id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.636 Rolnummer: A. 62315/XII-2344 Zaak: Arrest 133636 - - 08/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-09 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 08:03 Fiche Arrest nr 133.636 van 8 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.636 van 8 juli 2004 in de zaak A. 62.315/XII-
- In zake :
- de NV RAF DE VRIESE, die woonplaats kiest bij advocaten B. Cambier en L. Cambier, kantoor houdende te Brussel, Meunierstraat 22
- de tijdelijke vereniging NV DE VRIESE-SNC COCHERY- BOURDIN CHAUSSE, met zetel te Lichtervelde, Potteriestraat 22
- SNC COCHERY-BOURDIN-CHAUSSE, met zetel te Lichtervelde, Potteriestraat 22 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat D. D'Hooghe, kantoor houdende te Brussel, H. Wafelaertsstraat 47-51, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Raf De Vriese, de tijdelijke vereniging NV De Vriese-SNC Cochery-Bourdin Chausse en de Societé en nom collectif Cochery-Bourdin-Chausse op 13 februari 1995 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “
- de beslissing waarbij de inschrijving van verzoekers voor de openbare aanbeste- ding met besteknr. A94/C74 niet wordt weerhouden, hen betekend op 14 december 1994;
- de beslissing tot toewijzing van de openbare aanbesteding aan de firma Aswebo, waarvan de datum voor verzoekers onzeker is;
- de impliciete weigering van de toewijzing van de openbare aanbesteding aan verzoekers”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur J. Stevens; XII-2344-1/12 Gelet op de beschikking van 20 december 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 15 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Smout, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat M. Gelders, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. Stevens; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- De verwerende partij schrijft een openbare aanbesteding uit voor aanneming van werken, met als voorwerp van de opdracht “A18 - Verhardingen - N8 - Complex Cromfortstraat - Slijtlaag vak N355 - N8 - Dienstweg Nieuwpoort”. De opening van de offertes vindt plaats op 27 oktober
- 1.
- Het bestek (blz. 9) bepaalt inzake erkenning : “De werken die het voorwerp uitmaken van deze aanneming zijn gerangschikt in de ondercategorie C
- Het bestuur is van oordeel dat ze tot de klasse 7 behoren”. Het inschrijvingsbiljet (blz. 74 van het bestek) vermeldt : XII-2344-2/12 “B. - Inlichtingen betreffende de erkenning
(1)[...] 1/) De erkenning stemt overeen met de (onder-) categorie en klasse bepaald door het bestek en het bedrag van de offerte. Rekening houdend met de stand van de aan gang zijnde aannemingen zal het maximumbedrag van gelijktijdig uit te voeren werken, vastgesteld voor de verkregen erkenningsklasse, door de gunning van de opdracht niet worden overschreden. OF 2/) De erkenning stemt overeen met de (onder-) categorie en klasse bepaald door het bestek en het bedrag van de offerte. Door de gunning van de opdracht zal het maximum bedrag van gelijktijdig uit te voeren werken, vastgesteld voor de verkregen erkenningsklasse, worden overschreden. De voorgeschreven afwijkingsaanvraag is bij deze offerte gevoegd. OF 3/) De bewijzen van erkenning in een andere E.E.G. - lidstaat, en van gelijkwaardigheid van die erkenning, zijn bij deze offerte gevoegd. OF 4/) De bewijzen dat aan de voorwaarden voor erkenning is voldaan, zijn bij deze offerte gevoegd.
(1)Doorhalen wat niet van toepassing is.” 1.
- Zeven offertes worden ingediend, waaronder die van de verzoekende partijen met een inschrijvingssom van 165.469.757 frank, zijnde de laagste. 1.
