id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.809 Rolnummer: A. 153366/XII-4185 Zaak: Arrest 133809 - - 12/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-19 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 08:15 Fiche Arrest nr 133.809 van 12 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.809 van 12 juli 2004 in de zaak A. 153.366/XII-
- In zake : VZW EXPERCONSULT, die woonplaats kiest bij advocaten K. Leus en B. Schutyser, kantoor houdende te Brussel, Goedheidsstraat 5-7 tegen :
- het VLAAMSE GEWEST,
- het VLAAMS ZORGFONDS, die woonplaats kiezen bij advocaat K. Ronse, kantoor houdende te Brussel, Louizalaan 149, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat VZW Experconsult op 2 juli 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing van de Vlaamse Minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, zoals meegedeeld bij brief van 22 juni 2004, om de opdracht voor de controle op de indicatiestellingen in het kader van de zorgverzekering (nummer 006427) aan de VZW Mediwe te gunnen en de offerte van verzoeker niet te weerhouden”; Gezien de nota van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 2 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 juli 2004, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Schutyser, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaten K. Ronse en J. Bert, die verschijnen voor de verwerende partijen; XII-4185-1/6 Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. Vermeire; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat wie meent in aanmerking te komen voor een tussenkomst vanwege de zorgverzekering, ingesteld bij decreet van 30 maart 1999, moet doen blijken van een langdurig en ernstig verminderd zelfzorgvermogen, vast te stellen via een zogenaamde indicatiestelling; dat die indicatiestelling wordt uitgevoerd door personeelsleden van voorzieningen die door de Vlaamse regering als indicatiestellers gemachtigd zijn; dat op 7 april 2004 de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen meedeelt beslist te hebben de controle op de indicatiestellingen in het kader van de zorgverzekering uit te besteden aan een extern controleorgaan; dat de opdracht wordt gegund bij wijze van een algemene offerteaanvraag voor aanneming van diensten; dat vier gegadigden een offerte indienen: VZW Mediwe, VZW Gecoli, Marie-Rose Vrancaert en verzoekster; dat het gunningsverslag van het Vlaams Zorgfonds voorstelt de opdracht aan VZW Mediwe toe te wijzen; dat de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen het voorstel bijtreedt door het verslag te ondertekenen onder de rubriek “Beslissing van de bevoegde ordonnateur”; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts bij hoogdringendheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden overgegaan op voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is; Overwegende, met betrekking tot de eerste voorwaarde dat verzoekster een eerste middel afleidt uit de “Schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheids- opdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, de materiële motiveringsplicht en het patere-legem-quem-ipse-fecisti- beginsel”; XII-4185-2/6 Overwegende dat het middel betrekking heeft op het eerste gunningscriterium: “De kwaliteit van het plan van aanpak (organisatorisch stappen- plan)”; dat VZW Mediwe voor dit criterium “zeer goed” scoort, terwijl verzoeksters offerte als “minder goed” wordt beoordeeld; dat, blijkens bijlage 1 bij het gunnings- verslag, het plan van aanpak van VZW Mediwe “Zeer uitgebreid, zeer goed en concreet uitgewerkt” is, met “ruime aandacht voor de periode voor de start van de overheidsopdracht”, “expliciete aandacht voor objectiviteit bij uitvoering van de opdracht”, “deontologische code voor de uitvoerders”, en “bestandsgewijze controle op de uitvoering van de opdracht”; dat met betrekking tot verzoeksters offerte wordt opgemerkt: “Plan van aanpak biedt weinig toegevoegde waarde ten opzichte van de bepalingen in het bestek. Het plan van aanpak blijft algemeen en weinig concreet”; Overwegende dat in een eerste onderdeel van het middel wordt aangevoerd dat het criterium geen verband houdt met garanties inzake de inhoudelijke kwaliteit van de controles en dat de toewijzende overheid, door uitdrukkelijk rekening te hebben gehouden met de objectiviteit en de professionele deontologie van de uitvoerders van de controles, de inhoud van het gunningscriterium in de loop van de procedure heeft gewijzigd; dat in een tweede onderdeel wordt betoogd dat het criterium de rechtens vereiste duidelijkheid mist en dat die onduidelijkheid ervoor gezorgd heeft “dat de inschrijvers, die de inhoud en de draagwijdte van dit criterium niet op dezelfde wijze hebben kunnen inschatten, op een ongelijke wijze zijn behandeld”; dat volgens een derde