderdeel betoogt dat de verwerende partij letterlijk en zonder voorbehoud overweging 4.2.2 van het vernietigingsarrest heeft overgenomen, dat er geen concrete en nieuwe beoordeling met afweging van de nieuwe argumenten van verzoeker is gebeurd, dat de verwerende partij teveel gezag heeft toegekend aan het vernietigingsarrest van de Raad van State, dat er voorts ook geen voldoende motivering met betrekking tot de strafmaat is: door de procureur-generaal werd een straf van acht dagen schorsing zonder wedde voorgesteld voor een ongepast proces-verbaal en een perslek terwijl uiteindelijk alleen het tweede feit wordt aangenomen, maar de straf toch acht dagen schorsing zonder wedde blijft; dat verzoeker in een tweede onderdeel betoogt dat door de argumentatie van de Raad van State bij te treden, de verwerende partij zich van een voorafbestaande argumentatie bedient die uiteraard “nooit kan inspelen op de nieuwe argumenten die door verzoeker zijn ontwikkeld” en dat de toevoeging “dat betrokkene trouwens geen concrete en onweerlegbare bewijzen voorlegt om het tegendeel aan te tonen” onvoldoende is om zijn bewijzen terzijde te schuiven; dat verzoeker in een derde onderdeel stelt dat hij met de getuigenissen van Jacobs, Van Looy en Diels concrete bewijzen aanvoert die het tegendeel van de betichting aantonen en dat hij bovendien ook bewijst dat er reden is om “de zogenaamde bewijzen van de tuchtoverheid ernstig te betwijfelen”: het getuigenis van Stuyck is niet “gewichtiger” dan de voorgenoemde getuigenissen; XII-713-5/11 Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat verzoeker met betrekking tot de beschuldiging in verband met het perslek voor de gouverneur aanhaalt hetgeen volgt : “a. De Heer Jacobs, auteur van het artikel, ontkent de informatie van verzoeker te hebben te hebben ontvangen[...]. b. Agent Van Looy bevestigt zonder te worden tegengesproken dat tussen concluant en de Heer Stuyck niet over de ontvanger Cools is gesproken, noch over de fiscale inbreuken. (hij stond op 5 meter afstand) Dat agent Diels niets hoorde is logisch, hij stond op 50 meter afstand. c. De Heer Stuyck is ongeloofwaardig als getuige: Zijn uitleg over hoe de informatie (m.b.t. verzoekers aandeel in de perslek) tot bij de Heer Cools is geraakt is geheel in tegenstelling met de uitleg van de andere betrokkenen (Cools en Reymen) [...] d. Dat concluant aan de Heer Stuyck zijn verklaring ter zake zou geven op 7 februari 1985 is uitgesloten: - in het recht op antwoord van de gemeente in de krant van voor 6 februari 1985, is gesteld dat 'het onderzoek is ingesteld, naar wie aan de basis ligt van het bericht over de miljoenenfraude' [...] - Stuyck is een geverbaliseerde persoon [...] Daarenboven had hij smaad gepleegd tegen agenten Van Looy en Diels die eerder vaststellingen hadden gedaan [...] e. Tenslotte is het mogelijk dat journalist Jacobs via andere weg (bv. Cools zelf of bekenden, of van andere leden van de politie, of van het parket) informatie heeft bekomen. f. Jacobs is zelfs 'aangenomen beroepsjournalist, die moet instaan voor gerechtelijke verslage'”, en heeft dus goede contacten in het gerechtelijke milieu, die hij niet wenst prijs te geven [...]”; dat de verwerende partij, in haar antwoord hierop, in de bestreden beslissing put uit het arrest van 23 juni 1992 (overweging 4.2.2) van de Raad van State, waarin wordt gesteld : - “de verklaring van journalist Jacobs werd afgenomen op suggestie van verzoeker die als eerste stelde dat die journalist vermoedelijk als eerste kennis kreeg van de belastingfraude” en “dat hoe dan ook de verklaring van journalist Jacobs, die zegt de informatie van collega’s of medewerkers te hebben verkregen, niet het tegenbewijs levert van hetgeen Felix Stuyck had verklaard”; - “de verklaring van agent Van Looy veel twijfelachtiger voorkomt [dan die van Felix Stuyck] aangezien deze enkel verklaart dat hij tijdens het gesprek tussen verzoeker en Felix Stuyck niet gehoord heeft wat XII-713-6/11 laatstgenoemde getuigde en