- De SNC Cochery-Bourdin-Chausse voegt bij de inschrijving een attest waaruit een erkenning blijkt door het Belgische Ministerie van Openbare Werken in : klasse 4, categorie G-klasse 6, ondercategorie C5 en klasse 7, categorie C, ondercategorie C1 en in het inschrijvingsbiljet wordt melding gemaakt van die erkenningen. Van de NV Raf De Vriese wordt in het inschrijvingsbiljet enkel vermeld : “G klas 3, C klas 7 (in aanvraag), C5 klas 6 (in aanvraag) ondercat C1”. Geen stukken daaromtrent worden bijgevoegd. In het inschrijvingsbiljet is onder de hoger aangehaalde rubriek B enkel “1/)” niet doorgehaald, met onder andere de zinsnede “De erkenning stemt overeen met de (onder-)categorie en klasse bepaald door het bestek en het bedrag XII-2344-3/12 van de offerte”. Aldus echter zijn wel de woorden “4/ De bewijzen dat aan de voorwaarden voor erkenning is voldaan, zijn bij deze offerte gevoegd” doorgehaald. 1.
- Verwerende partij vraagt aan de verzoekende partijen bij brief van 27 oktober 1994 onder andere “een afschrift van erkenningsgetuigschrift waaruit blijkt dat u erkend bent in de o/cat. C5 kl. 6 (n.v. De Vriese) of een attest waaruit blijkt dat u een volledig dossier hieromtrent bij de Dienst Erkenningen hebt ingediend” en zulks “vóór woensdag 16 november”. Met een faxbericht van 28 oktober 1994 delen zij mede dat de gevraagde documenten uiterlijk op 24 november 1994 overgezonden zullen worden. De verwerende partij antwoordt met een brief van 3 november 1994 dat omwille van het dringend karakter voor het verder afhandelen van het dossier de gevraagde documenten vóór 15 november 1994 in bezit moeten zijn van de gemachtigde ingenieur. 1.
- Met brief van 10 november 1994 zendt de eerste verzoekende partij onder andere een kopie van de aanvraag van de tijdelijke vereniging voor registratie “in categorie 00 of 05” en deelt zij mede dat het attest waaruit blijkt dat door de NV Raf De Vriese een volledig dossier is ingediend voor het verkrijgen van een erkenning in categorie C7 en ondercategorie C5 klasse 6, zo spoedig mogelijk wordt nagestuurd. Bij brief van 11 november 1994 stuurt zij een dergelijk attest van het bevoegde ministerie, dat gedateerd is op 14 november
- 1.
- De bevoegde buitendienst draagt de NV Aswebo voor als laagste regelmatige inschrijver en verantwoordt zulks in het gunningsvoorstel onder meer als volgt : “De laagste inschrijving werd ingediend door de tijdelijke vereniging NV Raf De Vriese/Cochery-Baudin Chaussé. Deze tijdelijke vereniging bezit niet de vereiste erkenning, namelijk klasse 7, ondercategorie C5 noch de vereiste registratie. Bij de inschrijving van de tijdelijke vereniging is geen getuigschrift of dossier gevoegd waaruit blijkt dat de aanvraag voor verhoging van erkenning is ingediend noch de bewijsstukken waarvan sprake in art. 6 van de wet. De inschrijver vermeldt wel in zijn inschrijving dat de aanvraag voor verhoging in aanvraag is. XII-2344-4/12 Bij telefonische navraag op 8/11/94 werd mijn bestuur geïnformeerd dat de N.V. De Vriese pas op 4/11/94 een aanvraag voor verhoging naar klasse 6 C5 heeft ingediend.”. In een nota van 25 november 1994 stelt het bestuur overheids- opdrachten, juridische dienst : “De aannemer moet, opdat de opdracht hem zou kunnen gegund worden, - ofwel de vereiste erkenning bezitten; - ofwel het bewijs hebben geleverd dat hij voldoet aan de erkennings- voorwaarden bepaald in art. 4 § 1 van de wet van 20.3.
- Inschrijver De Vriese bezit niet de vereiste erkenning en heeft ook geen gebruik gemaakt van de tweede mogelijkheid hierboven. Wel heeft hij een erkenning in klasse 6 aangevraagd doch -in tegenstelling met wat hij in zijn inschrijving beweert- eerst na datum van aanbesteding. De inschrijver kan dus noch een erkenningsattest, noch een attest van volledig ingediend dossier bij zijn inschrijving voegen. In die omstandigheden dient geen rekening te worden gehouden met de bieding De Vriese-Cochery, minstens niet zolang de vereiste erkenning niet werd verleend, en de opdrachtgever niet formeel in kennis werd gesteld van een verleende erkenning. Aangezien het de bedoeling is om de opdracht nog tijdens het lopende jaar toe te wijzen is het onwaarschijnlijk dat de firma De Vriese de vereiste erkenning tijdig zou kunnen bekomen”. 1.
