← België

Arrest 133651 - - 08/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.651 Rolnummer: A. 75239/XII-137 Zaak: Arrest 133651 - - 08/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-13 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 08:05 Fiche Arrest nr 133.651 van 8 juli 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.651 van 8 juli 2004 in de zaak A. 75.239/XII-

  1. In zake : Maurice CALUWAERTS, die woonplaats kiest bij advocaat V. Decolvenaer, kantoor houdende te Sint-Niklaas, Mgr. Stillemansstraat 9 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Maurice Caluwaerts op 6 augustus 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 9 juni 1997 van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen houdende intrekking van zijn vergunningen tot het voorhanden hebben van verweervuurwapens en een oorlogsvuurwapen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 25 april 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-137-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen, gezien de laatste memories van partijen en gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van verzoeker; Gelet op de beschikking van 18 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Kusters, die loco advocaat V. Decolvenaer verschijnt voor verzoeker, en van adjunct-adviseur E. De Baene, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat verzoeker sinds 1987 sportschutter is en vergunningen bezit tot het voorhanden hebben van drie verweervuurwapens en een oorlogsvuurwapen; dat hij op 14 mei 1996 een vergunning tot het voorhanden hebben van een bijkomend oorlogsvuurwapen aanvraagt; dat de politie- commissaris van Lokeren op 13 juni 1996 een negatief advies uitbrengt op grond van de overwegingen dat er lastens verzoeker een strafrechtelijk onderzoek loopt wegens opzettelijke slagen en dat uit informatie van de wijkagent blijkt dat de verstandhouding met de buren nog steeds niet is verbeterd; dat de procureur des Konings van Dendermonde in zijn advies van 6 september 1996 van oordeel is dat “Iemand die zo vlug overgaat in agressief handgemeen [...] best niet [in] het bezit [is] van wapens” en voorstelt om alle vergunningen in te trekken; dat de politiecommissaris van Lokeren in een schrijven van 13 september 1996 aan de gouverneur meedeelt dat op 3 september 1996 een proces-verbaal lastens XII-137-2/7 verzoeker is opgesteld waarin hij wordt verdacht van opzettelijke slagen aan zijn buurman; dat de procureur des Konings in zijn advies van 13 december 1996 aanvoert dat het, gelet op de vele jaren aanslepende burenruzie die reeds aanleiding gaf tot politionele tussenkomsten, niet denkbeeldig is dat ieder wapenbezit in de huidige omstandigheden een potentieel gevaar inhoudt en dat het hem aangewezen lijkt de vergunningen van alle gezinsleden in te trekken; dat de gouverneur op 9 juni 1997 verzoekers vergunningen tot het voorhanden hebben van drie verweervuurwapens en een oorlogsvuurwapen intrekt; dat het besluit als volgt wordt gemotiveerd : “In overweging genomen informatie: - brief van de Procureur des Konings te Dendermonde d.d. 6 september 1996: In dit schrijven, een antwoord op een adviesvraag d.d. 21 augustus 1996 in verband met de aanvraag voor het verkrijgen van een vergunning voor een oorlogsvuurwapen, vermeldt de heer procureur dat er een viertal dossiers lopen lasten betrokkene wegens bedreigingen en beledigingen tussen geburen gepaard gaande met slagen. Tevens stelt hij dat iemand die zo vlug overgaat in agressief handgemeen beter niet in het bezit is van wapens en dat dientengevolge het aangeraden is alle wapens in te trekken. - brief van de Procureur des Konings te Dendermonde d.d. 13 december 1996: In dit advies adviseert de heer procureur tot intrekking van de wapens van alle gezinsleden Caluwaerts-Willems waarbij hij als reden opgeeft de jarenlange aanslepende burenruzie waarbij reeds 26 processen-verbaal werden opgesteld wegens opzettelijke slagen, beschadigingen, laster, eerroof enz. Het is niet denkbeeldig dat ieder wapenbezit in de huidige omstandigheden een potentieel gevaar inhouden voor de openbare orde en veiligheid. - brief van de politie Lokeren d.d. 13 september 1996: In deze brief maakt de politie melding van het feit dat er op 12 juli 1996 opnieuw proces-verbaal werd opgesteld lastens betrokkene wegens opzettelijke slagen aan zijn buurman. Evaluatie: Het parket en de politiediensten zijn het best geplaatst om het gevaar voor de openbare orde en veiligheid in te schatten. De heer Caluwaerts Maurice geeft in een onderhoud met de Arrondissementscommissaris d.d. 14 november 1996 inderdaad toe dat er ernstige problemen zijn met betrekking tot de verstandhouding met de buren. XII-137-3/7 Bijgevolg dringt zich een definitieve maatregel op aangaande het wapen bezit van de familieleden Caluwaerts-Willems”;