een andere agent - namelijk Jozef Diels - getuigde dat hij, in dezelfde omstandigheden, het gesprek waarover het gaat niet eens kon volgen omdat hij te ver verwijderd was”; - de verklaringen van hoofdinspecteur Stuyck worden “gekenmerkt [...] door sereniteit en coherentie” en zijn “op geen enkel punt strijdig [...] met de verklaringen van André Rijmen, Walter Spiessens en Herman Cools”; dat met deze “redenering”, die de verwerende partij verklaart “zonder voorbehoud” te kunnen bijtreden, de Raad van State antwoordde op verzoekers derde middel tegen de -naderhand vernietigde- beslissing van 4 juli 1985 van de verwerende partij; dat, ofschoon de Raad van State reeds het middel van schending van het recht van verdediging gegrond had bevonden en dit middel de nietigverklaring van de beslissing van de verwerende partij kon verantwoorden en uiteindelijk heeft verantwoord, hij niettemin ook inging op het derde middel waarin verzoeker aanvoerde dat de rechtens vereiste grondslag voor de tuchtsanctie niet voorhanden was; dat de Raad van State het verwierp, zowel wat verzoekers tekortkomingen aan zijn gerechtelijke ambtsbevoegdheden, waaronder het perslek, betreft, als wat de tekortkomingen aan zijn administratieve taken aangaat; dat, aangezien dat derde middel geen noodzakelijke steun voor de in het dictum uitgesproken nietigverklaring levert, het niet deelt in het gezag van gewijsde waarmee die nietigverklaring is behept; dat niet blijkt dat de verwerende partij de overwegingen die de Raad van State aan het middel heeft besteed een gezag of draagwijdte heeft toegemeten dat of die ze niet hebben; dat meer bepaald niet blijkt dat zij de zienswijze van de Raad van State blindweg heeft overgenomen in de onterechte overtuiging dat het arrest haar daartoe verplichtte; dat zij integendeel met betrekking tot verzoekers tekortkomingen aan de gerechtelijke ambtsbevoegdheden uitdrukkelijk opmerkte dat “betrokkene trouwens geen concrete en onweerlegbare bewijzen voorlegt om het tegendeel aan te tonen” en in verband met de tekortkomingen aan de administratieve bevoegdheden zelfs stelde dat de burgemeester “de door hem ten laste gelegde feiten niet had[...] mogen inroepen om betrokkene de betwiste tuchtsanctie op te leggen”; dat het niet is omdat de verwerende partij niet verplicht was zich bij de visie van de Raad van State aan te sluiten, dat het haar ook verboden was; XII-713-7/11 Overwegende voorts, dat de getuigenissen waar verzoeker in het derde onderdeel van het besproken middel naar verwijst, zo goed als allemaal door de Raad van State betrokken zijn geworden bij de beoordeling van het middel met betrekking tot afwezigheid van de vereiste grondslag voor de tuchtstraf : - de verklaring van 29 november 1985 van journalist Jacobs, alsook ten andere het rondschrijven van 15 december 1986 van de procureur des konings te Mechelen (stukken C3 en C2 van verzoeker), werden door verzoeker in de procedure voor de Raad van State als bijkomende stukken aangevoerd; - ook verzoekers stuk C5, met de verklaringen van 28 november 1985 van onder andere agenten Van Looy en Diels, was de Raad van State bekend - evengoed als hun verslag van 7 februari 1985 waaruit kon worden opgemaakt “dat ze, toen Stuyck na het vertrek van de commissaris op hen afkwam, tesamen ‘druk doende’ waren”; - toen de Raad van State de verklaringen van Stuyck “op geen enkel punt strijdig” noemde met die van Rijmen, Spiessens en Cools, had hij het onder meer “over de weg die de informatie van Stuyck tot bij Cools aflegde”. Hij was daarbij niet onwetend van verzoekers stuk C4, waaromtrent in het auditoraatsverslag werd verwezen naar een verklaring van 25 maart 1985 van Stuyck, verklaring waarin op haar beurt wordt verwezen naar een verklaring van 11 maart 1985 van Cools. Anders dan verzoeker meent, bewijst het stuk overigens hoegenaamd niet dat “genoemde getuigenissen elkaar ernstig tegenspreken over de wijze van totstandkoming”. Integendeel: Rijmen wist van Spiessens dat Cools de oorsprong