← België

Arrest 133649 - - 08/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.649 Rolnummer: A. 75164/XII-129 Zaak: Arrest 133649 - - 08/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-06 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 08:05 Fiche Arrest nr 133.649 van 8 juli 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.649 van 8 juli 2004 in de zaak A. 75.164/XII-

  1. In zake : René CALUWAERTS, die woonplaats kiest bij advocaat E. De Ridder, kantoor houdende te Dendermonde, Hekkenhoek 5 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat René Caluwaerts op 1 augustus 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 9 juni 1997 van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen houdende intrekking van zijn vergunningen tot het voorhanden hebben van verweervuurwapens; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 28 maart 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen, gezien de laatste memorie en het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van verzoeker; XII-129-1/7 Gelet op de beschikking van 18 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. Van Dooren, die loco advocaat E. De Ridder verschijnt voor verzoeker, en van adjunct-adviseur E. De Baene, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat verzoeker vergunningen bezit tot het voorhanden hebben van drie geweren en twee revolvers; dat zijn zoon een vergunning tot het voorhanden hebben van een oorlogsvuurwapen aanvraagt, naar aanleiding waarvan de procureur des Konings van Dendermonde de gouverneur op 6 september 1996 adviseert om alle vergunningen in te trekken; dat de politiecommissaris van Lokeren in een schrijven van 13 september 1996 aan de gouverneur meedeelt dat verzoekers zoon ingevolge een op 3 september 1996 opgesteld proces-verbaal verdacht wordt van opzettelijke slagen aan zijn buurman; dat de procureur in een schrijven van 13 december 1996 preciseert dat het hem, gelet op de reeds jaren aanslepende burenruzie die reeds meermaals aanleiding heeft gegeven tot politionele tussenkomsten, aangewezen lijkt om alle vergunningen van de drie gezinsleden in te trekken; dat de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen bij besluit van 9 juni 1997 verzoekers vergunningen intrekt; dat ook de vergunningen van verzoekers echtgenote en zoon worden ingetrokken; dat de bestreden beslissing als volgt wordt gemotiveerd : “In overweging genomen informatie: XII-129-2/7 - brief van de Procureur des Konings te Dendermonde d.d. 6 september 1996: In dit schrijven, een antwoord op een adviesvraag d.d. 21 augustus 1996 in verband met de aanvraag voor het verkrijgen van een vergunning voor een oorlogsvuurwapen op naam van de heer Caluwaerts Maurice, zoon van betrokkene, vermeldt de heer procureur dat er een viertal dossiers lopen wegens bedreigingen en beledigingen tussen geburen gepaard gaande met slagen. Tevens stelt hij dat personen die zo vlug overgaan in agressief handgemeen beter niet in het bezit zijn van wapens en dat dientengevolge het aangeraden is de wapens van alle familieleden Caluwaerts in te trekken. - brief van de Procureur des Konings te Dendermonde d.d. 13 december 1996: In dit advies adviseert de heer procureur tot intrekking van de wapens van alle gezinsleden Caluwaerts-Willems waarbij hij als reden opgeeft de jarenlange aanslepende burenruzie waarbij reeds 26 processen-verbaal werden opgesteld wegens opzettelijke slagen, beschadigingen, laster, eerroof enz. Het is niet denkbeeldig dat ieder wapenbezit in de huidige omstandigheden een potentieel gevaar inhouden voor de openbare orde en veiligheid. - brief van de politie Lokeren d.d. 13 september 1996: In deze brief maakt de politie melding van het feit dat er op 12 juli 1996 opnieuw proces-verbaal werd opgesteld lastens de heer Caluwaerts Rene, zoon van betrokkene, wegens opzettelijke slagen aan zijn buurman. Evaluatie: Het parket en de politiediensten zijn het best geplaatst om het gevaar voor de openbare orde en veiligheid in te schatten. De heer Caluwaerts Maurice geeft in een onderhoud met de Arrondissementscommissaris d.d. 14 november 1996 inderdaad toe dat er ernstige problemen zijn met betrekking tot de verstandhouding tussen zijn familie en de buren. Bijgevolg dringt zich een definitieve maatregel op aangaande het wapen bezit van de familieleden Caluwaerts-Willems daar het niet denkbeeldig is dat bij een eventueel nieuw incident wapens worden gebruikt, wie er ook de bezitter mag van wezen”;
  3. Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord opwerpt dat het beroep niet ontvankelijk is “voor zover het de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen in de zaak betrekt”, aangezien de gouverneur niet in eigen naam optreedt maar namens de Belgische Staat en hij in deze onder het hiërarchisch gezag staat van de minister van Justitie, hetgeen onder meer blijkt uit het bestaan van een gecoördineerde omzendbrief van de minister XII-129-3/7 van Justitie inzake de betrokken materie; dat verwerende partij van oordeel is dat bijgevolg de Belgische Staat dient te worden aangesproken; Overwegende dat dit door verzoeker in de memorie van wederantwoord wordt tegengesproken door te stellen dat de gouverneur over een autonome beslissingsbevoegdheid beschikt zodat hij rechtstreeks kan worden aangesproken; dat hij er tevens op wijst dat een verkeerde aanduiding van de tegenpartij geen invloed heeft op de geldigheid van de rechtsingang; Overwegende dat bij het nemen van de bestreden beslissing de gouverneur is opgetreden als vertegenwoordiger van de Belgische federale staat, op grond niettemin van een zelfstandige beslissingsbevoegdheid; dat dienvolgens als tegenpartij is aan te merken : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen;
