← België

Arrest 133787 - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen - 12/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.787 Rolnummer: A. 148454/XII-4076 Zaak: Arrest 133787 - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen - 12/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-19 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-07-04 08:13 Fiche Arrest nr 133.787 van 12 juli 2004 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.787 van 12 juli 2004 in de zaak A. 148.454/XII-

  1. In zake : het GEMEENTELIJK AUTONOOM PARKEERBEDRIJF ANTWERPEN, dat woonplaats kiest bij advocaat E. Van Hooydonck, kantoor houdende te Antwerpen, Emiel Banningstraat 23 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat het Gemeentelijk Autonoom Parkeerbedrijf Antwerpen op 5 maart 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 13 februari 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken waarbij de beslissing van 2 juli 2003 van zijn raad van bestuur houdende het personeelsstatuut en het arbeidsreglement vernietigd wordt; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; XII-4076-1/6 Gelet op de beschikking van 28 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Cloots, die loco advocaat E. Van Hooydonck verschijnt voor verzoeker, en van advocaat N. De Clercq, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Thys; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker tot doel heeft het ontwikkelen, beheren en exploiteren van parkeergelegenheden op het grondgebied van de stad Antwerpen; dat bij beslissing van 2 juli 2003 zijn raad van bestuur het personeelsstatuut en het arbeidsreglement vaststelt; dat de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken op 25 november 2003 het besluit in zijn uitvoering schorst; dat de raad van bestuur op 13 januari 2004 de beslissing van 2 juli 2003 gemotiveerd rechtvaardigt, behoudens wat een aantal bezwaren van de Vlaamse minister betreft waaraan hij zich voorneemt tegemoet te komen; dat de Vlaamse minister de beslissing van 2 juli 2003 op 13 februari 2004 vernietigt om reden van de strijdigheid met de Grondwet, de beginselen van behoorlijk bestuur, het gelijkheidsbeginsel, het objectiviteitsbeginsel, de zorgvuldigheidsplicht, de sectorale akkoorden afgesloten in het bevoegde Comité C1, het algemene beleid van de Vlaamse regering en het algemeen belang; dat de bezwaren concreet betreffen :
  3. de afwezigheid in het personeelsstatuut van regelingen ter objectivering van de wervingen,
  4. de vereiste in het personeelsstatuut van een diploma lager secundair onderwijs of daarmee gelijkgesteld onderwijs voor een betrekking in niveau D,
  5. de vereiste in het personeelsstatuut van een bijkomend functioneringsgesprek wanneer een medewerker tijdens het evaluatiegesprek ongunstig is beoordeeld, “ongeacht een XII-4076-2/6 gunstige beoordeling in beroep”,
  6. de niet-overeenstemming van het hoofdstuk in het personeelsstatuut in verband met de loopbaanonderbreking met de regeling die in de lokale sector van toepassing is,
  7. de vereiste in het arbeidsreglement voor de werknemer om te allen tijde tijdens de dienstbetrekking op vraag van de werkgever een attest van goed gedrag en zeden voor te leggen,
  8. de regeling in het arbeidsreglement van de eindejaarspremie en
  9. de “eigenaardige” bepaling in artikel 14 van het arbeidsreglement aangaande de daar bedoelde vrijgevigheden; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, met betrekking tot de tweede voorwaarde, dat verzoeker een dubbel nadeel aanvoert; dat hij eensdeels doet gelden dat de bestreden beslissing de dringend nodige aanwervingen van enkele hooggekwalificeerde leidinggevende werknemers verhindert doordat het hem onmogelijk wordt gemaakt om marktconforme loon- en arbeidsvoorwaarden aan te bieden; dat hij anderdeels betoogt dat de bestreden beslissing hem met zijn bestaand personeel in een toestand van volslagen rechtsonzekerheid doet terechtkomen; Overwegende, aangaande het eerste nadeel, dat de bestreden beslissing op zeven punten ingaat tegen het personeelsstatuut en het arbeidsreglement waartoe