- Op 30 november 1994 wordt beslist de opdracht toe te wijzen aan de NV Aswebo, tweede laagste inschrijver. 1.
- Met brief van 14 december wordt aan de verzoekende partijen medegedeeld dat hun inschrijving niet werd “weerhouden” bij toepassing van artikel 3 van de wet van 10 (lees : 20) maart 1991 met betrekking tot de erkenning van aannemers. 1.
- Op 11 januari 1995 wordt aan eerste verzoekende partij een erkenning verleend onder meer in klasse 6, ondercategorie C5 en klasse 7, categorie C - ondercategorie C
- 1.
- Met brief van 20 januari 1995 vragen de verzoekende partijen bijkomende informatie. Met brief van 24 januari 1995 antwoordt de verwerende partij onder andere dat de kennisgeving “goedkeuring inschrijvingsbiljet” aangetekend werd betekend op 9 december 1994; XII-2344-5/12
- Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat de tweede verzoekende partij in rechte trad als tijdelijke vereniging; dat een tijdelijke vereniging niet over rechtspersoonlijkheid beschikte; dat het beroep in zoverre als ingesteld door de tijdelijke vereniging NV De Vriese-SNC Cochery Bourdin Chausse dienvolgens niet ontvankelijk is;
- Over de gegrondheid. 3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen hun middelen als volgt verwoorden : “Schending van het artikel 3 van de wet van 20 maart
- Middel genomen uit de schending van de Europese Richtlijn 71/305/EEG van 26 juli 1971 'betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken', o.a. de artikels 23 tot 26; Uit de schending van de wet van 20 maart 1991 'houdende de regeling van de erkenning van aannemers van werken”, o.a. van het artikel 3; Uit de schending van de algemene rechtsbeginselen, o.a. die van een behoorlijk bestuur die ondermeer wil dat een overheid haar beslissing op een zorgvuldige wijze voorbereidt en neemt; Uit de dwaling, de tegenstrijdigheid tussen de oorzaak en de motieven; Doordat tegenpartij de inschrijving van verzoekers heeft verworpen, daar zij niet zouden voldoen aan de voorwaarden van artikel 3 van de wet van 20 maart 1991; Terwijl het artikel 3 van de wet van 20 maart 1991 twee hypotheses voorziet, waarbij de aannemer kan deelnemen aan de gunningsprocedure; Dat 'het bezit van een erkenning slechts één van de bewijsmiddelen is die een aannemer kan voorleggen om toegelaten te worden tot overheidsopdrachten in België' (Parl. Hand., Senaat, 1990-1991, 1067-1, 3); dat hierdoor België zich heeft geconformeerd aan de Europese regelgeving (Richtlijn 71/305/EEG van 26 juli 1971); Dat de aannemer via andere bewijsmiddelen kan aantonen dat hij in aanmerking komt voor de overheidsopdracht, nl. door te bewijzen dat hij aan alle erkenningsvoorwaarden beantwoord [t]; Dat in casu verzoekers op het ogenblik van de gunning aan alle erkennings- voorwaarden voldeden, daar de N.V. Raf DE VRIESE enkele weken later het getuigschrift van erkenning afgeleverd kreeg; dat op het ogenblik van de gunning, de Commissie voor de erkenningen waarschijnlijk reeds een positief advies had gegeven; Dat bijgevolg tegenpartij de letter en de geest van artikel 3 van de wet van 20 maart 1991 heeft miskend; En terwijl tegenpartij in elk geval de plicht had als zorgvuldige overheid na te gaan of verzoekers inderdaad niet beantwoorden aan de erkenningsvoorwaar- den; dat dit onderzoek echter helemaal niet werd verricht; § 2 - Tweede Middel : (Formele) Motiveringsplicht Middel genomen uit de schending van de wet van 29 juli 1991 'betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen', o.a. de artikels 1 tot 3; Uit de schending van het decreet van 23 oktober 1991 'betreffende de openbaarheid van bestuursdokumenten', o.a. het artikel 13; XII-2344-6/12 Uit de schending van de algemene rechtsbeginselen, o.a. deze van behoorlijk bestuur die ondermeer willen dat de openbare overheden hun beslissingen steunen op wettige en toelaatbare motieven en op een zorgvuldige wijze hun beslissing nemen; Uit de dwaling, de tegenstrijdigheid tussen oorzaken en motieven; Eerste deel : Doordat de beslissing tot weigering van de inschrijving als volgt is gemoti- veerd : 'dat uw inschrijving niet werd weerhouden in toepassing van art. 3 van de wet van 10.03.1991, met betrekking tot de erkenning van de aannemers'; Terwijl het formeel motiveren van een administratieve beslissing betekent dat de ingeroepen redenen pertinent moeten zijn en de beslissing moeten verant- woorden (Van Orshoven, P., 'De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen' R.W., 1991-1992, 491); Dat de motiveringsplicht als ultiem doel heeft diegene, ten opzichte van wie een beslissing is genomen, een inzicht te geven in de exacte motieven van de beslissing opdat hij in staat zou zijn zich een oordeel te vormen of het, al dan niet, zin heeft de beslissing met rechtsmiddelen aan te vechten (R.v.St., nr. 42.968, 17 mei 1993, T.B.P., 1994, 67); Dat in casu de bestreden beslissing over het hoofd ziet dat artikel 3 van de wet van 20 maart 1991 twee hypothesen viseert, maar hiermee geen rekening wordt gehouden in de beslissing; dat tegenpartij hiertoe zijn beslissing had moeten specifiëren; Dat het verzoekers bijgevolg niet duidelijk is wat hen juist wordt verweten en welke hypothese juist wordt geviseerd, waaruit ook volgt data zij huidige vordering hebben gesteld met noodzakelijkerwijze talrijke middelen; En terwijl verzoekers wel degelijk beantwoorden aan één van de hypotheses van artikel 3 van de wet van 20 maart 1991; Dat zij namelijk op het ogenblik van de gunningsbeslissing voldeden aan de erkenningsvoorwaarden zoals deze gesteld worden door de wet; dat dit blijkt uit de latere verkrijging van het getuigschrift van erkenning; Dat aldus de genomen beslissing niet overeenstemt met de realiteit; dat tegenpartij in het kader van zijn zorgvuldigheidsplicht een onderzoek had moeten instellen; Tweede deel : Doordat de tweede en derde bestreden beslissing verzoekers uit de gunnings- procedure weerde, juist o.w.v. het feit dat zij niet zouden voldoen aan de voorwaarden van het artikel 3 van de wet van 20 maart 1991; Terwijl zoals hoger werd betoogd deze motivering of reden niet overeenstemt met de realiteit of ten minste onduidelijk is; § 3 - Derde middel : Onderzoek van de inschrijving Middel genomen uit de schending van de wet van 20 maart 1991 'houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken', o.a. de artikels 3 en 21; Uit de schending van de wet van 29 juli 1991 'betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen', o.a. de artikels 1 tot 3; Uit de schending van het decreet van 23 oktober 1991 'betreffende de openbaarheid van bestuursdokumenten', o.a. het artikel 13; Uit de schending van de algemene rechtsbeginselen, o.a. van behoorlijk bestuur die