  4. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending van de hoorplicht inroept aangezien het bestreden besluit steunt op adviezen van de procureur des Konings van Dendermonde en van de politie van Lokeren, dat hij omtrent deze adviezen niet werd gehoord en eveneens niet in staat werd gesteld hieromtrent zijn standpunt uiteen te zetten, dat niet kan worden betwist dat de gouverneur te dezen geen gebonden, doch een discretionaire bevoegdheid uitoefent en dat ook de andere omstandigheden waarin kan worden afgeweken van de hoorplicht, niet voorhanden zijn; dat verzoeker er op wijst dat het bestreden besluit is genomen naar aanleiding van een proces-verbaal dat lastens zijn zoon werd opgesteld, dat het besluit werd genomen op basis van feiten die niet meer actueel zijn, dat het horen van alle betrokkenen had toegelaten vast te stellen dat verzoekers zoon verhuisd is en thans op een achttal kilometer woont van de buren waarmee het gezin van verzoeker in onmin leeft, dat een zorgvuldig bestuur veronderstelt dat met kennis van zaken en na afweging van alle gegevens die behoorlijk worden nagetrokken, tot een besluit wordt gekomen, dat het bestreden besluit een aantasting van verzoekers eigendomsrecht inhoudt aangezien XII-129-4/7 de wapens dienen te worden overgedragen aan een bevoegde derde zodat het betrokken bestuur met een nog grotere omzichtigheid te werk had moeten gaan; Overwegende dat verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat noch artikel 6 van de wapenwet, noch artikel 14 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van deze wet in de hoorplicht voorzien, dat het horen van verzoeker geen zin had daar de feiten vaststaan en dus niet door hem kunnen worden verduidelijkt, dat verzoeker toegeeft dat de relatie tussen hemzelf en de buren eveneens gespannen is; dat verwerende partij benadrukt dat er rekening werd gehouden met een mogelijke verhuis van verzoekers zoon, dat evenwel de inschrijving op het nieuwe adres werd geweigerd en dat het verzoekschrift tot nietigverklaring van verzoekers zoon van 6 augustus 1997 zijn oude adres als woonplaats vermeldt, dat deze vaststelling haar heeft doen beslissen het advies van de procureur des Konings onverkort te volgen, dat een aanslepende burenruzie een kritische situatie is die “regelmatig aanleiding geeft tot een gebruik van wapens”, dat een gesprek met de belanghebbende de betreffende afwegingen niet kon beïnvloeden, dat het eigendomsrecht als individueel recht dient te wijken van zodra er een gevaar is voor de openbare orde; Overwegende dat verzoeker in de memorie van weder- antwoord stelt dat de procureur des Konings een “advies” verleent en dus geen “bindende beslissing” neemt, dat de gouverneur bijgevolg over een eigen appreciatiebevoegdheid beschikt waardoor hij op basis van alle elementen in het dossier een beslissing dient te nemen, dat een dossier pas volledig is indien ook de vergunninghouder zijn standpunt heeft kunnen uiteenzetten, dat hij in het kader van de bestaande gespannen relatie tussen zijn gezin en de buren nooit gebruik heeft gemaakt van geweld en geen bedreigingen heeft geuit, dat hij het recht heeft om na zorgvuldige feitenvinding en met respect voor de rechten van de partijen een beslissing te zien tussenkomen; XII-129-5/7 Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie nog uiteenzet dat het intrekken van zijn vergunningen tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen een maatregel is die zijn belangen zwaar aantast, dat moeilijk kan worden aangenomen dat een krenking van het eigendomsrecht geen zware aantasting van de belangen van betrokkene uitmaakt, dat zijn wapens een belangrijke pecuniaire waarde en verzamelwaarde hebben, dat hij niettegen- staande de reeds jaren aanslepende burenruzie nooit werd vervolgd wegens strafbare feiten; dat verzoeker met bewijsstukken staaft dat zijn zoon sinds 26 mei 1999 “effectief is gedomicilieerd in de Hoogstraat”; Overwegende dat de bestreden beslissing de vergunningen van verzoeker tot het voorhanden hebben van vijf verweervuurwapens intrekt omdat het niet denkbeeldig is dat de wapens worden gebruikt bij een nieuwe botsing in de sinds jaren durende ruzie met de buren; dat de bewuste intrekking die gesteund is op gegevens over feiten met betrekking tot verzoeker, door aldus zijn situatie te wijzigen, geacht moet worden hem op een meer dan geringe wijze nadelig in zijn belangen te raken; dat krachtens een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur een dergelijke beslissing in principe slechts kan worden genomen na de betrokkene in de gelegenheid te hebben gesteld zijn zienswijze aangaande de voorgenomen maatregel naar voren te brengen; dat verzoeker niet die gelegenheid heeft gekregen; Overwegende dat de verwerende partij tevergeefs tegenwerpt dat de feiten toch reeds vaststonden, zodat het horen overbodig was; dat, zoals de bestreden beslissing zelf aangeeft, de intrekking het resultaat is van een inschatting van het gevaar van verzoekers wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid; dat die inschatting niet met de directe, eenvoudige constatering van een feit kan worden gelijkgesteld; Overwegende dat het middel gegrond is, BESLUIT: XII-129-6/7 Artikel
  5. Vernietigd wordt het besluit van 9 juni 1997 van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen houdende intrekking van de vergunningen van René Caluwaerts tot het voorhanden hebben van verweervuurwapens. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juli 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-129-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.649 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.