id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.637 Rolnummer: A. 60238/XII-1904 Zaak: Arrest 133637 - - 08/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-06 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 08:03 Fiche Arrest nr 133.637 van 8 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.637 van 8 juli 2004 in de zaak A. 60.238/XII-
- In zake : de STAD TIELT, die woonplaats kiest bij advocaat A. Navasartian, kantoor houdende te Brussel, Jenatzystraat 13 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de stad Tielt op 7 oktober 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 8 augustus 1994 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden houdende vernietiging van het besluit van 3 maart 1994 van de gemeenteraad van Tielt houdende de aanvulling van het geldelijk statuut van het gemeentelijk politiepersoneel met een bijlage nr. 27bis waarin, met ingang van 1 april 1994, een nieuwe weddeschaal wordt ingevoerd voor de titularissen van de graad van inspecteur van politie die bekleed zijn met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie; Gelet op het arrest nr. 85.655 van 29 februari 2000 waarbij twee prejudiciële vragen worden gesteld aan het Arbitragehof en waarbij de zaak overeenkomstig artikel 13 van de algemene procedureregeling aan het auditoraat wordt overgemaakt voor nader onderzoek in functie van het antwoord van het Arbitragehof; Gezien het aanvullend verslag opgesteld door auditeur P. De Somere; XII-1904-1/12 Gelet op de beschikking van 4 december 2001 die de neerlegging ter griffie van het aanvullend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij; Gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 18 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Matthys, die loco advocaat A. Navasartian verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat V. Petitat, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat in het voornoemde arrest nr. 85.655 de gegevens van de zaak worden samengevat als volgt : “1.
- Op 3 maart 1994 beslist de gemeenteraad van Tielt voor de graad van inspecteurs van politie bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie-hulpofficier van de procureur des konings, met ingang van 1 april 1994 verhoogde weddeschalen in het geldelijk statuut van het personeel op te nemen. 1.2.
- Het besluit van de gemeenteraad wordt op 6 mei 1994 door de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen geschorst omdat de gemeente door het toekennen van een weddecomplement aan zijn personeel artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen miskent omdat die bepaling stelt dat buiten collectieve of individuele akkoorden afgesloten vóór 15 november 1993 om 'voor het jaar 1994 geen andere loonsverhogingen of bijkomende voordelen worden toegekend'. 1.2.
- De gemeenteraad van Tielt handhaaft, op 16 juni 1994, zijn besluit. Hij overweegt dat het voor de goede werking van de diensten aangewezen is het aantal officieren van gerechtelijke politie uit te breiden, dat de zwaardere XII-1904-2/12 verantwoordelijkheid van die personen vergoed moet worden en dat het tegen de principes van behoorlijk bestuur zou ingaan indien een gemeentebeslissing die een betere organisatie van het politiekorps mogelijk maakt zou vernietigd worden. 1.
- Op 8 augustus 1994 vernietigt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden de gemeente- raadsbeslissing van 3 maart 1994 omdat luidens artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, zoals bekrachtigd door de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, 'voor 1994 geen loonsverhogingen of bijkomende voordelen mogen worden toegekend tenzij op grond van collectieve of individuele akkoorden neergelegd ten laatste op 15 november 1993' terwijl het weddecomplement waartoe de gemeenteraad van Tielt zonder daartoe verplicht te zijn besloten heeft 'neerkomt op de invoering van een nieuw voordeel'. Het besluit wordt met een brief van 9 augustus 1994 aan de stad betekend.”;
