← België

Arrest 133652 - - 08/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.652 Rolnummer: A. 75820/XII-477 Zaak: Arrest 133652 - - 08/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-06 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 08:05 Fiche Arrest nr 133.652 van 8 juli 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.652 van 8 juli 2004 in de zaak A. 75.820/XII-

  1. In zake : José ARNAUTS, die woonplaats kiest bij advocaten F. Jacobs en B. Vandewalle, kantoor houdende te Leopoldsburg, F. Van Baelstraat 3 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Limburg. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat José Arnauts op 25 september 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 31 juli 1997 van de gouverneur van de provincie Limburg waarbij zijn beroep tegen de weigering door de korpschef van de gemeentelijke politie van Hechtel- Eksel tot afgifte van een vergunning voor twee verweervuurwapens wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 23 mei 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-477-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van verzoeker en de laatste memorie van verweerder; Gelet op de beschikking van 18 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van bestuurssecretaris S. Moens, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker op 25 juli 1996 bij de korps- overste van de gemeentepolitie van Hechtel-Eksel een vergunning tot het voorhanden hebben van twee verweervuurwapens aanvraagt; dat binnen drie maanden geen gevolg wordt gegeven aan dit verzoek, waarna verzoeker beroep instelt bij de gouverneur van de provincie Limburg; dat de korpschef van de politie te Hechtel-Eksel in een brief van 17 december 1996 een negatief advies uitbrengt; dat hij er in dit advies onder meer op wijst dat verzoeker “een agressief karakter” heeft; dat de procureur des konings te Hasselt een gunstig advies uitbrengt op basis van de overwegingen dat verzoeker ingevolge herstel in eer en rechten beschikt over een blanco strafregister en dat zijn beweerd agressief karakter tot nog toe geen aanleiding gaf tot incidenten; dat de directie Jurisdictionele Geschillen en Federale Taken van de provincie Limburg in een nota van 10 juli 1997 voorstelt om het beroep van verzoeker niet in te willigen, zulks met verwijzing naar het negatief advies van de korpschef van de gemeentepolitie en XII-477-2/6 naar de gerechtelijke antecedenten van verzoeker die “tekenend zijn voor de persoonlijkheid van belanghebbende”; dat op 31 juli 1997 de gouverneur van de provincie Limburg het beroep van verzoeker tegen het niet afleveren van een vergunning voor twee verweervuurwapens door de korpschef van de gemeentepolitie van Hechtel-Eksel niet inwilligt; dat de formele motivering van de beslissing luidt : “Gelet op het verslag van 17 december 1996 van de korpsoverste van de gemeentepolitie van Hechtel-Eksel; Gelet op het advies van 15 mei 1997 van de procureur des konings te Hasselt ; Overwegende dat Minister van Justitie in zijn omzendbrieven van 30 oktober 1995 en 4 november 1996 bij de bevoegde overheden erop aandringt dat de aanvragen tot de wapenvergunningen met de meeste omzichtigheid zouden behandeld worden; Overwegende dat volgens deze omzendbrieven de bevoegde overheid op een objectieve wijze rekening moet houden met de karakteristieken van de persoonlijkheid van de aanvragers, met eventuele gerechtelijke antecedenten, inzonderheid met geweldplegingen in het gezin of elders, met zijn geestes- gesteldheid en zijn zedelijkheid, alsook met eventuele gewelddadige politieke activiteit; Overwegende dat uit de gerechtelijke antecedenten van de heer J. Arnauts blijkt dat hij niet de geschikte persoonlijkheid bezit tot het voorhanden hebben van verweervuurwapens en dat het bezit ervan een risico kan inhouden voor de openbare orde en veiligheid; Gelet op artikel 6 van de wet van 30 januari 1991, houdende wijziging van de wet van 3 januari 1933, op het vervaardigen van, de handel in en het dragen van wapens; Gelet op het koninklijk besluit van 20 september 1991, inzonderheid artikel 9 §1 tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933;” Overwegende dat verzoeker in een derde middel aanvoert dat de bestreden beslissing artikel 634 van het Wetboek van Strafvordering schendt, dat hem bij arrest van 7 maart 1996 van het hof van beroep te Antwerpen herstel in eer en rechten in strafzaken werd verleend, dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar gerechtelijke antecedenten terwijl genoemd arrest voor het toekomende alle gevolgen van de veroordelingen doet