id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.724 Rolnummer: A. 153535/VII-32413 Zaak: Arrest 133724 - - 09/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-15 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 08:11 Fiche Arrest nr 133.724 van 9 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 133.724 van 9 juli 2004 in de zaak A. 153.535/VII- 32.413 In zake :
- XXX,
- XXX, verblijvende te Z., Centrum INAD Nationale Luchthaven Zaventem Pier B, niveau aankomst tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van XXX nationaliteit, op 9 juli 2004 om 24.30 u. per fax hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 juli 2004, houdende bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens; Gezien het verzoekschrift dat door dezelfde partijen op hetzelfde ogenblik werd ingediend en dat strekt tot het horen bevelen van voorlopige maatregelen; Gelet op de beschikking van 9 juli 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 juli 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 9 juli 2004 om 10 uur; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-32.413-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. KILOLO MUSAMBA, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen kwamen België voor de eerste maal binnen op 30 maart
- Zij zeggen dat zij terugkeerden naar hun land van herkomst en op 28 augustus 2002 opnieuw naar België kwamen, dat zij na verloop van hun verblijfsduur opnieuw naar hun land van herkomst terugkeerden en daarna op 22 januari 2003 opnieuw in België zijn aangekomen. 1.
- Op 8 juli 2004 nam de minister van Binnenlandse Zaken de thans bestreden beslissingen, op grond van artikel 7, eerste lid, 2/ lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) omdat de verzoekende partijen langer in het Rijk verbleven dan de overeenkomstig artikel 6 van deze wet bepaalde termijn van drie maanden. Er werd aan de verzoekende partijen bevel gegeven om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Zij werden teruggeleid naar de grens en te dien einde van hun vrijheid beroofd. De gedwongen repatriëring is voorzien op vrijdag 9 juli 2004 om 12.10 u. 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen een enig middel aanvoeren dat gebaseerd is op de schending van de motiveringsplicht zoals neergelegd in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en zij voeren ook de schending van VII-32.413-2/5 de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (E.V.R.M.), ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, en van het gelijkheidsbeginsel aan; Overwegende dat de bestreden beslissingen zijn gesteund op artikel 7, eerste lid, 2/ van de Vreemdelingenwet, waarvan de tekst als volgt luidt: "Onverminderd de meer voordelige bepalingen vervat in een internationaal verdrag, kan de Minister of zijn gemachtigde de vreemdeling die noch gemachtigd noch toegelaten is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk of om er zich te vestigen, bevel geven het grondgebied vóór een bepaalde datum te verlaten: ( ... ) 2/ wanneer hij langer in het Rijk verblijft dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn of er niet in slaagt het bewijs te leveren dat deze termijn niet overschreden werd,"; Overwegende dat de verzoekende partijen niet betwisten dat zij niet meer over de vereiste machtiging beschikken om op het grondgebied te verblijven; dat artikel 7, tweede en derde lid van diezelfde wet bepalen: "Zo de Minister of zijn gemachtigde het nodig acht, kan hij, in dezelfde gevallen, de vreemdeling zonder verwijl naar de grens doen terugleiden. Te dien einde kan de vreemdeling opgesloten worden voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel zonder dat de duur van de hechtenis twee maanden te boven mag gaan." dat in toepassing van deze bepalingen de verzoekende partijen werden teruggeleid naar de grens en opgesloten; Overwegende dat de bestreden beslissingen voldoende steun kunnen vinden in de hierboven geciteerde bepalingen, en de motivering, die op het eerste gezicht correct blijkt, daarop is gebaseerd; Overwegende dat de verzoekende partijen stellen dat de bestreden beslissingen niet afdoende zijn gemotiveerd vermits geen rekening gehouden wordt met de gezondheidstoestand van de tweede verzoekende partij, dat deze diende onderzocht te zijn door een arts, wat blijkbaar niet gebeurde, dat zij om medische redenen niet op het vliegtuig kan worden gezet en dat repatriëring voor haar het overlijden of een ernstige handicap zou kunnen betekenen; Overwegende dat uit niets evenwel blijkt dat de verzoekende partijen aan de verwerende partij een medisch attest hebben voorgelegd waaruit de medische problemen bleken, of dat zij zelfs maar een verklaring in die zin hebben afgelegd; dat het behoorlijk handelen van een overheid niet veronderstelt dat zij ervan uit gaat dat er medische problemen kunnen rijzen n.a.v. een repatriëring; dat het aan de verzoekende partijen is om dat aan te VII-32.413-3/5 tonen, waarna de overheid daar een passend gevolg aan moet geven; dat bij gebrek aan overtuigingsstukken dat er inderdaad een medisch probleem is, niet kan besloten worden tot de schending van de artikelen 3 en 8 van het E.V.R.M.; Overwegende dat de verzoekende partijen ook de schending van het gelijkheidsbeginsel inroepen; dat zij beweren ongelijk behandeld te zijn t.o.v. een andere rechtsonderhavige; Overwegende dat er echter geen gelijkheid in de onwettigheid is; dat als de verzoekende partijen niet in de voorwaarden verkeren om nog langer op het grondgebied te verblijven dat volstaat om hen het bevel te geven het grondgebied te verlaten, ook al is aan anderen een dergelijk bevel niet gegeven; dat het aangevoerde middel bijgevolg niet ernstig is; 2.
- Overwegende dat er geen wettelijk of reglementair voorschrift bestaat waarop de verzoekende partijen kunnen steunen om de persoonlijke verschijning voor de Raad van State te vragen;
- Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen; dat bijgevolg het verzoek tot het horen bevelen van voorlopige maatregelen eveneens moet worden verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het verzoek tot het horen bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. VII-32.413-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juli tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-32.413-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.724 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.