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel aanvoert dat de gemeenteraad van Tielt zijn besluit van 3 maart 1994 genomen heeft op een ogenblik waarop de regeling gold van het koninklijk besluit van 24 december 1993 dat, zoals uiteengezet is in het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, niet van toepassing kon zijn op het overheidspersoneel omdat de wet van 6 januari 1989 niet beoogde een regeling voor dat personeel mogelijk te maken; dat volgens de verzoekende partij de toezichthoudende overheid in de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 december 1993 geen reden kon vinden om het gemeente- raadsbesluit van 3 maart 1994 te schorsen en te vernietigen terwijl de latere bekrachtiging van dat koninklijk besluit door de wetgevende kamers aan die vaststelling geen afbreuk kon doen; dat een en ander haar tot het besluit leidt dat de verwerende partij niet op artikel 159 van de Grondwet kon steunen om het gemeenteraadsbesluit te vernietigen; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat, ten gevolge van het retroactief ingrijpen van de wetgever op het toepassingsgebied en de wettigheid van het koninklijk besluit van 24 december 1993, de wettigheid ab initio van dat besluit aanvaard moet worden terwijl het niet aan de rechter maar alleen aan de wetgever zelf, onder controle van het Arbitragehof, toekomt te oordelen of een wet strijdig is met de Grondwet; dat volgens haar geen grondwettelijke bepaling aan de wetgever het verbod oplegt aan zijn normen terugwerkende kracht te verlenen en dat dergelijke terugwerkende kracht verantwoord kan zijn om te voldoen aan de geest van de wet, aan het algemeen belang of aan de doeltreffendheid van de XII-1904-3/12 uitgevaardigde maatregel; dat zij besluit dat de wetgever, door zeer bewust te opteren voor een retroactieve bekrachtiging van het koninklijk besluit van 24 december 1993, dat besluit ab initio wettig gemaakt heeft en dat de minister dienovereenkomstig, bij het nemen van het bestreden besluit, niet anders kon dan vaststellen dat de gemeente de bepalingen ervan miskend heeft terwijl de Raad van State de rechtsgeldigheid van de retroactieve bekrachtiging van het koninklijk besluit niet mag onderzoeken; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord herhaalt dat, aangezien op 3 maart 1994 artikel 90 van de wet van 30 maart 1994 nog niet was afgekondigd en gepubliceerd, de gemeenteraad op die datum wettig een beslissing kon nemen; 2.1.
- Overwegende dat in het voormelde tussenarrest van de Raad van State nr. 85.655 wordt besloten, omtrent de toepassing van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, de volgende vragen aan het Arbitragehof te stellen : “
- Schendt artikel 90 van de wet van 30 maart 1994 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door, ter uitvoering van artikel 11 van de wet van 6 januari 1989 tit vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, het koninklijk besluit van 24 december 1993 te bekrachtigen ook in zoverre dat besluit een loonmatiging oplegt aan het in artikel 1, § 2, 5/, bedoelde overheidspersoneel wanneer aldus een regeling wordt ingesteld waarbij twee verschillende categorieën van personen gelijk worden behandeld, te weten de personen ten opzichte van wie de Koning overeenkomstig de wet van 6 januari 1989 wel degelijk een loonmatiging mocht opleggen en de personen ten opzichte waarvan hij krachtens de wet van 6 januari 1989 niet regelend mocht optreden;
- Schendt artikel 90 van de wet van 30 maart 1994 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door, ter uitvoering van artikel 11 van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, het koninklijk besluit van 24 december 1993 te bekrachtigen wanneer daarmee aan een bepaalde categorie van personen, met name het overheidspersoneel, het recht wordt ontnomen om zich voor de bevoegde rechter overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet te beroepen op de onwettigheid van het koninklijk besluit van 24 december 1993 teneinde aldus te beletten dat een vóór de inwerkingtreding van de wet van 30 maart 1994 ingevoerde regeling door de toezichthoudende overheid vernietigd wordt wegens schending van een wet waaraan retroactieve uitwerking is verleend”; Overwegende dat in het arrest nr. 68/2001 van 17 mei 2001 het Arbitragehof overweegt hetgeen volgt : XII-1904-4/12 “B.