onderdeel, tenslotte, de offertes van verzoekster en van VZW Mediwe op een ongelijke wijze zijn onderzocht doordat geen rekening is gehouden met de elementen die verzoekster in haar offerte heeft aangevoerd met betrekking tot de deontologie en de objectiviteit waarmee de opdracht wordt uitgevoerd, terwijl het juist die elementen zijn die bij de beoordeling van de offerte van VZW Medive een rol hebben gespeeld om haar plan van aanpak als zeer uitgebreid, zeer goed en concreet uitgewerkt te bestempelen; Overwegende, aangaande het eerste en het tweede onderdeel, dat verzoekster het criterium “De kwaliteit van het plan van aanpak (organisatorisch stappenplan)” zelf definieert als “een criterium dat betrekking heeft op de organisato- rische en operationele aspecten van de uitvoering van de controles op de indicatiestel- lingen”; dat het op het eerste gezicht onduidelijk is waarom tot die organisatorische en operationele aspecten van de uitvoering van de controles niet ook de garanties inzake de objectiviteit en deontologie van de controleurs zouden mogen gerekend worden; dat de enkele omstandigheid dat de objectiviteit en de deontologie van aard XII-4185-3/6 zijn de inhoudelijke kwaliteit van de controles te beïnvloeden, niet lijkt uit te sluiten dat het voorzien in garanties ter zake als een organisatorisch of operationeel aspect van de uitvoering van de opdracht kan worden beschouwd; dat vooralsnog niet wordt aangenomen dat het criterium in de loop van de gunningsprocedure een nieuwe invulling heeft gekregen of tenminste onduidelijk was; dat de besproken onderdelen niet ernstig zijn; Overwegende, aangaande het derde onderdeel, dat aan verzoekster niet wordt tegengeworpen, zoals wel jegens VZW Gecoli is gebeurd, dat haar plan enkel de “herhaling” behelst van de grote lijnen uit het bestek; dat wel wordt geoordeeld dat verzoekster slechts “weinig” waarde aan de bepalingen in het bestek toevoegt; dat vooralsnog niet kan worden uitgesloten dat dit oordeel ook betrekking heeft op de elementen die verzoekster zegt in verband met de deontologie en de objectiviteit te hebben bijgebracht; dat die elementen bijgevolg niet geacht kunnen worden bij het nemen van de bestreden beslissing zonder meer over het hoofd te zijn gezien; dat dan weer de geringe appreciatie ervan, in de huidige stand van de procedure niet de grenzen van de redelijkheid lijkt te buiten te gaan; dat er reden is in dat verband vast te stellen dat verzoeksters offerte weliswaar gewaagt van de bewaking, door de geneesheer-coördinator en de artsen in de provinciale teams, van “het deontologisch element”, maar zonder tenminste bij benadering aan te geven wat dit element inhoudt, en overigens zonder dat zelfs maar zeker is dat van de provinciale teams effectief een arts deel uitmaakt; dat het derde onderdeel niet ernstig is; Overwegende dat een tweede middel de schending aanvoert “van de artikelen 70 en 71 van het K.B. van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen”, doordat niet in het gunningsverslag kan worden gelezen op grond van welke motieven de aanbeste- dende overheid heeft geoordeeld dat alle offertes aan de eisen inzake economische en financiële draagkracht en technische bekwaamheid voldoen; Overwegende dat luidens het bestek de inschrijver zijn financiële en economische draagkracht aantoont door het voorleggen van de balans met betrekking tot het jaar 2003, en zijn technische bekwaamheid door het voorleggen van studie- en beroepskwalificaties van de dienstverlener en/of van het XII-4185-4/6 ondernemingskader en, in het bijzonder, van de verantwoordelijken voor de uitvoering van de diensten; dat het gunningsverslag ter zake vermeldt : “- In het bestek gestelde eisen Voorleggen van de balans met betrekking tot het jaar 2003 Studie en beroepskwalificaties van de dienstverlener en/of van het ondernemingskader en, in het bijzonder, van de verantwoordelijken voor de uitvoering van diensten - Offertes die niet voldoen geen - Motivering -”; Overwegende dat, niettegenstaande het “-”-teken onder “Motivering”, het gunningsverslag op het eerste gezicht toch niet ontzegd kan worden kort maar begrijpelijk te verantwoorden waarom volgens de steller de vier ingediende offertes in overeenstemming zijn met de in het middel bedoelde vereisten, namelijk omdat geen van de vier ter zake niet voldoet en als niet-conform verworpen moet worden; dat het middel niet ernstig is; Overwegende dat geen ernstige middelen worden aangevoerd; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verwerpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. XII-4185-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli 2004, door : De HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. LUST. XII-4185-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.809 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.