ondermeer willen dat de openbare overheden in hun beslissingen particulieren op een gelijke wijze behandelen en hun beslissing op een zorgvuldi- ge wijze nemen; Uit de dwaling, de tegenstrijdigheid tussen oorzaak en motieven; Doordat tegenpartij de inschrijving van verzoekers voor de hogervermelde openbare aanbesteding zelfs niet heeft onderzocht; Terwijl het feit dat een aannemer op het ogenblik van de inschrijving nog niet voldoet aan de voorwaarden van hogervermeld artikel 3 niet verhindert dat hij zijn voorstel kan indienen en de opdrachtgever ook niet ontlast van zijn plicht XII-2344-7/12 om zijn inschrijving te onderzoeken (zie D'HOOGHE, D., De gunning van overheidscontracten en overheidsopdrachten en het toezicht door de Raad van State en de gewone rechtbanken, Die Keure, Brugge, 1993, 416-417 en de er geciteerde rechtspraak; R.v.St., nr. 26.184, 19 februari 1986); Dat uit niets blijkt dat tegenpartij bij haar gunningsbeslissing rekening heeft gehouden met de inschrijving van verzoekers of deze heeft onderzocht; Dat anders had gebleken dat verzoekers de laagste inschrijvers waren en wel voldeden aan de verschillende voorwaarden (erkenningsvoorwaarden, regelmati- ge inschrijving,...); Dat aldus verzoekers niet op gelijke voet werden behandeld met de andere ingeschreven aannemers; § 4 - Vierde middel : Schending van artikel 11 van de wet van 20 maart 1991 Middel genomen uit de schending van de wet van 20 maart 1991 'houdende de regeling van de erkenning van aannemers van werken', o.a. van de artikel 11 en 24; Uit de schending van de algemene beginselen, o.a. van behoorlijk bestuur die ondermeer vereisen dat de openbare overheden hun beslissingen op een zorgvuldige wijze voorbereiden en nemen; Uit de dwaling, de tegenstrijdigheid tussen de oorzaken en de motieven; Doordat de inschrijving van de tijdelijke vereniging niet werd weerhouden, daar de voorwaarden van het reeds meermaals vermelde artikel 3 niet zouden zijn vervuld; Terwijl artikel 11, § 1 van de wet van 20 maart 1991 het volgende bepaalt : 'De tijdelijke verenigingen van aannemers worden tot de uitvoering der werken toegelaten, voor zover ten minste één der deelgenoten over een erkenning beschikt die overeenstemt met de voor die werken vereiste klasse en categorie of ondercategorie of daartoe de bewijzen heeft geleverd bepaald in artikel 3, § 1, 2/, en voor zover de andere deelgenoten beantwoorden aan de voorwaarden gesteld bij artikel 4; § 1, 1/, 2/, 3/, 4/ en 7/'. Dat zoals reeds gesteld de N.V. DE VRIESE op het ogenblik van de gunning voldeed aan alle erkenningsvoorwaarden; Dat de SNC COCHERY-BOURDIN-CHAUSSE sinds 18 januari 1991 beschikt over een getuigschrift van erkenning dat voldoet aan de vereisten van de kwestieuze overheidsopdracht (categoriëen 4G, 6C5 en 7C C1); Dat artikel 24 van de wet van 20 maart 1991 stelt dat 'de aannemers die erkend zijn op de datum van inwerkingtreding van deze wet... hun erkenningen (behouden) totdat hun toestand herzien zal zijn'; Dat zelfs indien deze laatste erkenning niet voldoende is, de Franse maatschappij op het ogenblik van de gunning voldeed aan alle erkennings- voorwaarden; dat zij talrijke referenties kunnen voorleggen m.b.t. de uitvoering van grootse openbare werken in Frankrijk; Dat bijgevolg de tekst van artikel 11 § 1 van de wet van 20 maart 1991 werd miskend”; 3.
