← België

Arrest 133653 - - 08/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.653 Rolnummer: A. 74255/XII-662 Zaak: Arrest 133653 - - 08/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-19 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 08:05 Fiche Arrest nr 133.653 van 8 juli 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.653 van 8 juli 2004 in de zaak A. 74.255/XII-

  1. In zake : Daniël VAN LOOY, die woonplaats kiest bij advocaat K. Rommens, kantoor houdende te Antwerpen, Stoopstraat 1 bus 6 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Antwerpen. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Daniël Van Looy op 5 mei 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 februari 1997 waarbij de gouverneur van de provincie Antwerpen weigert hem een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen te verlenen en van het besluit van 28 februari 1997 waarbij de gouverneur van de provincie Antwerpen zijn vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen intrekt; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 28 februari 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-662-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen, gezien de laatste memories van partijen en gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van verzoeker; Gelet op de beschikking van 18 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Rommens, die verschijnt voor verzoeker, en van adjunct-adviseur M. De Fré, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat verzoeker op 22 januari 1996 een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen verkrijgt; dat hij op 15 oktober 1996 een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen indient omdat hij aan parcoursschieten wenst te doen; dat de procureur des konings van Antwerpen op 7 januari 1997 een negatief advies verleent met betrekking tot deze aanvraag en op 22 januari 1997 adviseert de bezitsvergunning van verzoeker in te trekken; dat de gouverneur van de provincie Antwerpen in zijn besluit van 27 februari 1997 de gevraagde vergunning voor het dragen van een verweervuurwapen weigert en in zijn besluit van 28 februari 1997 verzoekers vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen intrekt; XII-662-2/7 Overwegende dat de weigeringsbeslissing als volgt wordt gemotiveerd : “Gelet op het ongunstig advies d.d. 7 januari 1997 van de procureur des Konings van Antwerpen, waaruit blijkt dat verzoeker reeds herhaaldelijk correctioneel werd veroordeeld wegens diverse en zware vermogensdelicten en het onwettig dragen van een vuurwapen; Overwegende dat gelet op zijn strafrechtelijk verleden kan worden verondersteld dat hij een gevaar betekent voor de openbare orde en veiligheid; Overwegende dat de persoonlijkheid van betrokkene de uitreiking van de vergunning in de weg staat; Overwegende dat het behoud van de openbare orde en veiligheid dient te primeren;” Overwegende dat de intrekkingsbeslissing als volgt wordt gemotiveerd : “Gelet op het ongunstig advies d.d. 22 januari 1997 van de procureur des Konings van Antwerpen, die van mening is dat de vergunning moet worden ingetrokken; Overwegende dat betrokkene reeds herhaaldelijk correctioneel werd veroordeeld wegens diverse en zware vermogensdelicten en het onwettig dragen van een vuurwapen; Overwegende dat de mentale ingesteldheid en persoonlijkheid van de heer Van Looy van die aard zijn dat het bezit van een vuurwapen in zijnen hoofde een reëel gevaar betekent; Overwegende dat de openbare orde en de veiligheid de intrekking van de vergunning vereisen;”
  3. Overwegende dat verzoeker tegen de weigeringsbeslissing aanvoert dat zij gebaseerd is op een strafblad dat niet meer bestaat aangezien de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Antwerpen bij arrest van 5 oktober 1995 hem herstel in eer en rechten heeft toegekend, dat hij ingevolge dit arrest over een blanco strafblad beschikt en dat het motiverings- beginsel werd geschonden; XII-662-3/7 Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat eerherstel geen invloed heeft op het bestaan of de ernst van de feiten naar aanleiding waarvan iemand wordt veroordeeld, dat zij op basis van het advies van de procureur des konings terecht kon besluiten dat het, gelet op verzoekers eerder gedrag, niet verantwoord was hem een draagmachtiging te verlenen en dat zij bij de beoordeling van de feiten over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van weder- antwoord onder meer uiteenzet dat verwerende partij het vermoeden dat verzoeker zich opnieuw heeft aangepast aan de maatschappij dient te weerleggen, hetgeen niet kan door louter te verwijzen naar zijn strafrechtelijk verleden; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog opmerkt dat “geen elementen worden naar voorgebracht