← België

Arrest 133781 - - 12/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.781 Rolnummer: A. 100173/XIV-1853 Zaak: Arrest 133781 - - 12/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-28 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 08:13 Fiche Arrest nr 133.781 van 12 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.781 van 12 juli 2004 in de zaak A. 100.173/XIV-1853. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 20 oktober 1973 en van Oezbeekse nationaliteit, op 6 februari 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 januari 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 1 februari 2001; Gelet op de beschikking van 28 maart 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-1853-1/7 Gelet op de beschikking van 3 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 2 juni 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN die, loco Advocaat K. HINNEKENS verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat C. DECORDIER die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 4 januari 2001 en verklaart zich vluchteling op 8 januari 2001. 1.2. Op 8 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 30 januari 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 24 januari 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is. Betrokkene, Oezbeeks staatsburger van Russische origine, verliet haar land op 28 december 2000. Op 4 januari 2001 kwam ze in België aan waar ze vier dagen later het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. Betrokkene is niet in het bezit van een geldig internationaal paspoort. Volgens haar verklaringen voor het Commissariaat-generaal van 24 januari 2001 verliet ze haar land omdat ze er omwille van haar Russische origine problemen kende met de Oezbeekse autoriteiten en etnische Oezbeken. In 1998 werd ze ontslagen omwille van haar Russische etnie. Ze vond nadien opnieuw werk. Na de bomaanslagen in Tashkent van 16 februari 1999 kreeg ze op het werk een dienstnota waarin opgeroepen werd om de daders zo snel mogelijk te vatten. Op 20 februari 1999 werd ze bij haar baas geroepen. Die was in het gezelschap van één man in uniform en één man in burger. Haar baas vroeg om uit het personeelsbestand een aantal dossiers uit te kiezen van jonge Oezbeekse mannen om als zondebok voor de aanslagen te gebruiken zodat haar baas de eer voor de arrestatie van de zogenaamde bommenleggers kon opstrijken. Betrokkene weigerde dit te doen en werd bedreigd en beledigd. Nadien volgde de man in uniform haar tot in haar bureau en bedreigde haar en haar kinderen. Op 25 februari 1999 gaf haar baas haar drie namen. Ze moest die drie dossiers aan hem geven. Half maart kreeg ze mondelinge bedreigingen. Nadien kwam ze op het parket de XIV-1853-2/7 man van de Oezbeekse staatsveiligheid tegen toen ze daar post voor het bedrijf ging ophalen. Dezelfde dag kwamen er paspoortcontroleurs aan haar deur. Ze waren geïnteresseerd in het aantal mensen dat in haar appartement woonde en in haar ex-man. Nadien kreeg ze het gevoel geschaduwd te worden en kreeg ze ook dreigtelefoontjes dat ze moest zwijgen over de dossiers. Betrokkene diende hiervan (voor) geen klacht in. In april 1999 werd haar zoon op school afgeranseld omwille van zijn Russische origine. De moeder van één van de mensen waarvan ze het dossier had moeten opvragen kwam haar in mei 1999 op haar werk bezoeken voor een aanbevelingsbrief. Haar zoon werd verschillende keren opgepakt wegens vermeende betrokkenheid bij de bomaanslagen. Van juni 1999 tot augustus 1999 was ze ziek en in september 1999 begon ze opnieuw te werken. Op 11 september ging ze terug werken en kreeg ze te horen dat de moeder die haar reeds in mei 1999 had bezocht, verschillende keren was langsgeweest en haar een verklikster had genoemd. Ze vertelde dit tegen haar baas van Koreaanse origine maar die zei daar niets op. Rond 9 oktober 1999 werden er scheldwoorden op haar deur aangebracht en ontving ze dreigbrieven dat de Russen moesten ophoepelen. Ze diende hierover (voor) klacht in maar de wijkagent wilde haar niet helpen. Begin november 1999 nam ze contact op met haar vroeger(