- Overwegende dat de voor het onderzoek van de zaak nuttige bepalingen de volgende zijn : - artikel 3, § 1, van de voormelde wet van 20 maart 1991 : “Opdrachten voor aanneming van werken als bedoeld in artikel 2, waarvan de omvang een bij koninklijk besluit vastgesteld bedrag overschrijdt, mogen slechts worden gegund aan aannemers, zowel privaatrechtelijke als publiek- rechtelijke personen, die op het ogenblik van de gunning : XII-2344-8/12 1/ hetzij hiervoor erkend zijn; 2/ hetzij de bewijzen hebben geleverd dat zij voldoen aan de voorwaarden gesteld door of krachtens deze wet”, - artikel 6, eerste lid, van dezelfde wet : “Een opdracht voor aanneming van werken kan pas worden gegund aan een niet-erkend aannemer die de bewijzen, bedoeld in art. 3, § 1, 2/, voorlegt [...], nadat de Gewestregering, op verzoek van de opdrachtgever en na advies van de Commissie, heeft beslist dat voldaan is aan de erkenningsvoorwaarden bepaald in artikel 4, § 1, [...]”, - artikel 8, eerste lid, van het koninklijk besluit van 26 september 1991 : “In geval de procedure voorzien bij artikel 6 van de wet van 20 maart 1991 wordt toegepast, worden de bewijsstukken die de aannemer bij zijn inschrijving heeft gevoegd door de opdrachtgever onmiddellijk aan de Commissie voor advies overgemaakt”, - artikel 11, § 1, van de voormelde wet van 20 maart 1991 : “De tijdelijke verenigingen worden tot de uitvoering der werken toegelaten, voor zover tenminste een der deelgenoten over een erkenning beschikt die overeenstemt met de voor die werken vereiste klasse en categorie of ondercategorie of daartoe de bewijzen heeft geleverd bepaald in artikel 3, § 1, 2/ en voor zover de andere deelgenoten beantwoorden aan de voorwaarden gesteld bij artikel 4, § 1, 1/, 2/, 3/, 4/ en 7/.”; 3.3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen onder de vorm van een tijdelijke vereniging een offerte hebben ingediend; dat als erkenning klasse 7, ondercategorie C5, was vereist; dat de verzoekende partijen er van uitgaan dat een van de deelgenoten, namelijk de SNC Cochery-Bourdin-Chausse, over de voormelde erkenning beschikte; dat dit standpunt niet kan worden gevolgd; dat de voormelde vennootschap immers over een erkenning klasse 7 in categorie C, ondercategorie C1, beschikte, hetgeen niet gelijk staat met een erkenning, in die klasse 7, in ondercategorie C5; dat zulks a contrario voortvloeit uit artikel 5, § 2, van het voormelde koninklijk besluit van 26 september 1991, krachtens welke bepaling het erkend zijn in categorie C geen erkenning inhoudt in een ondercategorie van C, behalve in C1 en C5 maar dan met een verlaging van drie klassen; dat aldus het vierde middel steunt op een verkeerde veronderstelling zodat de daarin vervatte schending van artikel 11, § 1, van de wet van 20 maart 1991, niet is aangetoond; XII-2344-9/12 3.3.
- Overwegende dat, gelet op hetgeen voorafgaat, te dezen de tijdelijke vereniging niet onder de toepassing valt van het voormelde artikel 11, § 1, maar van de tweede paragraaf van dat artikel, luidens welke bepaling tijdelijke verenigingen waarvan ten minste twee deelgenoten erkend zijn of aan de vereiste erkenningsvoorwaarden voldoen, geacht worden de vereiste erkenning te bezitten voor de uitvoering van de in de onmiddellijk hogere klasse ingedeelde werken van die categorie of ondercategorie; dat, aangezien de SNC Cochery-Bourdin-Chausse over de erkenning in klasse 6, in de gevraagde ondercategorie beschikte, om de in het geding zijnde opdracht, waarvoor klasse 7 in die ondercategorie was voorgeschreven, te mogen uitvoeren, de tweede deelgenoot, de NV Raf De Vriese ook minstens over klasse 6 in ondercategorie C5 diende te beschikken; dat de laatstgenoemde aldus, zoals voorgeschreven door het aangehaalde artikel 3, § 1, van de wet van 20 maart 1991, “op het ogenblik van de gunning” hetzij over de voornoemde erkenning diende te beschikken, hetzij de “bewijzen hebben geleverd” te voldoen “aan de voorwaarden gesteld door of krachtens deze wet”; dat niet wordt betwist dat de NV Raf De Vriese de erkenning in klasse 6, ondercategorie C5 pas op 11 januari 1995, dus na de toewijzing op 30 november 1994 en zelfs na de betekening ervan bij brief van 9 december 1994, verkregen had; dat dienvolgens de NV Raf De Vriese en dus de tijdelijke vereniging, op het ogenblik van de gunning niet voldeed aan het 1/ van artikel 3, § 1, aangezien de noodzakelijke erkenning niet voorhanden was; dat evenmin was voldaan aan het 2/ van artikel 3, § 1; dat immers dat 2/ niet is toegepast, aangezien bij de inschrijving geen bewijzen werden gevoegd waaruit kon blijken dat de NV Raf De Vrieze voldeed aan de erkenningsvoorwaarden; dat helemaal geen stukken werden bijgevoegd; dat aldus geen sprake is van schending van het meervermelde artikel 3; dat het eerste middel niet gegrond is in zoverre het op die schending steunt; 3.3.
