id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.692 Rolnummer: A. 151255/VII-32092 Zaak: Arrest 133692 - - 09/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-03 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 08:10 Fiche Arrest nr 133.692 van 9 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.692 van 9 juli 2004 in de zaak A. 151.255/VII-32.
- In zake : de stad OOSTENDE, die woonplaats kiest bij Advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te GENT, Visserij 157 A tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : de n.v. Aannemingen PENNINCK, die woonplaats kiest bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de stad OOSTENDE op 29 april 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 19 februari 2004 houdende inwilliging van het beroep ingediend door de n.v. PENNINCK tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Oostende van 13 oktober 2003 waarbij aan de n.v. PENNINCK vergunning geweigerd wordt voor een inrichting voor het exploiteren van een verwerkingsplaats voor inerte afvalstoffen en niet gevaarlijke afvalstoffen gelegen aan de Zandvoordeschorredijk te Oostende; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; VII-32.092-1/10 Gelet op de beschikking van 15 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 juni 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. DE BEIR die, loco Advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur S. VANPARYS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat J. GOETHALS die, loco Advocaat A. LUST verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat met een verzoekschrift van 18 mei 2004 de n.v. Aannemingen PENNINCK, houder van de bestreden vergunning, heeft gevraagd in de debatten te mogen tussenkomen; dat haar verzoek kan worden ingewilligd;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.
- Op 14 juli 2003 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Oostende een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een inrichting klasse 2 gelegen te 8400 Oostende, Zandvoordeschorredijk, kadastraal gekend onder Afd. 9, Sectie B, nr. 45E (1 ha, 8 a, 59 ca). De tussenkomende partij is een aannemingsbedrijf voor wegeniswerken en heeft ter plaatse reeds een vestiging. De tussenkomende partij omschrijft het voorwerp van de aanvraag als een nieuwe inrichting, met name een verwerkingsplaats voor inerte afvalstoffen. Ze vraagt de vergunning voor een termijn van twintig jaar. De aanvraag omvat de volgende rubrieken klasse 2 : - opslag en mechanische behandeling van inerte afvalstoffen, met een opslagcapa- citeit van maximaal 1.000 m³; VII-32.092-2/10 - opslag van niet-gevaarlijke afvalstoffen, met een maximale opslagcapaciteit van 100 ton (sporadische opslag van gesteente vermengd met hout, papier, kunststoffen, metalen, ... gesorteerd op het bedrijf vooraleer opgehaald); - opslag diesel (30.000 liter ondergronds en 3.000 liter bovengronds), alsook de dieselpomp verbonden aan de ondergrondse tank van 30.000 liter. De gevraagde inrichting is gelegen in een nijverheidszone overeenkomstig het BPA nr. 103 "Autosnelweg-Gistelsesteenweg", waarin onder de bijzondere aanvullende voorschriften wordt bepaald : "Alle instellingen en/of activiteiten die schadelijke gassen of hinderlijke geuren, geluidshinder en stofhinder verspreiden, zijn verboden". Volgens het Gewestplan Oostende-Middenkust is het gebied bestemd voor milieubelastende industrieën. Bij het aanvraagdossier wordt als bijlage 4 de bouwvergunning voor het stapelen van inerte stoffen, die tussenkomende partij op 7 juli 2000 verkreeg voor een termijn van vijf jaar, gevoegd. De duur van die vergunning werd beperkt om de hinder voor de omgeving te beperken en de toekomstige bestemming van deze grond niet te hypothekeren. In dat besluit wordt niet expliciet verwezen naar het hierboven vermeld bijzonder aanvullend voorschrift van het BPA. Integendeel, in de conclusie van de motivering wordt gesteld dat "het project in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen". Uit stuk 7 gevoegd bij het verzoekschrift blijkt anderzijds dat tussenkomende partij aan het gemeentebestuur liet weten dat de stapelruimte slechts een tijdelijk karakter zou hebben en dat het de bedoeling was om binnen afzienbare tijd een nieuwe exploitatie op te richten. 2.
