← België

Arrest 133841 - - 13/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.841 Rolnummer: A. 51058/X-9243 Zaak: Arrest 133841 - - 13/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-20 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-07-04 08:19 Fiche Arrest nr 133.841 van 13 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.841 van 13 juli 2004 in de zaak A. 51.058/X-9243. In zake : Guido HENDRIX, wonende te 9000 GENT, Nederpolder 25 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van OOST- VLAANDEREN. tussenkomende partij : de b.v.b.a. EUROKWALIKOOP, gevestigd te 9820 MERELBEKE, Hogen Bos 7. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guido HENDRIX op 7 april 1993 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 17 december 1992 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij aan de b.v.b.a. EUROKWALIKOOP de vergunning wordt verleend voor het regulariseren van dranghekkens voor runderen te Merelbeke, Meierij, op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nr. 373e; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 5 november 1993 ingediend door de b.v.b.a. EUROKWALIKOOP; Gelet op de beschikking van 18 november 1993 die de tussenkomst van de b.v.b.a. EUROKWALIKOOP toelaat; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; X-9243-1/12 Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur D. MAREEN; Gelet op de beschikking van 1december 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 juni 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 november 2003, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de terechtzitting van 9 januari 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van bestuurssecretaris M.-A. DE GEEST die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat B. ROELANDTS die, loco Advocaat E. DE HAUW verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de tussenkomende partij op 10 september 1991 een aanvraag indient voor de regularisatie van het plaatsen van dranghekkens voor runderen te Merelbeke, Meierij, op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nr. 373e; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merelbeke op 17 augustus 1992 de gevraagde vergunning weigert; dat de tussenkomende partij op 16 oktober 1992 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 17 december 1992 de gevraagde vergunning verleent; dat dit het thans bestreden besluit is; X-9243-2/12 Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift in een enig middel "de onzorgvuldigheid van het onderzoek" aanvoert; dat hij dit middel uiteenzet als volgt : "Over de Administratieve procedure tot toekenning van de vergunning - Onderzoek van de aanvragen - Algemeen schrijft de Raad van State onder Bouwen en verkavelen, Romeins V (...) : 'De overheid die te beslissen of te adviseren heeft over een bouwaanvraag, heeft in de eerste plaats tot taak te onderzoeken of de haar overgelegde plannen al dan niet strijdig zijn met de terzake geldende wetten en verordeningen'. Wat geldt voor de plannen geldt, bij uitbreiding door verzoeker, ook voor de documenten in het dossier van de aanvraag om bouwvergunning. Verzoeker kent althans geen wetten, verordeningen of reglementen die de overheid ontslaan van het onderzoek naar de niet-strijdigheid met de geldende wetten en verordeningen van stukken andere dan plannen. Verzoeker meent voorts dat de overheid niet alleen de niet-strijdigheid moet onderzoeken, maar ook de juistheid van de verstrekte inlichtingen en de juistheid van de argumenten die bij een bouwberoep aangevoerd worden. 1. In het aangevochten Besluit b. 7587 kunnen consideransen aangewezen worden die flagrant onjuist zijn, bijv. de 7e considerans op p. 2 'dat betrokken perceel weiland toegankelijk is via een onverharde 6 meter brede privaatweg, welke aansluit op de Meierij, zijnde buurtweg nr 7'; de 1e considerans op p. 3 'daar alle profielen in het donkergroen geschilderd zijn'. Verzoeker zal op 1 mei 1993 foto's maken en aan de Raad van State doen toekomen die aantonen

  1. a)dat dit laatste een onjuiste bewering is;
  2. b)dat de inplanting wel degelijk vanop de openbare weg zichtbaar is (4e considerans op p. 2),
