← België

Arrest 133644 - - 08/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.644 Rolnummer: A. 100295/XII-2943 Zaak: Arrest 133644 - - 08/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-06 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 08:04 Fiche Arrest nr 133.644 van 8 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.644 van 8 juli 2004 in de zaak A. 100.295/XII-

  1. In zake : Roger RENNENBERG, wonende te Deurne, Prosper de Witstraat 27 tegen : de STAD ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Roger Rennenberg op 9 februari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 2 mei 2000 van de gemeenteraad van Antwerpen om hem niet geslaagd te verklaren voor trap 1 van de selectieproef voor coördinator-doctor (stadsbibliotheek) (A8); Gezien de toelichtende memorie; Gezien de memorie van antwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 25 november 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-2943-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. Van Der Straten, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen op 10 februari 2000 een plaats van coördinator-doctor (stadsbibliotheek) open verklaart; dat de vergelijkende selectieproeven in twee trappen worden afgenomen; dat alleen de kandidaten die minstens 60% van de punten in trap 1 behalen worden toegelaten tot trap 2; dat van de vier kandidaten alleen verzoeker, bij de stad in dienst als bestuurscoördinator, voor trap 1 opdaagt; dat hij volgens het verslag van de selectiejury slechts 57% van de punten behaalt en daarmee niet geslaagd is in trap 1; dat de gemeenteraad van Antwerpen op 2 mei 2000 besluit “kennis te nemen van het verslag d.d. 29 maart 2000 van de selectiejury betreffende de selectieproef voor coördinator-doctor (stadsbibliotheek) (A8)”; Overwegende dat de verwerende partij de memorie van antwoord niet heeft ingediend binnen de gestelde termijn; dat de memorie overeenkomstig artikel 21, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uit de debatten wordt geweerd; Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie verzoekers actueel belang betwist; dat wordt toegelicht dat hij tot trap 1 van de selectieprocedure werd toegelaten ofschoon hij niet in het bezit was van een doctoraatsdiploma, dat hij werd toegelaten omdat bleek dat hij als laatstejaarsstudent aan de VUB, faculteit Letteren en Wijsbegeerte, ingeschreven was met het oog op het behalen van een doctoraat in het academiejaar 1999-2000, dat evenwel vaststaat dat hij “als laatstejaarsstudent academiejaar 1999-2000 er niet in geslaagd is om zijn doctoraatsproefschrift in te dienen en met succes te verdedigen”; 3.
  2. Overwegende dat een van de voorwaarden voor benoeming of bevordering tot coördinator-doctor het bezit van een doctoraatsdiploma in het studiegebied geschiedenis, taal- en letterkunde of archeologie en kunstwetenschappen XII-2943-2/6 is; dat, in “afwijking” van de “regel” dat de voorwaarden vervuld moeten zijn “uiterlijk op de datum gesteld voor het toekomen van de kandidaturen” -te dezen 10 maart 2000-, “ook studenten [worden] toegelaten die het laatste jaar van de studies voor het vereiste diploma of studiegetuigschrift volgen”, met dien verstande dat ze “pas voor een benoeming op proef in aanmerking worden genomen of op proef met de taak worden belast vanaf de dag dat zij het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben ingediend”; dat aldus in de brochure bij een dienstnota van 10 februari 2000 omtrent de openverklaring van de besproken functie, wordt gespecificeerd dat “studenten die een einddiploma zullen behalen tijdens het academiejaar 1999-2000 eveneens aan het aanwervingsexamen kunnen deelnemen”; dat verzoeker niet tijdens het academiejaar 1999-2000, maar op 6 november 2002 aan de Universiteit van Amsterdam het Nederlands diploma “Doctorem” behaalt, bij besluit van 18 februari 2003 