- De wet van 6 januari 1989 beoogt ’s lands concurrentievermogen te vrijwaren en «op meer actieve wijze de rol die de overheid kan spelen in het behoud van het concurrentievermogen vast te stellen» (Parl. St., Kamer, 1988- 1989, nr. 543/3, p. 2). De vooropgestelde maatregelen beogen in eerste instantie «de loontrekkenden», maar de wet voorziet uitdrukkelijk in een «gelijkwaardige matiging van de inkomens van de vrije beroepen en de zelfstandigen […] en de inkomens uit alle andere beroepsactiviteiten» (artikel 10, 1/) en in «gelijkwaardige maatregelen voor de andere sociaal-professionele categorieën, ook die waarvan de inkomensevolutie niet wordt beïnvloed door akkoorden» (artikel 10, 2/). Volgens de artikelsgewijze commentaar bij het ontwerp van artikel 10 vormen «de in punt 1/ vermelde maatregelen alsook die vermeld in punt 2/ […] een geheel : zo zal de Koning, wanneer Hij een tijdelijke beperking legt op het in aanmerking nemen der factoren die de nominale inkomensgroei van de loontrekkenden bepalen, tegelijkertijd maatregelen nemen tot matiging van de inkomens uit allerhande activiteiten en ervoor zorgen dat een gelijkwaardige weerslag op de onderscheiden sociaal-professionele categorieën wordt bekomen» (Parl. St., Kamer, 1988-1989, nr. 543/1, p. 8). Weliswaar is in de memorie van toelichting bij artikel 3 van het ontwerp gesteld dat «abstractie [wordt] gemaakt van de overheidssector, waarvan de arbeidskosten geen rechtstreekse invloed hebben op het concurrentievermogen» (ibid., nr. 543/1, p. 4), maar uit die verklaring, die betrekking heeft op de arbeidskosten als één van de criteria voor de evaluatie van het concurrentievermogen (artikel 1, § 1), kan niet worden afgeleid dat het overheidspersoneel op geen enkele wijze bij de mogelijk gemaakte maatregelen kon worden betrokken. Een amendement om de maatregelen te beperken tot de loontrekkenden vanuit de overweging dat «de voorgenomen matiging van de inkomens van onder meer de zelfstandigen en de vrije beroepen […] niets te maken [heeft] met de vrijwaring van het concurrentievermogen» (Parl. St., Kamer, 1988-1989, nr. 543/2, p. 12) was volgens de Vice-Eerste Minister «niet verdedigbaar omwille van het sociale rechtvaardigheidsbeginsel» en werd verworpen (Parl. St., Kamer, 1988-1989, nr. 543/3, p. 37). Er kan derhalve redelijkerwijze worden aangenomen dat de wetgever, hoewel hij in eerste instantie met het oog op de bescherming van ’s lands concurrentiepositie maatregelen ten aanzien van de loontrekkenden vooropstelde, rekening houdend met de onrechtstreekse economische gevolgen en meer fundamenteel uit de zorg voor rechtvaardigheid, ook maatregelen mogelijk heeft gemaakt ten opzichte van alle andere inkomenscategorieën. Overigens is op geen enkel ogenblik in de parlementaire voorbereiding het personeel van de overheid, en met name het personeel van de provincies en gemeenten, daarvan uitgesloten.”; dat het Arbitragehof aldus tot het besluit komt dat er geen aanleiding is om in te gaan op de eerste prejudiciële vraag omdat kan worden aangenomen dat de wet van 6 januari 1989 ook maatregelen mogelijk heeft gemaakt ten opzichte van het overheidspersoneel; dat in het licht van dit arrest van het Arbitragehof dient te worden besloten dat het koninklijk besluit van 24 december 1993, in zoverre dat een loonmatiging oplegt aan het in artikel 1, § 2, 5/, bedoelde overheidspersoneel, wel reeds een rechtsgrond kon vinden in de wet van 6 januari 1989; XII-1904-5/12 Overwegende dat het Arbitragehof voorts de tweede prejudiciële vraag ontkennend beantwoordt op grond van de volgende overwegingen : “B.6.
- De tweede prejudiciële vraag peilt naar de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van de in het geding zijnde bepaling, in zoverre aan de categorie van het overheidspersoneel door de bekrachtiging de mogelijkheid wordt ontnomen om voor de rechter op te komen tegen het bekrachtigde koninklijk besluit. B.6.
- Zoals reeds is opgemerkt (B.3.1.) heeft de wetgever in de wet van 6 januari 1989 uitdrukkelijk voorzien in de bekrachtiging van de op grond van die wet genomen koninklijke besluiten. De daadwerkelijke bekrachtiging -die de controle van de wetgever op de uitoefening van de machtiging die hij aan de Koning geeft, verstevigt- kan op zichzelf niet worden geacht in strijd te zijn met het grondwettelijke beginsel van de gelijkheid en de niet-discriminatie. Uit niets blijkt dat de wetgever met die bekrachtiging beoogde het betrokken koninklijk besluit aan het rechterlijk wettigheidstoezicht te onttrekken”; dat dienvolgens de minister derhalve met recht het gemeenteraadsbesluit van 3 maart 1994 van de gemeente Tielt, waarbij, met ingang van 1 april 1994 een nieuwe weddeschaal wordt ingevoerd voor de titularissen van de graad van inspecteur van politie die bekleed zijn met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, mocht toetsen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van ‘s lands concurrentie- vermogen; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel betoogt dat uit de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 december 1993, zoals van kracht op het ogenblik waarop het schorsingsbesluit van de provinciegouverneur werd genomen, niet kan worden afgeleid dat loons- en weddeverhogingen, die in strijd met de reglementaire bepalingen werden toegekend, nietig zouden zijn, dat artikel 7 van voornoemd koninklijk besluit, opgeheven bij artikel 91, derde lid, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, immers enkel voorzag in een specifieke sanctie, met name de storting van een bijdrage aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor het stelsel van werkloosheid, en de ontworpen strafbepalingen op advies van de Raad van State uit het ontwerp werden gelicht; 2.2.
