← België

Arrest 133690 - - 09/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.690 Rolnummer: A. 143479/VII-30966 Zaak: Arrest 133690 - - 09/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-03 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 08:10 Fiche Arrest nr 133.690 van 9 juli 2004 - Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.690 van 9 juli 2004 in de zaak A. 143.479/VII-30.

  1. In zake : de n.v. AQUAFIN, die woonplaats kiest bij Advocaat P. PEETERS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Graanmarkt 2 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. NYS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. AQUAFIN op 3 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 28 augustus 2003 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van 27 februari 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende aktename van de mededeling van kleine verandering van de n.v. AQUAFIN van een vergunde rioolwaterzuiveringsinstallatie, gelegen te 9260 Schellebelle (Wichelen), Meerbos 26; Gelet op het arrest nr. 128.293 van 19 februari 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gelet op de kennisgeving van dit arrest aan de verzoekende partij op 27 februari 2004; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging, ingediend door de verzoekende partij op 25 maart 2004; VII-30.966-1/5 Gelet op de kennisgeving aan de verzoekende partij, op grond van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij de verzoekende partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij heeft ingediend waarbij zij vraagt om te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 13 mei 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 27 mei 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. PEETERS die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat J. DE CONINCK die, loco Advocaat J. NYS verschijnt voor de verwerende partij; Gelet op titel VI, Hoofdstuk II van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat naar luid van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; Overwegende dat het arrest nr. 128.293 van 19 februari 2004 de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing heeft verworpen; Overwegende dat de verzoekende partij op 25 maart 2004 een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend; dat dit verzoek evenwel niet voorzien was van de vereiste zegels ten belope van 175 euro; Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoek om te worden te worden gehoord niet betwist dat zij haar verzoek tot voortzetting van de VII-30.966-2/5 procedure niet heeft gezegeld; dat zij evenwel betoogt dat zij moet worden gekwalificeerd als een "openbare instelling", voor wie overeenkomstig artikel 68, tweede lid, van het procedurereglement van 23 augustus 1948 de in artikel 70 bedoelde rechten door de griffier van de Raad van State in debet worden begroot; dat zij daartoe verwijst, enerzijds, naar het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State van 3 oktober 1990 bij het ontwerp van decreet dat leidde tot het decreet van 12 december 1990 betreffende het bestuurlijk beleid en waarin de Raad stelde dat er "ernstige twijfels" kunnen rijzen aangaande het privaatrechtelijk karakter van de bedoelde vennootschap, en anderzijds naar het gegeven dat zij werd opgenomen op de lijst in bijlage I bij het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en concessies voor openbare werken, bevattende een opsomming van organismen van openbaar nut in de zin van artikel 4, § 2, 1/, alsook van de rechtspersonen in de zin van artikel 4, § 2, 8/ van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten op wie evengenoemde wet van toepassing is; Overwegende dat, zoals reeds is gebleken uit onder meer het arrest nr. 104.068, de n.v. DESIRE STADSBADER - FLAMAND, van 28 februari 2002, de verzoekende partij is opgericht bij notariële akte van 25 april 1990, bekendgemaakt bij uittreksel in de bijlage tot het Belgisch Staatsblad van 19 mei 1990, onder de privaatrechtelijke rechtsvorm van de naamloze vennootschap met als naam "Aquafin" door, eensdeels, de naamloze vennootschap "Vlaamse Milieuholding" en, anderdeels, de naamloze vennootschap "Seed Money en Startersfonds Gimv"; dat deze beide vennootschappen zijn opgericht door de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen (GIMV), als haar dochtermaatschappijen; dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 2 april 1962 tot oprichting van een nationale investeringsmaatschappij en van erkende gewestelijke investeringsmaatschappijen en haar wijzigende wetten (o.m. de wetten van 30 maart 1976 en 4 augustus 1978) blijkt dat de wetgever niet de bedoeling had van de GIMV en de vennootschappen waarin zij participaties heeft, administratieve overheden te maken (zie onder meer Parl. St., Senaat, 1975-76, nr. 766/1, 7 en 10, Memorie van toelichting en nr. 766/2, 6, Verslag; Parl. St., Senaat, 1977-78, nr. 415/2, 188, Verslag); dat voorts uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van de Vlaamse Raad van 12 december 1990 betreffende het bestuurlijk beleid blijkt dat de decreetgever juist beoogde taken betreffende de waterzuivering voortaan op te dragen aan een vennootschap met "een privaatrechtelijk karakter" daar precies aan het publiekrechtelijk karakter met zijn starre procedures het gebrekkige functioneren VII-30.966-3/5 van de Vlaamse Waterzuiveringsmaatschappij werd toegeschreven (toelichting door de bevoegde gemeenschapsminister, Parl. St., Vl. R., 1989-90, nr. 395/9, 78 e.v.); dat daartoe bij artikel 58 van dat decreet, door wijziging van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, de Vlaamse Waterzuiveringsmaatschappij werd afgeschaft (nieuw artikel 32 decies, § 2) en de uitvoering van de bedoelde taken betreffende de waterzuivering "uitsluitend (werd) toevertrouwd aan een vennootschap die de rechtsvorm heeft van een naamloze vennootschap en opgericht is door de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen of een dochtermaatschappij hiervan" (nieuw artikel 32 septies, § 1); dat alzo overeenkomstig die bedoeling het Vlaamse Gewest zich geen inspraak heeft toegeëigend in de werking van de verzoekende partij en dat zij geen organieke voogdij of toezicht op de verzoekende partij heeft ingesteld; dat ook geen enkel element voorhanden is waaruit zou kunnen blijken dat de verzoekende partij in wezen een substitutie is van het Vlaamse Gewest; Overwegende dat alleen reeds omwille van de duidelijke bedoeling van de wet- en decreetgever, die niet in strijd blijkt te zijn met de werkelijkheid, de verzoekende partij niet kan worden beschouwd als een "openbare instelling" bedoeld in artikel 68, tweede lid, van het procedurereglement voor wie de zegelrechten in debet door de griffier van de Raad van State moeten worden begroot; dat het gegeven dat de verzoekende partij onderworpen is aan de wetgeving en reglemente- ring van de overheidsopdrachten haar privaatrechtelijk karakter niet ontneemt; Overwegende dat de verzoekende partij de bij het verzoek tot voortzetting te voegen fiscale zegels pas op het verzoek om te worden gehoord, en dus laattijdig, heeft aangebracht; dat het verzoek tot voortzetting niet regelmatig is; dat krachtens artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, een vermoeden van afstand van geding geldt ten aanzien van de verzoekende partij, die niet op regelmatige wijze de voortzetting van de procedure heeft gevraagd, BESLUIT: Artikel
  3. De afstand van het geding wordt vastgesteld. VII-30.966-4/5 Artikel
  4. De kosten van de vordering tot schorsing en van het annulatiebe- roep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juli tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-30.966-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.690 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.128.293 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.