van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming als gelijkwaardig erkend met de Vlaamse academische graad van Doctor in de taal- en letterkunde: Germaanse talen; Overwegende dat blijkens de toepasselijke regelgeving de algemene “regel” is dat de kandidaten, om in stadsdienst benoemd te kunnen worden, ten laatste op de datum gesteld voor het toekomen van de kandidaturen aan de voorwaarden voor benoeming en bevordering moeten voldoen; dat het rekening houden met kandidaten die op die datum niet over het vereiste diploma of studiegetuigschrift beschikken, een “afwijking” van die regel vormt; dat de uitzondering op beperkende wijze en conform haar klaarblijkelijke opzet moet worden uitgelegd; dat dit opzet kennelijk is geweest om ook geïnteresseerden die op het punt stonden binnen niet al te lange tijd, namelijk op het eind van het lopende studiejaar, het vereiste diploma of studiegetuigschrift te behalen, de kans te geven mee te dingen naar de benoeming of bevordering; dat met genoemde restrictieve uitlegging en het opzet niet te verenigen valt dat de kandidatuur van de laatstejaarsstudent ontvankelijk is en blijft, óók als hij niet slaagt in “het laatste jaar” waarin hij ten tijde van zijn kandidaatstelling zit - zodat de benoemingsprocedure, indien de betrokkene intussen als eerste in de vergelijkende selectieproef mocht zijn gerangschikt, voor onbepaalde duur in een impasse dreigt te geraken doordat het bestuur noch de eerste laureaat van de selectieproef kan benoemen aangezien deze (nog) niet de diplomavereiste vervult, noch een andere kandidaat, die immers niet de best geplaatste in de selectieproef is; dat bijgevolg de afwijking wat de vervulling door laatstejaarsstudenten van de diplomavereiste betreft, geacht moet worden slechts te gelden in zoverre het vooruitzicht dat de betrokkenen op het einde van het XII-2943-3/6 lopende studiejaar het vereiste diploma of studiegetuigschrift behalen, zich daadwerkelijk realiseert; dat, ingeval zij dat jaar niet succesvol afronden, daarmee retrospectief is uitgewezen dat zij ten tijde van hun kandidatuur geen studenten waren die “het laatste jaar” van de studies voor het vereiste diploma volgden; dat zij dan vanwege hun niet-ontvankelijke kandidatuur niet in aanmerking komen voor benoeming of bevordering; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie toegeeft dat deze ook reeds in het auditoraatsverslag aan bod gekomen zienswijze “niet onlogisch klinkt”, maar meent dat de verwerende partij de afwijking “zelf op een andere, soepeler manier interpreteert en in bepaalde omstandigheden ook aanvaardt dat het diploma in een later academiejaar wordt behaald”; dat hij in dat verband verwijst naar het “precedent” van A.D.H., In hoofde van wie de verwerende partij “heirkracht” heeft aangenomen, en daar aan toevoegt dat er ook in zijn geval “heirkracht in het spel is geweest”; dat ter terechtzitting verzoekers raadsvrouw nog benadrukt dat het aan de verwerende partij toekomt om uit te maken of er al dan niet ook in het geval van verzoeker reden is de afwijking soepeler te interpreteren en dat de Raad van State die beoordeling niet a priori onmogelijk mag maken door verzoeker belang te ontzeggen omdat hij niet in het academiejaar 1999-2000 het vereiste diploma heeft behaald; Overwegende dat de besproken afwijking in verband met het tijdstip waarop laatstejaarsstudenten aan het diplomavereiste dienen te voldoen, geen ruimte laat tot appreciatie van de verwerende partij; dat appreciatieruimte de mogelijkheid insluit van meerdere, verschillende beoordelingen die elk rechtmatig kunnen zijn; dat echter over de grenzen van de meer vermelde afwijking waarin de voorwaarden voor benoeming en bevordering voorzien, slechts één zienswijze in rechte de juiste kan worden geacht; dat die zienswijze en de precieze draagwijdte van de afwijking hoger is vastgesteld; dat door deze vaststelling de Raad van