id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.642 Rolnummer: A. 76960/XII-841 Zaak: Arrest 133642 - - 08/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-26 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 08:04 Fiche Arrest nr 133.642 van 8 juli 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.642 van 8 juli 2004 in de zaak A. 76.960/XII-
- In zake : de NV VAN GANSEWINKEL CHEMIE, die woonplaats kiest bij advocaat P. Mallien, kantoor houdende te Antwerpen, Meir 24 tegen : de GEMEENTE MOL, die woonplaats kiest bij advocaat L. Hermans, kantoor houdende te Mol, Jakob Smitslaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Van Gansewinkel Chemie op 29 december 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 15 september 1997 van de gemeenteraad van Mol tot heffing van een belasting op het aanvoeren of laten aanvoeren van afvalstoffen op de daartoe vergunde bedrijfsterreinen en/of verwerkingsinstallaties; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikking van 26 juni 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 januari 2004; XII-841-1/6 Gelet op het uitstel van de zaak tot de terechtzitting van 17 februari 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Deketelaere, die loco advocaat P. Mallien verschijnt voor verzoekster, en van advocaat L. Hermans, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de gemeenteraad van Mol op 15 september 1997 beslist voor het dienstjaar 1997 een gemeentebelasting te heffen “op het aanvoeren of laten aanvoeren van afvalstoffen, dat op de daartoe vergunde bedrijfsterreinen en/of verwerkingsinstallaties van de belastingplichtigen wordt opgeslagen en/of afgevoerd”; dat de belasting verschuldigd is “door de natuurlijke of rechtspersoon, die op grond van een overheidsbeslissing gemachtigd werd gedurende het belastingjaar afvalstoffen aan te voeren of te laten aanvoeren op de daartoe vergunde bedrijfsterreinen en/of verwerkingsinstallaties, respectievelijk door degene die zonder de vereiste machtiging zich met bovenvermelde activiteiten inlaat”; dat de belasting 0,5 frank bedraagt per kilogram afval dat werd aangevoerd op de daartoe vergunde bedrijfsterreinen en/of verwerkingsinstallaties; Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de “[s]chending van het gelijkheidsbeginsel, opgenomen in de artikelen 10, 11 en 172, 1/ van de Gecoördineerde Grondwet” aanvoert; dat zij onder meer toelicht dat de differentiëring waarin de belasting voorziet niet redelijk verantwoord is ten aanzien van het doel van de belasting, dat niet valt in te zien hoe het onderscheid kan worden verantwoord tussen “zwaar transport van afvalstoffen” enerzijds en “zwaar transport van niet-afvalstoffen” anderzijds om een belasting in te stellen waarvan de opbrengst blijkbaar moet bijdragen in het onderhoud van het gemeentelijk wegennet en het vervullen van de begrotingsnoodwendigheden van de gemeente in het algemeen, dat ook niet blijkt waarom enkel het aanvoeren van afvalstoffen wordt beschouwd als een “belangrijke milieuhinder”, terwijl bijvoorbeeld het aanvoeren van goederen en XII-841-2/6 producten, inclusief gevaarlijke goederen en producten, evengoed een “belangrijke milieuhinder” oplevert, dat het ingestelde onderscheid ook niet redelijk verantwoord is rekening gehouden met de aard van de belasting, dat de belasting van algemene aard is zodat het niet opgaat een onderscheid te maken tussen wie zich inlaat met het aanvoeren of laten aanvoeren van afvalstoffen en wie dat niet doet, dat in zoverre de belasting naast een algemene bijdrageplicht ook een vergoeding voor bepaalde diensten tot doel heeft, moet vastgesteld worden dat sommige natuurlijke en/of rechtspersonen niet onderworpen zijn aan de belasting ofschoon zij door hun activiteiten evenzeer het gemeentelijk wegennet belasten en/of milieuhinder veroorzaken aan de gemeentelijke bevolking; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat verzoekster “in feite de opportuniteitsvraag in betwisting [stelt]”, dat het belasten van een specifieke bedrijfsactiviteit algemeen als een geoorloofd en valabel criterium wordt beschouwd, dat de specifieke “kost” verbonden aan de activiteit van aanvoer en stockering van afvalstoffen, namelijk milieuhinder en verzwaarde belasting van het wegennet door de zware transporten, een “kennelijk relevant objectief criterium” is, dat de belasting gemotiveerd is door de vaststelling dat een bepaalde categorie een grotere “kost” veroorzaakt, waarvoor redelijke en passende compensatie kan worden gevorderd, dat het onredelijk zou zijn de belasting, die wordt ingesteld om reden van een specifieke kost, veroorzaakt door bepaalde activiteiten, ten laste te leggen van alle burgers; Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie nog betoogt dat “afval”, in al zijn vormen, het voorwerp is van een uitgebreide specifieke regelgeving ter voorkoming en ter reglementering van storten, lozen, opslag, verwerking, enzovoort, dat de “milieuheffingen” principieel niet meer in vraag worden gesteld, dat in dit verband verwezen kan worden naar de gangbare belastingen op stortplaatsen, dat het bestreden reglement “meer dan i[m]pliciet” de stockering en verwerking van het afval beoogt, dat ook in de rechtspraak van de Raad van State