  1. e)baas om te weten wie haar beschuldigde. Haar ex- baas vertelde haar dat het te laat was en dat ze Oezbekistan moest verlaten. Haar ex-baas eiste later ook van haar dat ze onderdak zou bieden aan een familielid van hem en dat haar problemen dan zouden stoppen. Sinds begin december 1999 kwam het familielid van haar ex-baas regelmatig bagage-tassen bij haar opslaan. Nadien beledigde hij ook betrokkenes kinderen en gedroeg hij zich als een bullebak. Ze diende daar klacht van (voor) in. In juli 2000 werd ze samen met haar vriend opgepakt. In augustus 2000 zou het familielid van haar ex-baas de inhoud van zijn tassen aan betrokkene getoond hebben. Er zouden pamfletten en kogels ingezeten hebben. Ze zou daarvan (voor) klacht hebben ingediend bij de politie maar die wilde haar niet helpen. Na augustus 2000 verdween de persoon. Op 5 september werd ze afgeranseld door twee Oezbeken. Na dat incident ging ze niet meer naar huis en ging ze bij kennissen en een familielid wonen. Voor 20 oktober 2000 kreeg ze een oproeping van de politie. Ze meldde zich aan en kreeg te horen dat haar klacht in verband met de aanval van 5 september geseponeerd was. Nadien zou ze de mogelijkheid gezocht hebben om het land te verlaten. Op 28 december 2000 verliet ze dan in het gezelschap van haar twee minderjarige kinderen, XXX enXXX, Oezbekistan richting België. Er dient te worden opgemerkt dat er zware tegenstrijdigheden en ongerijmdheden zijn tussen de onderlinge verklaringen van betrokkene (verhoor Dienst Vreemdelingenzaken van 8 januari 2001 en interview voor het Commissariaat-generaal van 24 januari 2001) die toelaten de waarachtigheid ervan in twijfel te trekken. Zo verklaarde ze voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat er op 18 februari 1999 bomaanslagen plaatsvonden in Tashkent (DVZ, vraag 42) terwijl ze voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat dit op 16 februari 1999 was (CGVS, p 3). Ook verklaarde ze voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat toen ze bij haar baas geroepen werd in februari 1999 er ook een politieagent aanwezig was (DVZ, vraag 42). Tijdens haar interview voor het Commissariaat-generaal verklaarde ze dat er buiten de man in politie- uniform ook nog een agent van de Oezbeekse staatsveiligheid in burgerkledij aanwezig was (CGVS, p. 5). Tijdens haar interview op het Commissariaat-generaal verklaarde ze ook dat haar zoon op school omwille van zijn origine werd afgeranseld in april 1999 (CGVS, p. 9). Op de Dienst Vreemdelingenzaken vermeldt ze hier niets over. Op de vraag naar vervolging van familieleden (DVZ, vraag 47) maakt ze enkel gewag van problemen van haar ouders. Gezien de zwaarwichtigheid van dit in dringend beroep aangehaalde feit is het hoogst merkwaardig dat betrokkene dit niet in het uitgebreide verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken heeft vermeld. Op de Dienst vreemdelingenzaken verklaarde ze dat in juni 1999 de moeder van één van (
  2. de)mensen waarvan haar toenmalige baas het dossier had opgevraagd, om een aanbevelingsbrief van diens zoon kwam vragen (DVZ, vraag 42). Op het Commissariaat-generaal verklaarde ze echter dat de moeder in mei 1999 een aanbevelingsbrief kwam vragen en dat ze in juni tot augustus 1999 thuis was wegens ziekte tot ze op 11 september terug ging werken (CGVS, p. 8 & 9). Op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde ze ook dat haar ex-baas haar in september 1999 begon te telefoneren en haar tot ontslag wou dwingen (DVZ, vraag 42). Tijdens haar interview voor het Commissariaat-generaal verklaarde ze hierover niets, ze verklaarde enkel dat ze begin november 1999 zelf haar ex-baas opbelde om te vragen wie haar beschuldigde (CGVS, p. 10). Op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde ze ook dat ze in juni 2000 zelf in de zakken van haar gast keek om te weten wat hij daar achterliet (DVZ, vraag 42). Tijdens haar verhoor in dringend beroep verklaarde ze dat haar gast haar in augustus 2000 zelf liet zien wat hij meehad en dat ze daarvoor geen enkel idee had wat er in de zaken zat (CGVS, p. 13 & 16). Ook verklaarde ze op de Dienst Vreemdelingenzaken dat ze de politie niets durfde vertellen over de kogels (DVZ, vraag 42) terwijl