  3. c)dat de groenbeplanting waarvan sprake in de 3e considerans p. 2 slechts symbolisch en zonder visuele uitwerking is. Verzoeker stelt 1 mei 1993 voor als datum voor het maken van foto's om te voorkomen dat aangevoerd zal worden dat de beweerde groenbeplanting nog moest 'groen' worden. 2. De 8e considerans op p. 2 van Besluit 7587 'vangkraal met een oppervlak- te van ca. 20,21 m op 20,45 m' heeft bij de Bestendige Deputatie niet geleid tot de opmerking dat het hier om een zeer aanzienlijke overdimensionering gaat : ruim 400 vierkante meter, en 2,12 meter hoog. 3. Voorts is de considerans 'Overwogen dat haar College in zitting van 25.6.1992 een, praktisch op dezelfde plaats in te planten schuilhok geweigerd heeft' intussen achterhaald aangezien inzake het door Eurokwalikoop ingestelde beroep tegen het genoemde Deputatiebesluit door een ministeriële beslissing dd. 1.3.1993 werd vernietigd. Dit betekent in concreto dat de beperkende voorwaarde waaronder de Bestendige Deputatie het bouwberoep inwilligde ongedaan gemaakt is. Verzoeker heeft pas op 7.4.1993 kennis gekregen van deze ministeriële beslissing en is nog niet in het bezit van een afschrift ervan. In het annulatieverzoek dat hij ertegen zal indienen zal hij verknochtheid van beide beslissingen aantonen : zij hebben betrekking op éénzelfde perceel, éénzelfde tweeledige constructie ('schuilplaats' met vangkraal/dranghekkens). Verzoeker zal tevens op dat ogenblik zijn argumentatie verfijnen. 4. Ook en vooral is er tegenspraak tussen de 2e considerans van B. 7587 'dat hierdoor de schoonheidswaarde van de omgeving dan ook niet geschaad wordt' terwijl de Bestendige Deputatie in Besluit B. 7393 dd. 9.7.1992 ('waarvan verzoeker wel de inhoud kent doch nog geen kopie ervan bezit) heeft verklaard 'dat uit het plaatsbezoek blijkt dat appellant her en der in de omgeving constructies opricht hetgeen een aantasting van het gebied inhoudt'. X-9243-3/12 5. De Bestendige Deputatie heeft zich ten slotte niet gerealiseerd dat de regularisatieaanvraag is ondertekend door een persoon die in hoofdberoep ambtenaar is"; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert als volgt : "In een enig middel werpt verzoeker de onzorgvuldigheid van het onderzoek op. Meer bepaald stelt verzoeker dat in het overwegend gedeelte van het besluit van de Bestendige Deputatie een aantal onjuiste argumenten zouden aangevoerd zijn, waarbij verzoeker enkel naar feitelijke en materiële vaststellingen verwijst zonder enige juridische conclusie te trekken. Nergens wordt de schending van een wettelijke of reglementaire bepaling, noch van enig rechtsbeginsel aangevoerd. Onder 'middel' in de zin van artikel 2, par. 1, 2e van het Besluit van de Regent dd. 28.8.1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden (...). Het aangevoerde middel is dan ook geen rechtsmiddel dat past in het kader van een annulatieberoep bij de Raad van State. Volgens de Vaste rechtspraak van de Raad van State is dergelijk middel onontvankelijk. In bijkomende orde wenst de Bestendige Deputatie nog volgende opmerkingen te formuleren. De op 17.12.1992 door de Bestendige Deputatie verleende bouwvergunning voor het plaatsen van dranghekkens voor runderen bevat de uitdrukkelijke voorwaarde dat de constructie in kwestie in de toekomst in geen geval tot schuilhok kan omgevormd worden. De Bestendige Deputatie had in zitting van 25.06.1992 een praktisch op dezelfde plaats in te planten schuilhok voor runderen geweigerd. Het door de BVBA Eurokwalikoop ingestelde beroep tegen deze weigering werd bij M.B. dd. 01.03.1993 ingewilligd onder voorwaarde een groenscherm van minstens 3 meter breed in streekeigen groen langs de noordoost- en zuidoostkant van het schuilhok aan te brengen. Verzoeker trekt uit het bovenstaande de conclusie als zou door het M.B. dd. 01.03.1993 de door de Bestendige Deputatie bij de bouwvergunning dd. 17.12.1992 opgelegde voorwaarde vervallen. Dit betreft hier een zuiver persoonlijke interpretatie van verzoeker. Hierop dient gerepliceerd dat de besluiten in kwestie uitgaan van twee verschillende instanties en over twee verschillende aanvragen handelen. Juridisch gezien kan de beslissing over de aanvraag tot het bouwen van een schuilhok voor runderen de bij de vergunning voor het plaatsen van dranghekkens voor runderen opgelegde voorwaarde niet teniet doen. In tweede instantie dient erop gewezen te worden dat het indienen van een nieuwe aanvraag een verzaking inhoudt van de vorige. In concreto betekent dit dus dat door het indienen van een bouwaanvraag voor het plaatsen van dranghekkens, verzaakt werd aan de aanvraag voor het bouwen van een schuilhok. De opmerking van de tegenspraak tussen het besluit dd. 09.07.1992 van de Bestendige Deputatie houdende