- Overwegende dat artikel 7 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van ‘s lands concurrentievermogen, zoals het ten tijde van het vernietigde gemeenteraadsbesluit bestond, inderdaad voorzag in de sanctie dat wie de bepalingen van Titel I betreffende de matiging van lonen en wedden, niet naleeft, gehouden is een bijdrage te storten aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid bestemd voor het XII-1904-6/12 stelsel van de werkloosheid; dat in het raam van het algemeen administratief toezicht, overeenkomstig artikel 29 van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaams Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten (hierna het toezichtsdecreet), binnen een termijn van twintig dagen ingaande de dag volgend op het treffen ervan, een afschrift van de gemeenteraadsbesluiten betreffende de wervings- en bevorderingsvoorwaarden, de weddeschalen, de bezoldigingsregeling en de vergoedingen en toelagen van het statutair personeel, naar de provinciegouverneur, en, voor kennisgeving, naar de Vlaamse regering moet worden verstuurd; dat overeenkomstig artikel 30, §1, van het toezichtsdecreet de provinciegouverneur, binnen de termijn bepaald in de artikelen 31 tot 33, de uitvoering van het besluit, waarbij een gemeenteoverheid de wet schendt of het algemeen belang schaadt, kan schorsen; dat ingeval van rechtvaardiging door de gemeenteoverheid de Vlaamse regering, overeenkomstig artikel 30, §3, van het toezichtsdecreet, het geschorste besluit kan vernietigen, binnen een termijn van vijftig dagen ingaande de dag na het inkomen van het rechtvaardigingsbesluit; dat, ingeval het betrokken gemeenteraadsbesluit binnen de bedoelde termijnen niet was geschorst en vernietigd, de sanctie voorzien in artikel 7 van het koninklijk besluit van 24 december 1993, die erin bestaat een bijdrage te storten aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, in beginsel had kunnen worden toegepast; dat echter met de verwerende partij dient te worden vastgesteld dat deze specifieke sanctie niet belet dat de minister een door de provinciegouverneur geschorst gemeenteraadsbesluit mocht vernietigen wanneer hij vaststelde dat dit strijdig is met de wet; dat hij deze bevoegdheid putte uit het voormelde artikel 30, §3 van het toezichtsdecreet; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel aanvoert dat artikel 30, §3, van het toezichtsdecreet van 28 april 1993 bepaalt dat de vernietiging wordt uitgesproken door de Executieve [lees : de Vlaamse regering], dat delegatie van bevoegdheid in beginsel verboden is, tenzij zij steun vindt in de wet of het decreet, dat, nu de wetgever formeel de regering bevoegd heeft verklaard, deze laatste haar bevoegdheid niet mag delegeren aan één van haar leden, en zij, overeenkomstig artikel 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bij consensus diende te beslissen; Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat overeen- komstig artikel 69 van de voormelde bijzondere wet elke regering collegiaal beraadslaagt, volgens de in de Ministerraad toegepaste procedure van de consensus, XII-1904-7/12 over alle zaken die tot haar bevoegdheid behoren, onverminderd de door haar toegestane delegaties en dat uit het besluit van de Vlaamse Executieve van 20 oktober 1992 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Executieve en het besluit van dezelfde datum tot delegatie van de beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse Executieve, zoals gewijzigd bij besluiten van 20 januari 1993, 7 april 1993 en 7 oktober 1993, blijkt dat de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden wel degelijk bevoegd is; Overwegende dat de verzoekende partij tegenwerpt dat de verwerende partij zich niet kan beroepen op het besluit van 20 oktober 1992, nu de decreetgever in een later decreet van 28 april 1993 de volledige regering bevoegd heeft gemaakt om de vernietiging uit te spreken, en delegatie van bevoegdheid in beginsel verboden is, tenzij zij steun vindt in de wet; 2.3.