ze voor het Commissariaat- generaal verklaarde dat ze wel over de kogels vertelde (CGVS, p. 14). In verband met het incident in september 2000 verklaarde ze voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat ze door drie personen werd aangevallen (DVZ, vraag 42) terwijl ze voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat het er twee waren (CGVS, p. 13). Deze tegenstrijdigheden ondergraven op fundamentele wijze de geloofwaardigheid van betrokkenes verklaringen. XIV-1853-3/7 Bovendien verbleef betrokkene na de laatste feiten, met name de aanval van 5 september 2000, nog tot 28 december 2000 in Oezbekistan zonder noemenswaardige problemen te kennen (CGVS, p. 14 & 15). Door dit langdurige verblijf na het laatste ernstige ingeroepen feit, kan er ernstig getwijfeld worden aan de door betrokkene ingeroepen vrees voor vervolging. Gelet op het voorgaande kan er in hoofde van betrokkene geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève, worden vastgesteld. De door betrokkene in het kader van haar asielaanvraag neergelegde documenten (geboorteaktes kinderen, geboorteakte betrokkene, huwelijksakte, vonnis rechtbank scheiding, medisch attest, diploma, werkboekje, dreigbrief, pamflet) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegd- heid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 8 januari 2001. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstan- digheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”. 2. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1. Overwegende dat verzoekster een eerste middel afleidt uit de schending van “art. 51/4 van de Vreemdelingenwet”; dat verzoekster aanvoert dat “een volledig Nederlandse procedure diende gevoerd te worden, hetgeen evenwel niet gebeurd is.”; dat een tolk Russisch-Frans werd aangewend bij het verhoor voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, daar waar het behoorde een tolk Russisch- Nederlands aan te wenden, nu het een Nederlandstalige procedure betreft, waarin luidens de wettekst het onderzoek in dezelfde taal als de procedure, namelijk de Nederlandse taal dient te gebeuren; dat verzoekster daaraan toevoegt dat het verhoor uiteraard tot het onderzoek van de zaak behoort, zodat het behoorde een bijkomende tolk Frans-Nederlands aan te wenden of een tolk Russisch-Nederlands; Overwegende dat uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan blijkt dat het verhoorverslag van het dringend beroep in het Nederlands werd geredigeerd en dat hiertoe een beroep werd gedaan op een tolk die het Russisch beheerst; dat niet blijkt dat buiten het Nederlands en het Russisch, een andere taal werd gebruikt; dat zelfs al mocht dit zo zijn, wat verzoekster niet bewijst, dit haar rechten niet schendt, aangezien zij geen van de drie landstalen kent; dat bovendien de enige beslissing die wordt bestreden voor de Raad van State die is van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 januari 2001; dat de schriftelijke nota’s genomen tijdens het verhoor voor het Commissariaat-generaal geen deel uitmaken van de bestreden beslissing, zodat zij niet voor nietigverklaring vatbaar zijn; dat zij hoogstens een voorbereidende handeling uitmaken, die niet voor annulatie vatbaar is; dat de bestreden beslissing in het Nederlands is geredigeerd zoals voorgeschreven door artikel 51/4, ingevoegd in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), door artikel 2 van de wet van 10 juli XIV-1853-4/7 1996; dat verzoekster niet aantoont belang te hebben bij het middel, vermits uit het administratief dossier blijkt dat zij geen opmerkingen heeft geformuleerd betreffende het vertaalwerk van de tolk; dat verzoekster niet aantoont dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden en dat er geen aanleiding is om een niet-gepreciseerde prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof; dat trouwens ter zitting van woensdag 2 juni 2004 op dit aspect van de zaak niet langer werd aangedrongen; dat het middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 2.2. Overwegende dat verzoekster een tweede middel afleidt uit de schending van “art. 39 § 1, 17 § 1, 57 en 58 van de Taalwet”; Overwegende dat verzoekster