verzoeker op 2 juli 2003 besloot; dat alvast vier van de zeven tegenwerpingen niet geacht kunnen worden verzoeker danig te bezwaren, aangezien hij in zijn besluit van 13 januari 2004 aankondigde het personeelsstatuut en het arbeidsreglement in dier voege te zullen wijzigen dat aan de bezwaren tegemoet gekomen werd; dat het gaat om de hoger sub 3, 4, 5 en 7 vermelde bezwaren; XII-4076-3/6 Overwegende dat dan weer de onder 1 en 2 bedoelde bezwaren geen voldoende nauw verband vertonen met de onmogelijkheid om in aangepaste, marktconforme loon- en arbeidsvoorwaarden te voorzien voor “enkele hooggekwalificeerde leidinggevende werknemers”, inzonderheid de leidinggevende algemene ondersteuning en de leidinggevende technische cel; dat de bezwaren niet nuttig bij het besproken nadeel betrokken kunnen worden; Overwegende dat bij de genoemde onmogelijkheid het bestreden besluit wél een rol speelt in zoverre het op het zesde bezwaar is gesteund; dat echter, anders dan verzoeker beweert, dat bezwaar er niet op neerkomt dat “de toezichthoudende overheid zich bijv. op grond van de sectorale akkoorden tegen het toekennen van een dertiende maand aan het personeel [verzet]”; dat blijkens het bezwaar, de toezichthoudende overheid de eindejaarspremie waarin verzoekers arbeidsreglement voorziet alleen bekritiseert in de mate waarin de regeling ervan verschilt van die van de eindejaarstoelage in de sectorale akkoorden afgesloten in de onderafdeling Vlaams Gewest en Vlaamse Gemeenschap van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (Comité C1); dat niet wordt verduidelijkt hoe groot dat verschil is, noch aannemelijk wordt gemaakt dat specifiek dit verschil verzoeker dreigt te beletten het geschikte personeel aan te werven en af te houden van de “meer performante bedrijfsvoering” waartoe hij wil komen; Overwegende dat niet wordt bijgetreden dat verzoeker ten gevolge van de bestreden beslissing riskeert verhinderd te worden om de vereiste aanwervingen voor leidinggevende functies te doen; Overwegende, aangaande het tweede nadeel, dat de ministeriële beslissing verzoekers personeelsstatuut en arbeidsreglement retroactief uit het rechtsverkeer weghaalt; dat in zoverre volgens verzoeker door de afwezigheid van een personeelsstatuut en arbeidsreglement een toestand van “volslagen rechtsonzekerheid” ontstaat, die toestand in principe niet moeilijk te verhelpen is; dat het volstaat dat verzoeker een nieuw personeelsstatuut en arbeidsreglement aanneemt; dat ook indien hij daar om hem eigen redenen niet toe zou overgaan, dan nog de XII-4076-4/6 aangevoerde onzekerheid uiteindelijk niet moeilijk te herstellen blijft; dat in voorko- mend geval immers de nagestreefde vernietiging het bestreden ministerieel besluit, bron van de onzekerheid, met terugwerkende kracht ongedaan zal maken en het op 2 juli 2003 vastgestelde personeelsstatuut en arbeidsreglement zal doen herleven; dat verzoeker daarmee tevens klaarheid en uitsluitsel zal hebben over de houding die hij finaal dient aan te nemen met betrekking tot het “dilemma” waarvoor de bestreden beslissing hem beweerdelijk plaatst met betrekking tot, hoofdzakelijk, de eindejaarspre- mie die, op basis van het naderhand vernietigde personeelsstatuut en arbeidsreglement contractueel aan het personeel werd toegekend; dat, voor zoveel verzoeker doet gelden dat genoemd “dilemma” in afwachting van het vernietigingsarrest zijn hele personeelsbeleid verlamt, verwerende partij tegen die bewering terecht inbrengt dat zij “gratuit”, “nergens ondersteund” en “niet onderbouwd” is; Overwegende dat ook het tweede nadeel geen schorsing kan verantwoorden; Overwegende dat niet aan de tweede cumulatieve grondvoorwaarde voor een schorsing is voldaan; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  11. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-4076-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli 2004, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4076-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.787 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.208 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.