State zich niet in de plaats van het bestuur heeft gesteld, maar uitsluitend de toepasselijke rechtsregel heeft geïnterpreteerd; Overwegende dat weliswaar overeenkomstig een algemeen rechtsbeginsel de strengheid van de regel in geval van overmacht of van onoverwinnelijke dwaling kan worden gemilderd; dat blijkbaar om die reden de verwerende partij in het verleden de afwijking niet zonder tempering heeft toegepast op A.D.H.; dat, aangezien niet de wettigheid van de benoeming van A.D.H. in het XII-2943-4/6 geding is, het van geen belang is of dit al dan niet terecht was; dat waar het hier uitsluitend om gaat, is of verzoeker al dan niet terecht overmacht aanvoert; Overwegende dat verzoeker ter zake doet gelden dat hij op 1 juli 2000 uit zijn functie werd verwijderd en belast met een bijzondere opdracht die snel moest worden uitgevoerd, dat hij begin 2001 met een nieuwe dringende opdracht werd belast, dat hij van april tot en met augustus ziek was, dat hij niettemin zijn proefschrift voltooide in juni 2001, dat een gesprek erover met de promotor pas in de week van 3 september 2001 kon plaatsvinden, dat aangezien het proefschrift “zich meer op het gebied van de theaterwetenschappen situeerde, die evenwel toen aan de VUB niet werd gedoceerd”, contact is gezocht met het Instituut voor Theaterwetenschappen van de Universiteit van Amsterdam, waar, rekening houdend met de drukke academische kalender, de verdediging uiteindelijk op 6 november 2002 kon gebeuren; Overwegende dat alle perikelen die verzoeker vermeldt, dateren van na, tot zelfs rúim na, juli 2000; dat verzoeker, om zijn einddiploma conform de toepasselijke voor benoemings- en bevorderingsvoorwaarden tijdens het academiejaar 1999-2000 te kunnen behalen, op dat moment zijn proefschrift normaal reeds moest hebben ingediend; dat, naar blijkt uit een bericht vanwege de decaan van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte, met “twee à drie maanden” rekening moet worden gehouden tussen het indienen en het verdedigen van een doctoraal proefschrift; dat verzoeker niet verklaart waaraan het te wijten mag zijn dat zijn proefschrift alsdan nog niet was ingediend en hoe ver het er op dat moment precies mee stond; dat, om overmacht in hoofde van verzoeker te kunnen aannemen, enige verduidelijking ter zake des te meer gewenst ware geweest aangezien verzoeker dan toch reeds sinds 1975 met de voorbereiding van een doctoraal proefschrift bezig blijkt en hij reeds op 14 april 1982 aan de verwerende partij aankondigde, in zijn kandidaatstelling voor de betrekking van adjunct-conservator bij de stadsbibliotheek, in 1982 te zullen promoveren; dat verzoeker niet genoegzaam aantoont dat het aan overmacht is toe te schrijven dat hij niet in het academiejaar 1999-2000 het vereiste doctoraatsdiploma heeft verworven; Overwegende, concluderend, dat gelet op de toepasselijke voorwaarden voor benoeming en bevordering, verzoeker ten laatste op het einde van het op 10 maart 2000 -zijnde de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen voor coördinator-doctor (stadsbibliotheek)- lopende academiejaar aan XII-2943-5/6 de gestelde diplomavereiste moest voldoen; dat hij dat niet deed, zodat zijn kandidatuur van de weeromstuit als initieel niet-ontvankelijk dient te worden aangezien; dat verzoeker, die in deze omstandigheden niet rechtmatig tot coördinator-doctor (stadsbibliotheek) benoemd had kunnen worden, dan ook niet van het rechtens vereiste objectieve belang doet blijken om de vernietiging te vorderen van de beslissing om hem niet geslaagd te verklaren voor trap 1 van de selectieproeven voor het betreffende ambt; dat de exceptie gegrond is, BESLUIT: Artikel
  3. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juli 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2943-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.644 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.