- N.a.v. de milieuvergunningsaanvraag worden de volgende adviezen gegeven: - gunstig advies brandweer 27 augustus 2003; - gunstig advies Riolen- en Wegendienst 4 augustus 2003; - advies OVAM 28 augustus 2003 : gunstig wat betreft opslag en mechanische verwerking (breken en zeven) van 1.000 m³ inert afval; ongunstig wat betreft de opslag en mechanische behandeling van niet-gevaarlijke afvalstoffen (omdat dit dient te gebeuren op een vloeistofdichte vloer); - ongunstig advies dienst stedenbouwkundige vergunningen, in essentie op grond van de overwegingen enerzijds dat de verleende bouwvergunning beperkt werd tot een duur van vijf jaar en dat tussenkomende partij zelf bevestigd had dat de opslagplaats tijdelijk was, en dat dit niet verenigbaar was met de nu gevraagde termijn van twintig jaar, en anderzijds dat de gevraagde inrichting niet verenig- baar was met het hierboven vermelde aanvullend bijzonder voorschrift in het VII-32.092-3/10 BPA nr. 103, zodat het wenselijk is de gevraagde inrichting te herlocaliseren op een terrein voor milieubelastende activiteiten ; - advies met ernstig voorbehoud van 20 augustus 2003 door de dienst Industriële Ontwikkeling en Externe Betrekkingen; - ongunstig advies van de dienst Leefmilieu van 7 oktober 2003, in essentie omdat de gevraagde activiteiten onmogelijk zijn zonder stof- en geluidshinder en omdat de gevraagde inrichting vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt onverenigbaar is met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften. Op 13 oktober 2003 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Oostende de aanvraag te weigeren. 2.
- Op 4 november 2003 tekent de tussenkomende partij beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. N.a.v. dit beroep worden de volgende adviezen gegeven : - advies OVAM van 3 december 2003, dat in essentie het advies in eerste aanleg herneemt; - gunstig advies afdeling Milieuvergunningen van 10 december 2003, mits het opleggen van bijzondere vergunningsvoorwaarden; - gunstig advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie van 30 januari
- 2.
- Op 19 februari 2004 beslist de bestendige deputatie het beroep gegrond te verklaren en de gevraagde vergunning te verlenen voor een termijn van twintig jaar. Wat betreft het weigeringsmotief in eerste aanleg inzake stof- en geluidshinder wordt in de motivering o.m. geoordeeld dat omwille van de ligging van de inrichting (omringd door eigen bedrijfsgebouwen), van de ruime afstand tot vreemde woningen, van het aanleggen van een groenscherm,van het besproeien (vernevelen) van fijn materiaal bij droog weer en van het (periodiek) breken en zeven overdag, er voldoende garanties zijn dat de stof- en geluidshinder tot een aanvaard- baar niveau beperkt kunnen blijven. Wat betreft het ongunstig advies van OVAM inzake de opslag en verwerking van niet-gevaarlijke afvalstoffen (inzake het ontbreken van een vloeistofdichte vloer) wordt vermeld dat tussenkomende partij bereid is dit te voorzien, hetgeen tevens als bijzondere milieuvergunningsvoorwaarde wordt opgelegd. VII-32.092-4/10 Wat betreft het aspect verenigbaarheid met de stedenbouwkundige en ruimtelijke voorschriften wordt in de aanhef van de bestreden beslissing het volgende gesteld : "Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied voor milieubelastende industrie van het gewestplan Oostende-Middenkust (d.d. 26/01/1977); Gelet op de ligging van de inrichting in een BPA Gistelsesteenweg' met bestemming nijverheidszone en met volgende steden- bouwkundige voorschriften: verbod van alle activiteiten die schadelijke gassen of hinderlijke geuren, stof- en geluidshinder verspreiden; Overwegende dat (motivering vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten) gesteld kan worden dat de verandering/exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften";