- Overwegende dat krachtens de artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de Vlaamse regering zelf haar werkwijze regelt en collegiaal beraadslaagt, onverminderd de door haar zelf toegestane delegaties; dat deze bepalingen er enerzijds aan in de weg staan dat de decreetgever zich inlaat met de verdeling van de bevoegdheden in de schoot van de regering en dat hij rechtstreeks aan een minister bevoegdheden zou toekennen met betrekking tot door hem aangewezen materies; dat het derhalve in overeenstemming is met die voorschriften van de bijzondere wet, dat in het toezichtsdecreet van 28 april 1993 aan de Vlaamse regering, en niet aan een bepaald lid van die regering, de bedoelde vernietigingsbevoegdheid wordt gegeven; dat voorts de Vlaamse regering de bevoegdheid heeft om delegaties toe te staan; dat luidens artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 20 oktober 1992 tot delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse Executieve elk lid van de Vlaamse regering de in dit besluit gedelegeerde beslissingsbevoegdheid uitoefent -waaronder de uitoefening van het administratief toezicht over de regionale en lokale besturen overeenkomstig artikel 2, §1, 3/- in de aangelegenheden waarvoor het bevoegd is krachtens het besluit van de Vlaamse Executieve tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Executieve; dat luidens artikel 6, 3/, van laatstgenoemd besluit, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, Theo Kelchtermans, Vlaams minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden, die de bestreden beslissing heeft genomen, XII-1904-8/12 bevoegd was voor de ondergeschikte besturen, zoals vermeld in artikel 6, §1, VIII en artikel 7 van de bijzondere wet; dat het derde middel niet gegrond is; 2.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een vierde middel doet gelden dat het prijs- en inkomensbeleid een federale materie is, overeenkomstig artikel 6, §1, VI van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980, terwijl zowel het koninklijk besluit van 24 december 1993, artikel 6, als de wet van 30 maart 1994 voorzien in een specifiek toezicht- en sanctiesysteem zijnde elke vorm van toezicht ingesteld door een andere wet dan de gemeente- of provinciewet of de wet op de agglomeraties en federaties van gemeenten, en, luidens artikel 7, b, van de voornoemde bijzondere wet de uitoefening van het administratief toezicht op de gemeenten, in aangelegenheden waarvoor de federale overheid bevoegd is, niet tot de bevoegdheid van de gewesten behoort, wanneer bij de wet, zoals te dezen, een specifiek toezicht is georganiseerd; 2.4.
- Overwegende dat, zoals de verwerende partij terecht stelt, het feit dat overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 december 1993, zoals bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994, ambtenaren zullen aangewezen worden om toezicht uit te oefenen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, niet impliceert dat de Vlaamse regering haar bevoegdheid inzake het algemeen administratief toezicht niet meer zou kunnen uitoefenen; dat immers het “toezicht” waarvan sprake in artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 december 1993, uitgeoefend door speciaal daartoe aangewezen ambtenaren, het toezicht betreft op de correcte toepassing van “hoofdstuk III. Loonmatiging”, door de verschillende werkgevers; dat dit “toezicht” evenwel niets van doen heeft met het “administratief toezicht” waarvan sprake in artikel 7 van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen, met name het bestuurlijk toezicht op de gemeente, waarbij een besluit van de gemeente door de toezichthoudende overheid kan worden geschorst of vernietigd, wegens strijdigheid met de wet of het algemeen belang; dat het vierde middel niet gegrond is; 2.5.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een vijfde middel betoogt dat artikel 5, §2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 letterlijk en beperkend moet worden geïnterpreteerd; dat deze bepaling in beginsel enkel loonsverhogingen of bijkomende voordelen verbiedt voor het jaar 1994 en niet gedurende of tijdens het jaar 1994, dat de door het gemeenteraadsbesluit XII-1904-9/12 toegestane weddeverhoging of -bijslag geen betrekking heeft op het jaar 1994, maar ook haar effecten nadien sorteert, met andere woorden een blijvend karakter heeft; 2.5.
