id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.779 Rolnummer: A. 126116/XIV-15463 Zaak: Arrest 133779 - - 12/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-28 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 08:12 Fiche Arrest nr 133.779 van 12 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.779 van 12 juli 2004 in de zaak A. 126.116/XIV-15.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 18 januari 1957 en van Joegoslavische nationaliteit, op 29 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 juli 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 mei 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 17 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-15.463-1/7 Gelet op de beschikking van 30 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 5 mei 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gelet op de persoonlijke verschijning van de verzoekende partij; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. LANDUYT, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 14 mei 2002 en verklaart zich vluchteling op dezelfde datum. 1.
- Op 23 mei 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenland- se Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 30 juli 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren.(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde een Gorani te zijn, afkomstig uit Prizren (Kosovo) en de Joegoslavische nationaliteit te bezitten. Sinds 1986 woonde u met uw gezin in Belgrado (Servië). Na het begin van de NAVO-bombardementen (maart 1999) kreeg u provocaties en doodsbedreigingen omwille van uw etnische origine. In februari 1999 kwamen leden van het Joegoslavische leger uw zoon zoeken om hem te mobiliseren. Na dit bezoek dook uw zoon onder bij uw zus in Belgrado. Nadien kreeg u nog meerdere keren leden van het Joegoslavische leger over de vloer die ermee dreigden u te mobiliseren als uw zoon zich niet aanbood. Daarop besloot u zich ook bij uw zus te verschuilen. Bij de daaropvolgende huiszoekingen door het leger werden uw XIV-15.463-2/7 echtgenote en dochter bedreigd en vernederd. Ze werden ook het slachtoffer van provocaties van andere burgers. Na de NAVO-bombardementen werd u op 15 juni 1999 ontslagen omwille van uw etnische afkomst. In september 1999 werd uw zoon XXX op straat door de politie gearresteerd na een identiteitscontrole. Hij werd gedurende vijf dagen ernstig mishandeld met het doel hem een gedwongen bekentenis te doen afleggen. Na vijf dagen werd hij door de politie op straat achtergelaten. U diende hem thuis te verzorgen omdat de dokter dit weigerde. De politie had geen oren naar uw klachten. Begin 2000, toen uw zoon hersteld was, verliet u Belgrado. U bereikte Prizren op 10 januari
- Uw dochter startte op 5 mei 2000 als presentatrice bij Radio Prizren. Omdat u geen Albanees sprak, werd u vanaf eind 2000 meermaals het slachtoffer van verbale provocaties en bedreigingen door medeburgers. Begin november 2001 zetten collega's van uw dochter ultranationalistische muziek op tijdens haar programma om haar in opspraak te brengen. Eind november ontving ze een dreigtelefoon. Kort daarna werd ze op straat gefotografeerd door drie etnische Albanezen die haar met de dood bedreigden. In december 2001 trachtten vier etnische Albanezen haar in een auto te sleuren. Ze lieten haar echter gaan toen een wagen van KFOR opdaagde. U diende klacht in bij KFOR, die echter verklaarde geen persoonlijke bescherming te kunnen bieden. Op 8 maart 2002 stormden drie gewapende etnische Albanezen uw huis binnen. U werd mishandeld, net zoals uw echtgenote, uw dochter en uw zoon die even later de woning binnenkwam. De Albanezen gaven u één maand om Kosovo te verlaten, zoniet zouden u en uw gezin worden omgebracht. U verliet Kosovo samen met uw echtgenote, zoon en dochter op 2 april
- In Montenegro werd u gescheiden van uw zoon. U bereikte België op 14 mei 2002 en diende er nog dezelfde dag een asielaanvraag in. Ter staving van uw asielaanvraag legde u volgende documenten neer: uw Joegoslavische geboorteakte, uitgereikt te Dragash op 14 oktober 1994, de Joegoslavische geboorteakte van uw echtgenote, uitgereikt te Prizren op 27 mei 1999, uw Joegoslavische huwelijksakte, uitgereikt te Dragash op 14 oktober 1994, uw identiteitskaart en die van uw echtgenote, beide uitgereikt door UNMIK te Pristina op 30 augustus 2001, uw Joegoslavisch rijbewijs, enkele diploma's en drie certifikaten ter bevestiging van de etnische origine (Gorani) van uzelf, uw echtgenote en uw dochter, alle drie uitgereikt door UNMIK te Dragash op 7 augustus
- Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat u uw land van herkomst heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of alsnog een dergelijke vrees dient te hebben bij een eventuele terugkeer naar Joegoslavië. Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (Report on the activities of the CDHRF and the Committee for Understanding, Tolerance and Coexistence in the period of January-March 2002) blijkt immers dat de vrij omvangrijke Goranigemeenschappen in en rond Prizren er zonder noemenswaardige problemen kunnen leven en werken en er volledige bewegingsvrijheid hebben in de wijken en dorpen waar ze wonen. Dit is een gevolg van het feit dat onder meer in Prizren de situatie van de etnische minderheden in het algemeen en van de Gorani in het bijzonder sinds verschillende maanden aanzienlijk verbeterd is. In de gemeente Dragash, die grenst aan de gemeente Prizren en waar de Goranigemeenschap 32 % van de bevolking uitmaakt, blijkt zelfs op economisch vlak (werkgelegenheid) nauwelijks discriminatie plaats te vinden. Daarenboven zijn de vermelde incidenten waarbij enkele individuele Albanese burgers u en uw gezinsleden hebben bedreigd, gebeurtenissen van louter interpersoonlijke aard (tussen privé- personen), zodat deze als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingen- conventie vallen. U haalde hierbij ook geen elementen aan waaruit blijkt dat de (nieuwe) lokale autoriteiten hierbij betrokken geweest zouden zijn of dat u om één van de redenen voorzien in voornoemde Conventie van Genève geen beroep zou kunnen doen op de bescherming van deze lokale overheden of van de terplaatse aanwezige internationale autoriteiten, hetgeen u - luidens uw verklaringen - overigens slechts eenmaal deed (verhoorverslag CGVS p. 12). Het feit dat KFOR u na die ene klacht niet onmiddellijk kon helpen wegens gebrek aan middelen kan geenszins gelijk gesteld worden met enige onwil u de nodige bescherming te bieden. De internationale gemeenschap in Kosovo kijkt trouwens zeer nauwlettend toe op de stabilisering van de regio en heeft een uitgebreide politionele en administratieve structuur opgebouwd met het doel de orde en veiligheid in Kosovo te handhaven en de inter-etnische verhoudingen opnieuw te normaliseren. Volgens bovengenoemde informatie werden op dit vlak in de regio Prizren-Dragash reeds belangrijke positieve resultaten geboekt. Wat de door uw echtgenote, XXX, uw dochter XXX en uw zoon XXX ingediende dringende beroepen betreft, dient te worden opgemerkt dat door mij eveneens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen werd. (...).”.
- Overwegende dat de verwerende partij ter zitting een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt wegens het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang, XIV-15.463-3/7 omdat de verzoekende partij een tweede asielaanvraag heeft ingediend, terwijl tegen de eerste asielaanvraag nog een procedure hangende is voor de Raad van State; Overwegende dat een dergelijke exceptie maar in één geval gegrond is, met name wanneer de tweede asielaanvraag ontvankelijk wordt verklaard en de eerste onontvankelijk werd verklaard; dat de verzoekende partij haar belang niet verliest door het indienen van een tweede asielaanvraag, vermits in de regel de tweede asielaanvraag en de volgende asielaanvragen die worden ingediend, in het verlengde liggen van en/of een aanvulling, precisering, nadere uitwerking zijn van de vorige asielaanvragen, zodat in het belang van de rechtszekerheid en van de asielzoeker, hij het antwoord moet kennen op de ingeleide procedures voor de Raad van State betreffende de verschillende asielaanvragen; dat er anders over oordelen neerkomt op een “ketting” van asielaanvragen waartegen telkens een procedure voor de Raad van State wordt ingeleid die nooit wordt behandeld, omdat volgens een bepaalde rechtspraak het belang verloren gaat bij de vorige procedures wanneer opeenvolgende asielaanvragen worden ingediend, waarbij de asielzoeker van een dergelijke praktijk misbruik kan maken, vermits de Raad van State in theorie zich nooit zal uitspreken; dat dit niet strookt met de bedoeling van de wetgever en dat bijgevolg de exceptie van de verwerende partij wordt verworpen;
- Overwegende dat verzoeker een enig middel afleidt uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), en de artikelen 48, 49, 51 en 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); 3.