de bescherming van een gezond leefmilieu als fundamenteel wordt beschouwd en dat het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet verbiedt dat specifieke belastingen worden ingevoerd die slechts bepaalde personen in verband met hun activiteiten treffen, op voorwaarde dat alle personen die zich in gelijke omstandigheden bevinden op dezelfde wijze worden getaxeerd; XII-841-3/6 Overwegende dat de grondwettelijke regels met betrekking tot de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie inzake belastingen er niet aan in de weg staan dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, althans in zoverre daarvoor een deugdelijke verantwoording bestaat; dat die verantwoording onder meer voldoende in verband moet staan met de aard en het doel van de belastingheffing; Overwegende dat de bestreden verordening een belasting instelt per kilogram afval die een natuurlijke persoon of rechtspersoon aanvoert of laat aanvoeren op zijn voor opslag vergunde bedrijfsterreinen of verwerkingsinstallaties; dat de formele motivering van de belasting luidt : “Overwegende dat de aanvoer van afvalstoffen, op het grondgebied van de gemeente een belangrijke milieuhinder met zich meebrengt; Overwegende dat het derhalve wenselijk en billijk is de aanvoer van dergelijk afval op het grondgebied van de gemeente te belasten; Overwegende dat het zwaar transport naar de verwerkingsterreinen en/of werkingsinstallaties een belangrijke belasting betekent voor het gemeentelijk wegennet; Gelet op de gemeentelijke begrotingsnoodwendigheden”; Overwegende dat in zoverre de verwerende partij beweert dat de belasting niet (alleen) de aanvoer van afval over de gemeentelijke wegen, maar (tevens) de stockering en verwerking van afval beoogt, die bewering niet wordt gevolgd; dat zij niet strookt met de bewoordingen van het belastingreglement, inbegrepen van haar motivering, waarin uitsluitend op het aspect “aanvoer” of “transport” gefocust wordt; dat, gelet op de territorialiteit van de gemeentelijke bevoegdheid op fiscaal gebied, de bewering ook hierdoor wordt tegengesproken dat de belasting niet specificeert dat de opslagterreinen en verwerkingsinstallaties op het grondgebied van de gemeente gelegen moeten zijn; Overwegende dat het middel de verschillende behandeling viseert van twee categorieën van personen: zij die afval aanvoeren naar hun vergunde terreinen en anderen, inzonderheid transporteurs die niet-afval vervoeren, inclusief gevaarlijke goederen en producten; dat de verwerende partij het onderscheid verantwoord acht door de specifieke en grotere kost die de activiteiten van de eersten voor de gemeente teweegbrengen; dat de kost betrekking heeft eensdeels op de milieuhinder die het transport meebrengt en anderdeels de impact van de aanvoer op het wegennet; XII-841-4/6 Overwegende, wat het argument van de milieuhinder betreft, dat verwerende partij er, getuige bladzijde 7 van de memorie van antwoord, klaarblijkelijk van uitgaat dat de afvalstoffen in werkelijkheid gevaarlijk zijn; dat het vervoer van andere materie evengoed gevaarlijk en hinderlijk kan zijn; dat bovendien afvalstoffen niet noodzakelijk gevaarlijk hoéven te zijn; dat immers onder afvalstof, volgens artikel 2 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, verstaan wordt “elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”; dat met andere woorden het argument niet van aard is te verantwoorden dat de belasting specifiek en alleen de aanvoer van afvalstoffen treft; Overwegende dat hetzelfde geldt voor het argument van de schade aan het gemeentelijk wegennet; dat het niet waarschijnlijk is en evenmin wordt aangetoond dat het transport van afvalstoffen per definitie zwaarder en schadelijker is voor het gemeentelijk wegennet dan ander transport; dat overigens het argument des te meer pertinentie mist waar het transport van het afval dan toch per aangevoerde kilogram wordt belast en zonder nadere toelichting niet wordt ingezien waarin, wat de druk op de weg betreft, een kilogram afval verschilt van een even zware kilogram niet-afval; Overwegende dat de verwerende partij niet genoegzaam aannemelijk maakt dat zij alle personen die zich in dezelfde omstandigheden bevinden, gelijk belast; dat noch op het stuk van de milieuhinder die ze teweegbrengen, noch op het stuk van de door hen veroorzaakte belasting van het gemeentelijk wegennet, de aanvoerders van afvalstoffen zich zodanig van andere transporteurs onderscheiden dat de bestreden belasting terecht van dat verschil alleen het al dan niet verschuldigd zijn van de bestreden belasting afhankelijk kon maken; dat voor het gehanteerde criterium van onderscheid geen genoegzame verantwoording bestaat; dat het aangevochten reglement de gelijkheidsregel schendt; dat het middel gegrond is, XII-841-5/6 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 15 september 1997 van de gemeenteraad van Mol tot heffing van een belasting op het aanvoeren of laten aanvoeren van afvalstoffen op de daartoe vergunde bedrijfsterreinen en/of verwerkingsinstallaties. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juli 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-841-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.642 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.