- Overwegende dat een bepaling van een besluit dat ertoe strekt, door loonmatiging het concurrentievermogen te bevorderen uit zijn aard een maximaal effect beoogt; dat dienvolgens de “beperkende” interpretatie die de verzoekende partij voorstaat, niet mag worden bijgetreden; dat zij overigens geen enkel argument aanbrengt voor een dergelijke interpretatie, buiten een “letterlijke” lezing van de woorden “voor het jaar 1994”; dat dienvolgens, alwaar voor 1994 geen loonsverhogingen of bijkomende voordelen mogen worden toegekend, behalve in de uitzonderingsgevallen, dit ook geldt voor de besluiten waarbij loonsverhogingen of bijkomende voordelen worden toegekend vanaf een bepaalde periode die begint in het jaar 1994; dat het aanpassen van de weddeschaal voor de inspecteurs van politie bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie - hulpofficier van de procureur des Konings, met ingang van 1 april 1994, voor gevolg heeft dat de betrokken ambtenaren in het jaar 1994 meer zullen verdienen dan ze zouden hebben verdiend zonder deze aanpassing; dat dienvolgens buiten kijf staat dat het feit dat het vernietigde gemeenteraadsbesluit van 3 maart 1994 pas in werking treedt vanaf 1 april 1994, en ook geldt voor de toekomst -na 1994- niet volstaat om dit gemeenteraadsbesluit buiten het toepassingsgebied van het koninklijk besluit van 24 december 1993 te houden; dat het vijfde middel niet gegrond is; 2.6.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een zesde middel aanvoert dat krachtens artikel 5, §2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 loonsverhogingen of bijkomende voordelen wel mogen worden toegekend voor het jaar 1994, wanneer deze voortvloeien uit de collectieve arbeids-overeenkomsten, neergelegd ten laatste op 15 november 1993, en collectieve en individuele akkoorden gesloten ten laatste op 15 november 1993, wat de werkgevers en werknemers betreft die niet vallen onder de toepassing van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, dat overeenkomstig artikel 2, §3, eerste lid, van die wet het personeel der gemeenten niet onder haar toepassing valt, dat de wedden van de leden van het personeel van de gemeentepolitie overeenkomstig artikel 189 van de nieuwe gemeentewet, door de gemeenteraad worden bepaald, binnen de perken van de door de Koning vastgestelde algemene bepalingen, zodat er weinig of geen ruimte is voor individuele of collectieve akkoorden in de betrokken sector, dat, indien het koninklijk besluit van 24 december 1993 ook van toepassing zou zijn op het overheidspersoneel, de notie “individueel XII-1904-10/12 of collectief akkoord” op een ruime en soepele manier moet worden geïnterpreteerd, om te vermijden dat artikel 5, §2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993, zoals bekrachtigd door de wet van 30 maart 1994, als een discriminerende bepaling moet worden beschouwd, dat de omzendbrief POL 45 van 21 mei 1993 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij de bezoldigingsregeling wordt geregeld met betrekking tot de inspecteurs van politie, bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie - hulpofficier van de procureur des Konings, erin voorziet dat de zwaardere verantwoordelijkheid, ten gevolge van het feit dat de inspecteurs van politie worden bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, moet worden geremunereerd en dat deze omzendbrief als een akkoord in de zin van artikel 5, §2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 moet worden beschouwd; 2.6.
- Overwegende dat luidens de aanhef van het gemeenteraadsbesluit van 3 maart 1994 onderhandelingen werden gevoerd in het bijzonder onder- handelingscomité van 25 februari 1994 met het tot stand komen van een protocol tot gevolg; dat in deze materie met andere woorden een protocol, als conclusie van de onderhandelingen met de representatieve vakorganisaties in het daartoe opgerichte comité, tot stand gekomen is, in de zin van artikel 9 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, waarin het akkoord van al de afgevaardigden wordt opgetekend; dat, aangezien er een formeel akkoord tussen werkgever en werknemer bestaat, in de vorm van voornoemd protocol, er derhalve geen reden is om, ten aanzien van het overheidspersoneel, de notie “individueel of collectief akkoord” op een ruimere manier te interpreteren dan ten aanzien van het personeel tewerkgesteld in de private sector, en zodoende voornoemde ministeriële omzendbrief van 21 mei 1993 ook als een dergelijk “akkoord” in aanmerking te nemen, terwijl een eenzijdige handeling vanwege de werkgever voor het personeel uit de private sector niet zou volstaan als akkoord in de zin van artikel 5, §2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993; dat het zesde middel evenmin gegrond is; dat geen van de middelen gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. XII-1904-11/12 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juli 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1904-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.637 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.85.655 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.