met de Taalwet de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken bedoelt; Overwegende dat artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet in een bijzondere en specifieke regeling voorziet op het taalgebruik inzake de asielprocedure; dat bijgevolg de artikelen waarvan verzoekster de schending aanvoert niet toepasselijk zijn, zodat het tweede middel faalt naar recht; 2.3. Overwegende dat verzoekster een derde middel afleidt uit de “schending van artikel 10 en 11 van de Belgische Grondwet door artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet”; Overwegende dat dit middel uitgaat van een niet bewezen hypothese met name dat de tolk de verklaringen van verzoekster niet heeft vertaald van het Russisch naar het Nederlands; dat de Raad van State in zijn wettigheidscontrole beperkt is tot wat zich in het administratief dossier bevindt, met name Nederlandstalige nota’s van het interview voor het Commissariaat-generaal die niet de bestreden beslissing uitmaken; dat bijgevolg het derde middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 2.4. Overwegende dat verzoekster een vierde middel afleidt uit de schending van “artikel 10 en 11 van de Belgische Grondwet door de artikelen 39 § 1, 17 § 1, 57 en 58 van de Taalwet”; Overwegende dat de “Taalwet” niet toepasselijk is, zodat voornoemde schending niet dienstig kan worden aangevoerd; 2.5. Overwegende dat verzoekster een vijfde middel afleidt uit de schending van “het motiveringsvereiste”; XIV-1853-5/7 Overwegende dat dit middel geen inhoudelijke kritiek inhoudt op de bestreden beslissing en uitgaat van een niet bewezen hypothese, met name dat de tolk niet voldeed aan de vereiste taalkennis, zodat het middel feitelijke grondslag mist en niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 2.6. Overwegende dat verzoekster een zesde middel afleidt uit de schending van de motiveringsplicht; Overwegende dat het behoort tot de vaste rechtspraak van de Raad van State dat het asielrelaas van een kandidaat-vluchteling coherent en duidelijk moet zijn; dat een asielrelaas dat niet is, wanneer het verschillende tegenstrijdigheden bevat; dat de Commissaris-generaal in de ontvankelijkheidsfase bevoegd is om de tegenstrijdigheden vast te stellen en te analyseren tussen de verklaringen afgelegd door de asielzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken en voor het Commissariaat-generaal; dat de wettelijke grondslag hiertoe ondermeer de artikelen 52, 63 en 63/3 van de Vreemdelingenwet zijn; Overwegende dat in de bestreden beslissing de Commissaris-generaal negen tegenstrijdigheden weerhoudt in de verklaringen afgelegd door verzoekster voor de verschillende asielinstanties; dat deze tegenstrijdigheden ernstig zijn en de geloof- waardigheid van het asielrelaas van verzoekster fundamenteel aantasten en ondermijnen, zoals in de bestreden beslissing op goede gronden wordt overwogen; dat deze tegenstrijdigheden niet te wijten zijn aan foutieve of onjuiste vertalingen; dat hoewel verzoekster dit beweert, zij desbetreffend geen begin van bewijs aanbrengt; dat zij evenmin aantoont dat er een “kennelijke fout in het noteren is gebeurd”; dat het zesde middel ongegrond is; 2.7. Overwegende dat verzoekster een zevende middel afleidt uit de “schending van art. 63 en art. 63/3 van de Vreemdelingenwet”; Overwegende dat verzoekster in dit middel enkel een deel van de bestreden beslissing aanhaalt waarin voornoemde tegenstrijdigheden worden opgesomd en uitgewerkt; dat het zevende middel bijgevolg onontvankelijk is; 2.8. Overwegende dat verzoekster een achtste middel afleidt uit de “schending van artikel 52, juncto 63/2 en 63/3 van de Vreemdelingenwet”; Overwegende dat verzoekster in dit middel opnieuw de motivering van de bestreden beslissing herhaalt waarin de tegenstrijdigheden in de verklaringen van verzoekster worden weergegeven en geanalyseerd; dat niet wordt gepreciseerd waarom en hoe voornoemde bepalingen worden geschonden, zodat het achtste middel onontvankelijk is; XIV-1853-6/7 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-1853-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.781 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.