- Overwegende dat verzoeker niet aantoont hoe en waarom de artikelen 48 en 49 van de Vreemdelingenwet werden geschonden; dat hetzelfde geldt voor de beweerde schending van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, zodat dit onderdeel van het enig middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat, wat de ingeroepen motiveringsplicht betreft, verzoeker niet aantoont dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werden geschonden, temeer daar uit zijn middel blijkt dat hij de motieven van de bestreden beslissing kent; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 3.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op grond van zijn in artikel 52 van de Vreemdelingenwet vervatte appreciatiebe- XIV-15.463-4/7 voegdheid tot de kennelijke ongegrondheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten, omdat verzoeker “onvoldoende feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat (...) (hij) zijn land van herkomst heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of alsnog een dergelijke vrees dient te hebben bij een eventuele terugkeer naar Joegoslavië”; dat de Commissaris-generaal tot dit besluit komt op grond van de volgende vaststellingen: - uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat de vrij omvangrijke Goranigemeenschappen in en rond Prizren er zonder noemenswaardige problemen kunnen leven en werken en er volledige bewegingsvrijheid hebben in de wijken en dorpen waar ze wonen; - de vermelde incidenten waarbij enkele individuele Albanese burgers verzoeker en zijn gezinsleden hebben bedreigd, zijn gebeurtenissen van louter interpersoonlijke aard (tussen privé-personen), die als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingencon- ventie vallen. Verzoeker haalt geen elementen aan waaruit blijkt dat de (nieuwe) lokale autoriteiten hierbij betrokken geweest zouden zijn of dat hij om één van de redenen voorzien in de Vluchtelingenconventie geen beroep zou kunnen doen op de bescherming van deze lokale overheden of van de ter plaatse aanwezige internationale autoriteiten, hetgeen verzoeker - luidens zijn verklaringen - slechts éénmaal deed; - inzake de asielaanvragen van verzoekers echtgenote, zoon en dochter werd eveneens een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen; Overwegende dat verzoeker de bevindingen van de Commissaris- generaal met betrekking tot de toestand van de GORANI-gemeenschap in en rond PRIZREN tracht te weerleggen door te verwijzen naar eigen informatie, waaruit zou blijken dat de werkelijke situatie van de GORANI-gemeenschap niet strookt met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; dat verzoekers argumentatie evenwel niet van aard is om dit doorslaggevend motief van de bestreden beslissing te ontkrachten, daar hij vooreerst nalaat te preciseren op welke bronnen hij zich baseert, wat de betrouwbaarheid van de door hem verstrekte gegevens aantast; dat het bovendien niet volstaat de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt in twijfel te trekken zonder ook maar één concreet element aan te brengen dat die twijfel rechtvaardigt; dat verzoeker vervolgens verwijst naar andere dossiers waar het probleem van de Gorani wel werd erkend; dat een verwijzing naar de situatie van andere Gorani evenwel niet aantoont dat verzoeker een persoonlijke vrees voor vervolging dient te koesteren in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de Commissaris- generaal rekening houdt met individuele vervolgingsfeiten om te besluiten of de betrokkene al dan niet een gegronde vrees voor vervolging dient te koesteren in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat verzoeker ten slotte aanvoert dat de bedreiging door de Albanezen geen probleem van interpersoonlijke aard is maar “een zoveelste incident in et(h)nische spanningen en moeilijkheden waarover hij duidelijk uitleg gaf”; dat dit onderdeel van verzoekers middel een letterlijke overname is van de motivering van de bestreden beslissing, waarbij verzoeker zich hoofdzakelijk baseert op het ontkennen van het motief XIV-15.463-5/7 zonder concrete elementen aan te brengen die zijn beweringen staven; dat hij niet aantoont dat hij geen beroep zou kunnen doen op de bescherming van de ter plaatse aanwezige internationale autoriteiten; dat zijn argument dat KFOR enkel ondervraagt en niets meer, een loutere bewering is; dat verzoekers argumentatie derhalve de motivering van de bestreden beslissing, die deugdelijk, pertinent en afdoende is, niet weerlegt; Overwegende dat verzoeker ten slotte aanvoert dat het feit “dat in de motivatie staat dat er geen nieuwe elementen worden aangebracht, terwijl deze er duidelijk zijn, (...) een schending uit(maakt) van de boven vermelde wetsartikelen”; dat een dergelijk motief niet is terug te vinden in de bestreden beslissing, zodat dit argument van verzoeker een stijlformule is, die in bijna alle verzoekschriften ingediend door Advocaat F. LANDUYT voorkomt; dat een dergelijk argument geen ontvankelijk onderdeel van een middel uitmaakt omdat dit motief berust op een foutieve lezing van de bestreden beslissing, lezing die haaks staat op verzoekschriften die met de nodige ernst worden ingediend bij de Raad van State; dat de tijd is aangebroken om voornoemde passus uit de verzoekschriften weg te laten; 3.
- Overwegende dat verzoeker de door de Commissaris-generaal weerhouden motieven niet weerlegt; dat hij geen concrete elementen aanvoert die wijzen op het bestaan van een gegronde vrees voor systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve in redelijkheid kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond is; dat het enig middel, in zoverre het ontvankelijk is, ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-15.463-6/7 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-15.463-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.779 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.