  3. Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord opwerpt dat het beroep niet ontvankelijk is “voor zover het de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen in de zaak betrekt”, aangezien de gouverneur niet in eigen naam optreedt maar namens de Belgische Staat en hij in deze onder het hiërarchisch gezag staat van de minister van Justitie, hetgeen onder meer blijkt uit het bestaan van een gecoördineerde omzendbrief van de minister van Justitie inzake de betrokken materie; dat verwerende partij van oordeel is dat bijgevolg de Belgische Staat dient te worden aangesproken; Overwegende dat dit door verzoeker in de memorie van wederantwoord wordt tegengesproken door te stellen dat de gouverneur over een autonome beslissingsbevoegdheid beschikt zodat hij rechtstreeks kan worden aangesproken, dat een beroep tot nietigverklaring tegen een beslissing is gericht en niet tegen de overheid die het bestreden besluit heeft genomen, dat het beroep zelfs indien men zich heeft vergist bij de aanduiding van de tegenpartij, ontvankelijk is; Overwegende dat bij het nemen van de bestreden beslissing de gouverneur is opgetreden als vertegenwoordiger van de Belgische federale staat, op grond niettemin van een zelfstandige beslissingsbevoegdheid; dat dienvolgens als tegenpartij is aan te merken: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen;
  4. Overwegende dat verzoeker in het eerste onderdeel van het enige middel onder meer aanvoert dat hij niet voorafgaandelijk in kennis werd gesteld van het feit dat een beslissing tot intrekking van zijn vergunningen werd overwogen, hij hieromtrent niet werd gehoord en hij voorafgaand aan het besluit geen kennis heeft kunnen nemen van de negatieve adviezen van de procureur des Konings en van de politie van Lokeren waarop dit besluit is gesteund, dat de XII-137-4/7 betrokkene ook nuttig voor zijn belangen moet kunnen opkomen indien de geldende regelgeving hier niet uitdrukkelijk in voorziet, dat het horen had toegelaten vast te stellen dat de motivering van het bestreden besluit achterhaald is; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord daaromtrent doet gelden dat de hoorplicht niet van toepassing is als de feiten voor eenvoudige vaststelling vatbaar zijn, dat verzoeker toegeeft dat er tussen de buren spanningen zijn en dat uit het inwinnen van inlichtingen bij het Rijksregister en uit de adviesvraag van 12 maart 1997 aan de korpschef blijkt dat wel degelijk rekening werd gehouden met de geplande verhuis, dat uit de aldus verkregen informatie kon worden besloten dat de voorziene verhuis nog niet had plaatsgevonden, dat ook het verzoekschrift van verzoeker nog steeds zijn “oude” adres vermeldt; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van weder- antwoord beklemtoont dat overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur, diegene tegen wie een maatregel wordt overwogen moet worden gehoord, dat verwerende partij alle elementen in overweging dient te nemen zodat zij ook de betrokkene vooraf dient te horen; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie doet gelden dat zijn belangen door de bestreden beslissing zwaar worden aangetast aangezien eerst zijn eigendomsrecht werd beperkt en de wapens die een aanzienlijke pecuniaire waarde hebben en waaronder zich een aantal zeldzame exemplaren bevinden, vervolgens definitief verloren gingen, dat geen enkel proces-verbaal dat naar aanleiding van de burenruzie werd opgesteld aanleiding heeft gegeven tot een strafrechtelijke veroordeling, dat hij en zijn ouders op 18 december 1996 een klacht met burgerlijke partijstelling hebben ingediend tegen de buren, dat het horen nuttig zou zijn geweest; XII-137-5/7 Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie stelt dat verzoeker zijn wapens ingevolge het intrekkingsbesluit diende te verkopen aan een bevoegd persoon naar zijn keuze, dat de eigendom van deze wapens hierdoor volledig werd overgedragen, dat verzoeker zich ten onrechte beroept op het verlies van de pecuniaire waarde van de wapens aangezien zij werden verkocht; Overwegende dat de bestreden beslissing de vergunningen van verzoeker tot het voorhanden hebben van drie verweervuurwapens en een oorlogsvuurwapen intrekt omdat het niet denkbeeldig is dat de wapens worden gebruikt bij een nieuwe botsing in de sinds jaren durende ruzie met de buren; dat de bewuste intrekking die gesteund is op gegevens over feiten met betrekking tot verzoeker, door aldus zijn situatie te wijzigen, geacht moet worden hem op een meer dan geringe wijze nadelig in zijn belangen te raken; dat krachtens een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur een dergelijke beslissing in principe slechts kan worden genomen na de betrokkene in de gelegenheid te hebben gesteld zijn zienswijze aangaande de voorgenomen maatregel naar voren te brengen; dat verzoeker niet die gelegenheid heeft gekregen; Overwegende dat de verwerende partij tevergeefs tegenwerpt dat de feiten toch reeds vaststonden, zodat het horen overbodig was; dat, zoals de bestreden beslissing zelf aangeeft, de intrekking het resultaat is van een inschatting van het gevaar van verzoekers wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid; dat die inschatting niet met de directe, eenvoudige constatering van een feit kan worden gelijkgesteld; Overwegende dat het middel in de besproken mate gegrond is, XII-137-6/7 BESLUIT: Artikel
  5. Vernietigd wordt het besluit van 9 juni 1997 van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen houdende intrekking van de vergunningen van Maurice Caluwaerts tot het voorhanden hebben van verweervuurwapens en een oorlogsvuurwapen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juli 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-137-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.651 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.