← België

Arrest 133736 - - 09/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.736 Rolnummer: A. 82711/XII-1887 Zaak: Arrest 133736 - - 09/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-12 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 08:11 Fiche Arrest nr 133.736 van 9 juli 2004 - Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.736 van 9 juli 2004 in de zaak A. 82.711/XII-

  1. In zake : Lutgart DE VOCHT, die woonplaats kiest bij advocaat J. Robbroeckx, kantoor houdende te Antwerpen-Wilrijk, Jules Moretuslei 374-376 tegen : de GEMEENTE DUFFEL. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Lutgart DE VOCHT op 1 maart 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 oktober 1998 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Duffel tot indienstneming van zeven stagiairs-brandweerlieden voor de gemeentelijke vrijwillige brandweerdienst; Gelet op het arrest nr. 81.434 van 29 juni 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen en de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld; Gelet op het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 18 augustus 1999 ingediend door verzoekster; Gezien de memorie van antwoord en de memorie van wederant- woord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 10 februari 2004, die de neerlegging ter griffie van dat verslag en van het dossier gelast; XII-1887-1/3 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan verzoekster op 12 februari 2004; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op de kennisgeving aan verzoekster, op grond van artikel 14quater, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij zij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; Overwegende dat verzoekster niet heeft gevraagd om te worden gehoord; Overwegende dat in het auditoraatsverslag de verwerping van het beroep wordt voorgesteld; dat de hoofdgriffier bij de kennisgeving van het auditoraatsverslag aan verzoekster melding heeft gemaakt van artikel 21, zesde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 14quater, § 1, van voornoemd besluit van de Regent; Overwegende dat overeenkomstig voormeld artikel 21, zesde lid, ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, binnen een termijn van 30 dagen die ingaat met de betekening van het verslag van de auditeur waarin de verwerping van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient; dat, voorts, gelet op het artikel 84, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948, dit verzoek bij ter post aangetekende zending aan de Raad van State moet worden toegestuurd; dat het vereiste er toe strekt het verzoek een vaste of onbetwistbare datum te geven; dat het dan ook de datum van de aantekening ter post is die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de tijdigheid van het verzoek; Overwegende dat te dezen geen ter post aangetekend schrijven verzoeksters verzoek tot voortzetting, in de laatste memorie, een vaste datum verschaft binnen de termijn van dertig dagen, gesteld in voornoemd artikel 21, zesde lid; dat krachtens die wetsbepaling ten aanzien van verzoekster een vermoeden van afstand van het geding geldt, XII-1887-2/3 BESLUIT: Artikel
  2. De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
  3. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juli 2004, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-1887-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.736 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.81.434 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.