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift het moeilijk te herstellen ernstig nadeel als volgt uiteenzet : "II.2.2.1 Het nadeel is ernstig Het aannemingsbedrijf van de n.v. PENNINCK, waarop de voorliggende milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft, is gesitueerd in een gebied waar activiteiten die geluids- en stofhinder verspreiden, verboden zijn. Verzoekster heeft er vanuit haar wettelijke verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor het algemeen belang van de gemeente, vanuit stedenbouwkundig oogpunt en in functie van een duurzaam ruimtegebruik alle belang bij dat er op de kwestieuze locatie geen (krachtens haar eigen plan van aanleg nu net verboden) hinder ontstaat. In dit verband is het overigens van belang te herhalen dat de n.v. PENNINCK, naar aanleiding van de ingediende bouwaanvraag zelf heeft gesteld dat het de bedoeling was om op termijn een nieuwe exploitatie te starten op een andere locatie en dat in het licht hiervan de stad Oostende op 7 augustus 2000 een tijdelijke stedenbouwkundige vergunning heeft verleend voor een termijn van 5 jaar, net omwille van het feit dat de duur van de opslag van inerte stoffen diende te worden beperkt om de hinder voor de omgeving te beperken en de toekomstige bestemming van de betrokken grond niet te hypothekeren. Gelet op de aard van de exploitatie, het soort hinder dat onmiskenbaar door dit type exploitatie wordt veroorzaakt (geluids-, stof- en visuele hinder) en de bestemmingsvoorschriften van het BPA nr. 103 VII-32.092-5/10 van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te rechtvaardigen, in afwachting dat over een annulatieberoep uitspraak zal kunnen worden gedaan. II.2.2.
- Het nadeel is moeilijk te herstellen Het is evident dat, wanneer de bestreden vergunning onmiddellijk uitwerking krijgt, de activiteit van de n.v. PENNINCK de krachtens het plan van aanleg verboden geluids- en stofhinder zal gaan verspreiden, en het duurzaam ruimtegebruik en ruimtebeleid van verzoekster dienovereenkomstig in het gedrang brengt. De (krachtens het plan van aanleg verboden) hinder en de impact daarvan op het duidelijk uitgestippelde ruimtelijke beleid van verzoekster zal dan een voldongen feit zijn, dat achteraf - naar aanleiding van een gebeurlijke vernieti- ging van het bestreden besluit - nog onmogelijk te herstellen of (zelfs maar) te compenseren zal zijn"; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota als volgt repliceert : "Verzoekster beroept zich quasi uitsluitend op haar verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor het algemeen belang van de gemeente vanuit stedenbouw- kundig oogpunt en in functie van een duurzaam ruimtegebruik om het ernstig nadeel aan te tonen. Verzoekster stelt dan ook dat haar duidelijk uitgestippelde ruimtelijke beleid onherstelbaar zou geschonden zijn indien het bestreden besluit van de Bestendige Deputatie niet geschorst zou worden. Om dergelijk ernstig nadeel aan te tonen, beroept zij zich op een brief van de vergunningsaanvragers van 4 jaar geleden. Toentertijd hebben zij inderdaad verklaard dat het de bedoeling was om op termijn te herlocaliseren. Een herlocalisatie is echter mede afhankelijk van de economische toestand. Verzoekster verschuilt zich nu daarachter om te verklaren waarom zij op 7 augustus 2000 een stedenbouwkundige vergunning voor 5 jaar heeft verleend aan vergunningsaanvrager. Nu beweert verzoekster dat zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal ondervinden omdat de uitvoering van het bestreden besluit een onherstelbare impact op haar duidelijk uitgestippelde ruimtelijke beleid zou hebben. Dit eventuele nadeel heeft zij echter in de eerste plaats aan haarzelf te wijten. De milieuvergunning kan namelijk maar uitgeoefend worden indien de vergun- ningsaanvrager