ophouden, dat er bijgevolg op 7 maart 1996 geen strafrechtelijke elementen of antecedenten lastens verzoeker bestonden; XII-477-3/6 Overwegende dat verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt dat een herstel in eer en rechten niet absoluut is en bijgevolg niet het feit uitwist dat door een rechterlijke beslissing werd vastgesteld, dat de gerechtelijke antecedenten van verzoeker niet duiden op een onberispelijke persoonlijkheid, dat het uittreksel uit het strafblad van verzoeker dat haar door de korpschef werd bezorgd enkel een correctionele straf vermeldde die niet in aanmerking komt voor eerherstel; Overwegende dat de besproken beslissing weigert verzoeker de gevraagde vergunningen te verlenen omdat uit zijn “gerechtelijke antecedenten” blijkt dat hij niet de geschikte persoonlijkheid bezit en dat het bezit van de verweervuurwapens een risico kan inhouden voor de openbare orde en veiligheid; dat dit oordeel kennelijk alleen en direct teruggaat op een nota van 10 juli 1997 van de administratie waarin melding ervan wordt gemaakt “dat de heer Arnauts tussen 1976 en 1988 diverse veroordelingen heeft opgelopen die alhoewel ze niet meer vermeld staan op zijn strafblad, toch tekenend zijn voor de persoonlijkheid van de belanghebbende”; dat het om politie- en correctionele straffen gaat voor opzettelijke slagen en verwondingen met werkonbekwaamheid, dragen van verboden wapens, aanval of verzet met geweld tegen politie door een persoon zonder wapens, weigering bloedproef en dronken sturen, opzettelijke vernieling van een politievoertuig, opzettelijke slagen en verwondingen met werk- onbekwaamheid, niet-betalen van onderhoudsgeld en hulp aan ontvluchting van een gevangene; Overwegende dat niet betwist is dat verzoeker met betrekking tot die veroordelingen bij arrest van 7 maart 1996 van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Antwerpen herstel in eer en rechten heeft gekregen; Overwegende dat dit herstel in eer en rechten niet tot gevolg heeft dat het de verwerende partij a priori verboden zou zijn bij de uitoefening van de bevoegdheid die haar in het kader van wapenwetgeving is opgedragen, hoe dan XII-477-4/6 ook nog rekening te houden met de feiten die tot de veroordelingen hebben geleid; dat het dan echter wel duidelijk moet zijn dat het op die feiten, en niet op de veroordelingen is dat de overheid zich heeft gebaseerd; dat bovendien, om zich rechtmatig op die feiten te kunnen steunen, de overheid geacht moet kunnen worden er een voldoende precieze en concrete kennis van te hebben, wat normaal niet het geval is indien haar kennis beperkt blijkt tot de abstracte strafrechtelijke omschrijvingen ervan; dat tevens de overheid met genoegzame zorgvuldigheid moet hebben nagegaan of de feiten, niettegenstaande het tijdsverloop sindsdien en het herstel in eer en rechten met betrekking tot de betreffende veroordelingen, nog altijd nuttig betrokken kunnen worden bij de beoordeling waarvoor zij staat; dat een en ander in principe op afdoende wijze in de formele motivering van de bestreden beslissing gereflecteerd moet worden; dat zulks te dezen hoegenaamd niet het geval is; dat dit des te meer klemt waar de procureur des konings, die dan toch geacht mag worden bijzonder geschikt te zijn om de zwaarwichtigheid van het strafrechtelijk dossier van de aanvrager te beoordelen, in de veroordelingen en/of de feiten die er aan ten grondslag lagen geen reden zag om de vergunningen te weigeren; Overwegende dat het middel in de besproken mate gegrond is; dat, volledigheidshalve, uit de hieronder uitgesproken vernietiging niet volgt dat de overheid thans verplicht is de gevraagde vergunning uit te reiken; dat echter, zo zij zich voor een nieuwe weigering zou willen steunen op de feiten waarvoor verzoeker destijds is veroordeeld geworden, zij dit overeenkomstig de in aanmerking genomen vernietigingsgrond duidelijk in de nieuwe beslissing moet doen kennen, evenals dat zij van die feiten een deugdelijk beeld heeft en waarom de bewuste feiten spijts het herstel in eer en rechten nog steeds relevant zijn, XII-477-5/6 BESLUIT: Artikel
  2. Vernietigd wordt het besluit van 31 juli 1997 van de gouverneur van de provincie Limburg waarbij het beroep van José Arnauts tegen de weigering door de korpschef van de gemeentelijke politie van Hechtel-Eksel tot afgifte van een vergunning voor twee verweervuurwapens wordt verworpen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juli 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-477-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.652 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.