- Overwegende voorts, dat de verzoekende partijen de verwerende partij onzorgvuldigheid aanwrijven, nu zij geen onderzoek zou hebben verricht naar het al dan niet beantwoorden aan de erkenningsvoorwaarden; dat dit standpunt niet kan worden bijgetreden; dat vooreerst de verzoekende partijen zelf onzorgvuldig zijn geweest door geen enkel stuk betreffende de erkenningsprocedure bij de inschrijving te voegen en zich aldus zelf buiten de toepassing van artikel 3, § 1, 2/, hebben geplaatst; dat zij, meer zelfs, veeleer op misleidende wijze melding maakten van een “aanvraag” erkenning in klasse 6 ondercategorie C5 terwijl deze pas op 4 november 1994 is ingediend, zijnde na de opening der inschrijvingen op 27 oktober 1994; dat de verwerende partij dan toch nog de moeite deed om bij brieven van 27 oktober XII-2344-10/12 1994 en 3 november 1994 naar de erkenning van eerste verzoekende partij te informeren en zelfs tijd te geven tot 15 november 1994 om documenten daaromtrent in te dienen; dat in die omstandigheden de onzorgvuldigheid die de verzoekende partijen geschonden achten door de verwerende partij, niet is aangetoond en nog minder haar in die mate zou kunnen worden ten kwade geduid dat daardoor de bestreden beslissing door een onrechtmatigheid zou zijn aangetast; dat het eerste middel ook op dit punt niet gegrond is; 3.3.
- Overwegende dat betreffende de inschrijving van de verzoekende partijen niet kan worden gesteld, zoals de verzoekende partijen doen, dat “uit niets” blijkt dat rekening is gehouden met de nieuwe inschrijving of deze is onderzocht; dat immers de erkenning van de verzoekende partijen wel degelijk voorwerp is geweest van onderzoek, zelfs van gerichte briefwisseling en juridisch advies; dat overigens naast het probleem van de erkenning in het gunningsvoorstel ook werd opgemerkt dat de tijdelijke vereniging niet de vereiste registratie bezat en dat de SNC Cochery-Bourdin-Chausse geen werkschema noch RSZ-attest tweede kwartaal bij de inschrijving had gevoegd; dat het derde middel dienvolgens niet gegrond is; 3.3.
- Overwegende, wat de aangevoerde schending van de formele motiveringsverplichting betreft, dat het stuk waarin de aangevochten toewijzings- beslissing is vervat vermeldt : “de tijdelijke vereniging N.V. R. De Vriese en S.N.C. Cochery (de laagste inschrijving t.b.v. 165.469.757 F) beschikt niet over de vereiste erkenning”; dat in hun andere middelen de verzoekende partijen dit motief zelf aan uitvoerige kritiek hebben onderworpen; dat aldus te dezen het doel van de ingeroepen motiveringsverplichting is bereikt, namelijk de betrokkenen een dergelijk inzicht geven in de motieven van een bestuurlijke handeling, dat zij met kennis van zaken er in voorkomend geval bij een rechter kunnen tegen opkomen; dat de verzoekende partijen in hun andere middelen het voormelde motief zelf aan uitvoerige kritiek hebben onderworpen; dat het tweede middel niet gegrond is; dat aldus geen van de middelen gegrond is, XII-2344-11/12 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 297,47 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juli 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2344-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.636 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div