eveneens over een geldige stedenbouwkundige vergunning beschikt. In dit geval heeft verzoekster zelf de stedenbouwkundige vergunning reeds verleend aan vergunningsaanvragers. Verzoekster probeert nu door het bestrijden van de milieuvergunning haar eigen beslissing terug ongedaan te maken. Het verzoekschrift is dan ook uitsluitend gebaseerd op een stedenbouwkundig voorschrift van het BPA. Verzoekster is de mening toegedaan dat de uitvoering van de milieuvergunning tot gevolg zal hebben dat er zodanige geluids- en stofhinder zal veroorzaakt worden dat haar uitgestippeld ruimtelijk beleid niet meer zal kunnen uitgevoerd worden. De Bestendige Deputatie heeft in haar besluit echter uitgebreid weergegeven welke voorwaarden opgelegd worden om de eventuele productie van geluids- en stofhinder te beperken. De geluids- en stofhinder die verzoekster telkens opnieuw opwerpt, zou volgens haar echter dermate hoog zijn dat ze niet meer te herstellen of zelfs maar te compenseren zal zijn. Ondertussen blijkt wel dat geen enkele van de omwonenden ook maar enig bezwaar heeft geuit over deze inrichting. Het zijn toch net die omwonenden die de meeste hinder zouden ondervinden. Het betreft hier dan ook allesbehalve een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. VII-32.092-6/10 Of de exploitant na 2005 nog effectief zal kunnen verder gebruik maken van de door de Bestendige Deputatie afgeleverde milieuvergunning zal echter in de eerste plaats afhangen van het stadsbestuur zelf: zij moeten immers straks oordelen over een eventueel nieuwe stedenbouwkundige vergunningsaanvraag. Als die vergunning niet wordt afgeleverd kan exploitant straks helemaal geen gebruik meer maken van de thans bestreden milieuvergunning. Het is uiteraard niet de eerste keer dat een stadsbestuur een administratieve eindbeslissing inzake een omstreden milieuvergunningsaanvraag aanvecht bij de Raad van State. Met het arrest nr. 108.261 van 20/06/2002 heeft de Raad het schorsingsverzoek van de gemeente Zedelgem tegen een in beroep door de Bestendige Deputatie toegekende milieuvergunning tot uitbreiding van een textielbedrijf afgewezen, met o.m. de volgende motivatie: Gelet op dit alles is de Bestendige Deputatie van oordeel dat er in hoofde van verzoekster geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel is"; 3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoek tot tussenkomst als volgt repliceert : "De verzoekende partij herhaalt in wezen dat ze er Met betrekking tot het MTHEN beslist Uw Raad vast en hieromtrent geen rekening kan worden gehouden' (R.v.St., nr. 125.229, Delcloo, 7 november 2003). In meerdere arresten heeft uw Raad verduidelijkt dat de vereiste van concretisatie van het MTHEN inhoudt dat verzoekende partij zich niet mag beperken VII-32.092-7/10 De voorliggende schorsingsvraag voldoet dermate apert niet aan de schorsingsvoorschriften, dat ze op het eerste gezicht overkomt als een kennelijk onrechtmatig verzoek in de zin van artikel 37 van de gecoördineerde wetten. Een verzoek derhalve dat nodeloos de normale activiteiten van Uw Raad verstoort. In elk geval zal de verzoekende partij, als rechtspersoon, persoonlijk geen last hebben van enige geur, stof of geluid. Anderzijds is, wat dat betreft, het belang van de omwonenden en/of inwoners van de gemeente of de stad niet het persoonlijk belang van de verzoekende partij zelf. De verzoekende partij verduidelijkt niet hoe, in redelijkheid, haar algemeen stedenbouwkundig beleid op onherstelbare wijze in het gedrang zou kunnen komen door de activiteiten van tussenkomende partij op een perceel van hoop en al 1 ha 8 a 59 ca en waarvoor alsnog slechts een bouwvergunning bestaat tot 21 augustus 2005, op welk ogenblik dat met de bestreden vergunning toegelaten activiteiten zullen moeten stopgezet worden mocht inmiddels de