waaruit zou kunnen blijken dat de feiten die aan de oorsprong lagen van de oorspronkelijke correctionele veroordeling (en die ten andere niet worden toegelicht door verweerder, laat staan onderzocht), thans nog zijn invloed zouden kunnen hebben op de persoonlijkheid van verzoeker”; Overwegende dat verwerende partij in haar laatste memorie beklemtoont dat zij “niet alleen” rekening houdt met strafbare elementen, dat de talloze vermogensdelicten en het onwettig dragen van een vuurwapen haar, “onafgezien” van de veroordelingen, er in alle redelijkheid toe konden doen besluiten dat de ingesteldheid en persoonlijkheid van verzoeker niet verenigbaar zijn met het dragen en/of bezit van een vuurwapen, dat bovendien de betreffende feiten wel degelijk aan een nieuwe beoordeling werden onderworpen; Overwegende dat de besproken beslissing weigert verzoeker de gevraagde vergunning te verlenen wegens zijn persoonlijkheid, die geacht wordt een gevaar te zijn voor de openbare orde en veiligheid “gelet op zijn strafrechtelijk verleden”; dat, getuige het advies van 7 januari 1997 van de procureur des konings XII-662-4/7 waarnaar de beslissing verwijst, daarmee gedoeld wordt op het feit dat verzoeker “reeds herhaaldelijk correctioneel veroordeeld [werd]”; Overwegende dat niet betwist is dat verzoeker met betrekking tot die veroordelingen bij arrest van 5 oktober 1995 van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Antwerpen herstel in eer en rechten heeft gekregen; Overwegende dat dit herstel in eer en rechten niet tot gevolg heeft dat het de verwerende partij a priori verboden zou zijn bij de uitoefening van de bevoegdheid die haar in het kader van wapenwetgeving is opgedragen, hoe dan ook nog rekening te houden met de feiten die tot de veroordelingen hebben geleid; dat het dan echter wel duidelijk moet zijn dat het op die feiten, en niet op de veroordelingen is dat de overheid zich heeft gebaseerd; dat bovendien, om zich rechtmatig op die feiten te kunnen steunen, de overheid geacht moet kunnen worden er een voldoende precieze en concrete kennis van te hebben, wat normaal niet het geval is indien haar kennis beperkt blijkt tot de abstracte strafrechtelijke omschrijvingen ervan; dat tevens de overheid met genoegzame zorgvuldigheid moet hebben nagegaan of de feiten, niettegenstaande het tijdsverloop sindsdien en het herstel in eer en rechten met betrekking tot de betreffende veroordelingen, nog altijd nuttig betrokken kunnen worden bij de beoordeling waarvoor zij staat; dat een en ander in principe op afdoende wijze in de formele motivering van de bestreden beslissing gereflecteerd moet worden; dat zulks te dezen hoegenaamd niet het geval is; Overwegende dat het middel gegrond is; dat, volledigheids- halve, uit de hieronder uitgesproken vernietiging niet volgt dat de overheid thans verplicht is de gevraagde vergunning uit te reiken; dat echter, zo zij zich voor een nieuwe weigering zou willen steunen op de feiten waarvoor verzoeker destijds is veroordeeld geworden, zij dit overeenkomstig de in aanmerking genomen vernietigingsgrond duidelijk in de nieuwe beslissing moet doen kennen, evenals dat XII-662-5/7 zij van die feiten een deugdelijk beeld heeft en waarom de bewuste feiten spijts het herstel in eer en rechten nog steeds relevant zijn;
  4. Overwegende dat verzoeker ook tegen de intrekkingsbeslissing doet gelden “dat niet naar het strafrechtelijk verleden kan worden verwezen, gelet op het herstel in eer en rechten van 5.10.1995”; Overwegende dat, mede gelet op het advies van 22 januari 1997 van de procureur des konings dat niet meer is dan een verwijzing naar zijn advies van 7 januari 1997, de intrekkingsbeslissing op dezelfde gegevens is gebaseerd als het hiervoor besproken weigeringsbesluit; dat om de hoger aangehaalde redenen het middel ook met betrekking tot de intrekkingsbeslissing gegrond is; dat er overigens reden is te dezen des te meer veeleisend te zijn ten aanzien van de formele motivering waar immers de veroordelingen waarop de intrekking steunt reeds op het moment waarop de ingetrokken vergunning werd verléénd, meer dan tien jaar oud waren, BESLUIT: Artikel
  5. Vernietigd worden het besluit van 27 februari 1997 waarbij de gouverneur van de provincie Antwerpen weigert aan Daniël Van Looy een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen te verlenen en het besluit van 28 februari 1997 waarbij de gouverneur van de provincie Antwerpen zijn vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen intrekt. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-662-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juli 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-662-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.653 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.