id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.691 Rolnummer: A. 142568/VII-30847 Zaak: Arrest 133691 - - 09/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-03 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-04 08:10 Fiche Arrest nr 133.691 van 9 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.691 van 9 juli 2004 in de zaak A. 142.568/VII-30.
- In zake : Alfons HUYBRECHTS, die woonplaats kiest bij Advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te MECHELEN, Antwerpsesteenweg 18 tegen : de VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ, die woonplaats kiest bij Advocaat A. RENARD, kantoor houdende te SINT-TRUIDEN, Koningin Astridlaan
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Alfons HUYBRECHTS op 10 oktober 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van "de beslissing van de Vlaamse Landmaatschappij tot uitoefening van een voorkooprecht in naam en voor rekening van het Vlaamse Gewest, met betrekking tot een aantal percelen, gelegen te 3270 Scherpenheuvel-Zichem, aldaar kadastraal gekend 2e afdeling, sectie A, nrs. 296/F, 296/E, 297/A, 290, 303/D en 301/A met een totale oppervlakte van 4ha 56a 58ca tegen een totale prijs van 99.157,41 EURO"; Gelet op de kennisgeving van de memorie van antwoord aan verzoeker op 2 januari 2004; Gelet op de kennisgeving aan de partijen, op grond van artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, dat de kamer uitspraak zal doen onder aanvoering van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij een van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; Gelet op het aangetekend schrijven van verzoeker waarbij hij vraagt om te worden gehoord; VII-30.847-1/5 Gelet op de beschikking van 13 mei 2004, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 27 mei 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat T. SWERTS die, loco Advocaat C. GYSEN verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat A. RENARD, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat bij het versturen van een kopie van de memorie van antwoord aan verzoeker de hoofdgriffier melding heeft gemaakt van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 14bis, § 1, van voornoemd besluit van de Regent; Overwegende dat verzoeker binnen de termijn van zestig dagen, gesteld in artikel 7 van voormeld besluit van de Regent, geen memorie van wederantwoord aan de griffie heeft toegestuurd; dat krachtens voornoemd artikel 21, tweede lid, in principe vastgesteld dient te worden dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat het begrip overmacht -dat desgevallend aanleiding zou geven tot het verval van de sanctie die is voorzien bij voormeld artikel 21, tweede lid- "restrictief in de rechtspraak (wordt) beperkt tot de gevallen welke voor de verzoekende partij onvoorzienbaar waren en buiten zijn wil of handelingsbevoegdheid zijn gebeurd. Quod est in casu !"; dat evenwel uit de gegevens van het dossier blijkt dat de memorie van antwoord door verzoeker in ontvangst werd genomen op 2 januari 2004, en de termijn van zestig dagen voor het indienen van een memorie van wederantwoord derhalve verstreek op 2 maart 2004, zodat de memorie van wederantwoord, weliswaar gedateerd 2 maart 2004 maar blijkens de poststempel pas aangetekend verzonden daags nadien, laattijdig werd ingediend; dat het argument dat de raadsman van verzoeker niet op 2 maar op 3 januari 2004 effectief kennis kreeg van de memorie van antwoord , zonder dat daar VII-30.847-2/5 verder nog iets aan wordt toegevoegd, niet van die aard is dat het overmacht in hoofde van verzoeker aantoont; Overwegende dat verzoeker vervolgens de regeling, zoals voorzien in artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in vraag stelt, in essentie omdat, niettegenstaande artikel 21, tweede lid, enkel en alleen kan worden verantwoord vanuit de mogelijkheid tot het versnellen en inkorten van de procedure met het oog op de beperking van de achterstand bij de Raad van State, “duidelijk wordt dat enkel maatregelen worden getroffen opzichtens de verzoekende of verwerende partij indien deze aan de hun ter beschikking staande termijnen niet toekomen”, terwijl voor “de beoordeling van het dossier door Auditoraat en de zetel van de Raad van State zelf geen dergelijke vervaltermijnen worden gesteld”; dat hij daarbij verwijst naar artikel 15 van het procedurereglement, waarin wordt bepaald dat het arrest moet worden uitgesproken binnen 12 maanden na de dag waarop met toepassing van artikel 12 of eventueel artikel 13 verslag over de zaak werd uitgebracht en naar artikel 14 (lees 17) van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat onder meer bepaalt dat binnen de vijfenveertig dagen uitspraak moet worden gedaan over de vordering tot schorsing en, indien de schorsing werd bevolen, binnen zes maanden na de uitspraak van het arrest uitspraak wordt gedaan over het verzoekschrift tot nietigverklaring, zijnde termijnen die slechts als termijnen van orde worden aanzien, waarvan de niet-naleving geen sanctie met zich brengt; dat verzoeker concludeert dat een als objectief criterium naar voren geschoven factor ter verrechtvaardiging van een wettelijke bepaling -met name de versnelling van de procedure en het wegwerken van de achterstand- slechts als dusdanig wordt aanvaard wanneer alle actoren binnen een en dezelfde rechtspleging aan gelijkaardige maatregelen zijn onderworpen en dat, wanneer zulks niet het geval is, met een dergelijk criterium geen rekening kan worden gehouden omwille van de onevenredigheid van het criterium an sich; dat verzoeker vraagt ter zake de volgende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen : "Schendt artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de termijnen die aan de verzoekende partij worden opgelegd als vervaltermijnen worden beschouwd in de zin van de ratio legis van deze bepaling tot versnelling en inkorting van de procedure, terwijl de termijnen vervat in dezelfde legistieke tekst als termijnen van orde worden omschreven in hoofde van de Raad van State zelf"; Overwegende dat in het arrest 50/2000 van 3 mei 2000 van het Arbitragehof dit Hof voor recht heeft gezegd dat artikel 21, tweede lid, van de VII-30.847-3/5 gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre het bepaalt dat het ontbreken van het vereiste belang wordt vastgesteld van de verzoekende partij die geen memorie van (weder)antwoord of geen toelichtende memorie heeft ingediend, terwijl artikel 14bis van het besluit van de Regent tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie voor de Raad van State in geen sanctie voorziet bij overschrijding van de aan de Raad van State en aan het Auditoraat opgelegde termijnen; dat de op dat ogenblik vigerende versie van het voormelde artikel 14bis voorzag in termijnen voor de neerlegging van het verslag door de Auditeur en de vaststelling van de zaak door de bevoegde Kamervoorzitter; Overwegende dat de prejudiciële vraag die verzoeker gesteld wil zien in feite inhoudelijk dezelfde rechtsvraag aan de orde stelt als deze die reeds werd beantwoord in het arrest 50/2000, zij het veralgemeend tot "de termijnen vervat in dezelfde legistieke tekst”; dat ingevolge artikel 26, § 2, 2/, van de Bijzondere wet op het Arbitragehof de Raad van State niet gehouden is een prejudiciële vraag te stellen wanneer dit Hof reeds uitspraak heeft gedaan over een vraag of een beroep met een identiek voorwerp; dat de door verzoeker voorgestelde prejudiciële vraag bijgevolg niet dient te worden gesteld; Overwegende dat, gelet op hetgeen voorafgaat, krachtens voornoemd artikel 21, tweede lid, vastgesteld dient te worden dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen ontbreekt, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. VII-30.847-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juli tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-30.847-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.691 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.