stedenbouw- kundige vergunning niet hernieuwd worden. De verzoekende partij toont in geen enkel opzicht aan hoe de mineure activiteit van de tussenkomende partij het haar onmogelijk zou maken het door haar uitgestippelde ruimtelijke ordeningsbeleid - in zover het wettelijk is - verder na te streven en te realiseren en/of haar Het valt op dat de verzoekende partij in het verleden helemaal niet dezelfde bekommernis blijkt gehad te hebben als zij nu in de zaak van de tussenkomende partij beweert wetshalve te moeten nastreven. Haar bekommernis voor de goede ruimtelijke ordening en de realisatie van een geluid- en stofloze omgeving heeft de verzoekende partij in het verleden niet belet om rondom het bedrijf van de tussenkomende partij vergunningen te verlenen voor activiteiten die op zijn minst even hinderlijk zijn qua stof en geluid als de activiteit van tussenkomende partij. Het volstaat een blik te werpen op de stukken 9 en 10 om vast te stellen dat in het verleden vergunningen werden verleend aan een arduin- en natuursteenbe- drijf (het zagen van natuursteen veroorzaakt een aanzienlijk lawaai), aan de bouwstoffenmaterialen Verhelst uit Oudenburg, het metaalverwerkend bedrijf Maertens, enz. Nu kan er op de site van de tussenkomende partij plots blijkbaar zelfs geen slotklooster meer, want de nonnen zouden wel eens kunnen beginnen zingen ... De verzoekende partij liet zelfs een computerwinkel toe, een zuivere handelszaak, waarvan men zich afvraagt wat die in een nijverheidszone komt doen. Toen de gemeente Zedelgem de milieuvergunning voor de uitbreiding van een textielveredelingsbedrijf hoopte geschorst te zien, kreeg ze als antwoord : Niet alleen valt het ingeroepen nadeel samen met het (ongeoorloofd) belang waarop de verzoekende partij zich beroept, als nadeel bestaat het niet eens en is het alleszins niet moeilijk te herstellen"; VII-32.092-8/10 3.4.
- Overwegende dat de tussenkomende partij terecht doet gelden dat de verzoekende partij, als stad, zelf geen geur-, stof- of geluidshinder kan ondergaan; dat, daarenboven, de verzoekende partij in gebreke blijft concrete elementen aan te voeren waaruit zou blijken dat de hinder veroorzaakt door de exploitatie van de betrokken inrichting een zeer ernstige hinder zal teweeg brengen, die het voor een nijverheidszone aanvaardbaar niveau zal overstijgen; dat het standpunt van de verzoekende partij dat de bestemmingsvoorschriften van het bijzonder plan van aanleg nr. 103 zouden zijn overschreden - daargelaten de vraag of dit in casu wel zo is- nog geen bewijs vormt dat de inrichting een ernstige hinder zal teweegbrengen; 3.4.
- Overwegende, wat de door de verzoekende partij aangevoerde hypothekering van de toekomstige bestemming van het betrokken perceel betreft, dat zij nergens aangeeft welke concrete plannen zij met de nijverheidszone heeft, noch aanduidt op welke wijze de vergunde exploitatie, die een oppervlakte van ongeveer 1 ha beslaat, de toekomstige bestemming van het betrokken perceel of van de nijverheidszone zou hypothekeren; 3.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij niet heeft aangetoond dat de exploitatie van de vergunde inrichting haar een ernstig nadeel zal berokkenen; dat derhalve aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, zonder dat de door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van de vordering moet worden onderzocht, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. Aannemingen PENNINCK in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. VII-32.092-9/10 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juli tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-32.092-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.692 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.614 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.