van het lek wou kennen en sprak daar toevallig, “Tijdens een gesprek”, met Stuyck over. Die wees verzoeker aan en deelde mee zulks aan Cools te willen bevestigen, op diens verzoek. Dat is via Spiessens aan Cools overgebriefd, die effectief contact met Stuyck heeft gezocht; - het argument dat het zonder meer ondenkbaar is dat verzoeker jegens Stuyck zou hebben verklaard het lek te zijn, gaat althans gedeeltelijk terug op gegevens die aan de aandacht van de Raad van State zijn onderworpen geworden. Zulks blijkt uit de verklaring van verzoeker in zijn reeds eerder vermeld stuk C5 : “Ik XII-713-8/11 zal mij dus wel hoeden in die omstandigheden de beweerde uitlatingen te doen”; - tenslotte zijn ook de wrokgevoelens die Stuyck ten opzichte van verzoeker zou hebben wegens een onderzoek van verzoeker tegen de zuster van Stuyck, reeds voor de Raad van State ter sprake gekomen. De Raad van State meende dat de wrok “niet wordt gestaafd door voldoende concrete gegevens”; dat alles bij mekaar als nieuwe gegevens, die verzoeker voor de verwerende partij zou hebben doen gelden, alleen overblijven: verzoekers stukken C1 en C7 tot en met C9, of althans de daarin vervatte informatie; dat het stuk C1 een tweede element moet bijbrengen ter ondersteuning van het argument ex absurdo dat het ondenkbaar is dat verzoeker aan Stuyck zou hebben meegedeeld het lek te zijn, namelijk het feit dat nog maar daags voordien het gemeentebestuur in een krantenbericht had laten weten een onderzoek naar het perslek te hebben ingesteld; dat de stukken C7 tot en met C9 processen-verbaal betreffen in verband met een eventuele diefstal door Ida Stuyck; dat niet blijkt dat verzoeker bij de opstelling van de processen-verbaal was betrokken; dat deze nieuwe gegevens niet van die aard zijn dat ze ertoe nopen om aan te nemen dat verwerende partij niet op goede grond heeft kunnen menen dat “de feiten die [verzoeker] ten laste worden gelegd bewezen zijn”; Overwegende ten slotte, dat de in het geding zijnde feiten van aard zijn dat een tuchtstraf van acht dagen schorsing zonder wedde in rechte aanvaardbaar blijkt; dat het feit dat de procureur-generaal dezelfde straf had voorgesteld, maar dan tevens wegens nog een tweede feit, namelijk het opstellen van een proces-verbaal tegen de gemeenteontvanger, geen afbreuk doet aan die conclusie, noch noopt tot een bijkomende motivering van de strafmaat; dat immers het voorstel van de procureur-generaal gedaan werd met toepassing van het toenmalige artikel 125bis van de gemeentewet, volgens hetwelk de commissarissen van politie, uit hoofde van hun gerechtelijke ambtsverrichtingen, niet kunnen worden geschorst dan op voorstel van de procureur-generaal bij het hof van beroep en dat, inzoverre het de procureur-generaal al toekwam in zijn voorstel tot schorsing een concrete schorsingsduur te suggereren en de XII-713-9/11 verwerende partij hierdoor gehouden was, in voorkomend geval, speciaal te motiveren waarom zij van de voorgestelde schorsingsduur afweek, die duur te dezen hoe dan ook door de verwerende partij is gerespecteerd geworden; dat dienvolgens het middel in geen van zijn onderdelen gegrond is;
- Over de uitbreiding van de vordering. Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie vraagt om ook het besluit van de burgemeester van de gemeente Nijlen van 30 mei 1985 te vernietigen; Overwegende dat artikel 123, vierde lid, van de oude gemeentewet een georganiseerd administratief beroep instelde; dat bijgevolg te dezen de in beroep genomen beslissing van de verwerende partij in de plaats komt van de oorspronkelijke beslissing; dat het verzoek tot uitbreiding van het voorwerp van het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-713-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juli 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, E. BREWAEYS staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-713-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.635 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.