weigering van de vergunning voor een schuilhok en het besluit dd. 17.12.1992 van de Bestendige Deputatie houdende bouwvergunning voor het plaatsen van dranghekkens, doet hier niets terzake. De Bestendige Deputatie wenst in dit verband terloops toch op te merken dat X-9243-4/12 het schuilhok, zijnde een constructie in houten planken en met een bedaking in asbestcement golfplaten, hoe dan ook een totaal andere en veel grotere impact heeft op de omgeving dan een aantal dranghekkens waarvan de profielen in het donkergroen geschilderd zijn. Ook de laatste opmerking van verzoeker dat het hoofdberoep van de zaakvoerder van de BVBA Eurokwalikoop ambtenaar is, is hier totaal irrelevant. (...)"; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord onder de hoofding "eerste middel : de onzorgvuldigheid van het onderzoek" dupliceert als volgt : "In het inleidend verzoekschrift werd als enig middel de onzorgvuldigheid van het onderzoek van het dossier op het niveau van de Bestendige Deputatie ingeroepen. De opgesomde bewijzen van onzorgvuldigheid en onnauwkeurigheid worden in de memorie van antwoord p. 2, sub II. Ten aanzien van de middelen, niet betwist, wel als 'feitelijke en materiële vaststellingen' erkend, waaruit echter, naar verweerder meent, door verzoeker geen juridische conclusie wordt getrokken (...). Aan de reeds vermelde onnauwkeurigheden en flagrante onjuistheden voegt verzoeker toe, na inzage ter Griffie van het administratief dossier, dat in de bouwaanvraag niet aanwezig zijn : 1) een situatieschets met 'een lijst van de eigenaars van eigendommen binnen een omtrek van 50 m vanaf de perceelsgrenzen' (...); 2) 'foto's van het bouwterrein of gebouw en van de aanpalende en omliggende bebouwing' (...); 3) Bovendien is perceel 373h op het onderdeel 'inplanting' van het ingediende bouwplan één grote witte vlek die niet meedeelt dat precies tussen 411c en 373e, eigendommen van Eurokwalikoop, het onroerend goed van verzoeker is gelegen. De (door verweerder gewenste) juridische conclusie is dat in het dossier een reeks onjuiste voorstellingen van feitelijke elementen voorkomen, die door de Bestendige Deputatie als beroepsinstantie niet werden getoetst en/of rechtgezet; anderzijds dat een aantal voor de goede beoordeling van het dossier vereiste stukken door Eurokwalikoop niet ingediend en door de Bestendige Deputatie niet opgevraagd werden. Het is duidelijk dat onregelmatigheden weerslag hebben op de wettigheid van de vergunning"; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord onder de hoofding "tweede middel: bouwvergunning met beperkende uitdrukkelijke voorwaarde" uiteenzet wat volgt : "In zijn verzoekschrift van 14 maart 1993 heeft verzoeker een ministerieel besluit van 1.3.1993 vermeld, dat op dat ogenblik nog niet, intussen wél in zijn bezit is en als bijlage 1 bij deze memorie van wederantwoord wordt gevoegd. Dit ministerieel besluit verleent in laatste beroepsinstantie vergunning voor het bouwen van een schuilplaats voor dieren 'aan de Hogenbos-Meierij te Merelbeke, kadastraal bekend sectie B nr 373e'. (...) Uit de Vierde Considerans op p. 2 van het Ministerieel Besluit blijken de afmetingen van de vergunde schuilplaats, namelijk 'hetzij 16,10 m bij 6,10 m X-9243-5/12 groot en gaande van 2 m tot 3,90 m hoog' alsook de ligging van deze constructie : 'op 6 m van de zijdelingse perceelsgrens en op 15 m van een uitbatingsweg die uitgeeft op de buurtweg Meierij'. Deze gegevens worden op plan uitgezet (bijlage 2 bij onderhavige memorie); het aldus verkregen, voor bebouwing vergunde oppervlak wordt met blauw afgelijnd. Uit het onderdeel 'inplanting' op het plan bij de aangevochten regularisatie blijkt dat de 'vangkraal met dranghekkens' zich bevindt (reële toestand, immers regularisatie van bouwdelict) op 9,50 m van de scheidingslijn met perceel 373 g (in de vorige alinea genoemd 'zijdelingse perceelsgrens'), en op 6,00 tot 7,50 m van wet in de vorige alinea als 'uitbatingsweg' bestempeld is. Deze gegevens worden op plan uitgezet (bijlage 2 bij onderhavige memorie); het aldus verkregen, door regularisatie vergunde, bebouwde oppervlak wordt met rood afgelijnd. Het is een onbetwistbare vaststelling dat het blauw afgelijnde oppervlak en het rood afgelijnde oppervlak gedeeltelijk samenvallen. Dit betekent : 1) dat de hoogste beroepsinstantie, de Vlaamse Minister van openbare werken, ruimtelijke ordening en binnenlandse aangelegenheden, in het dossier 'Schuilplaats voor dieren' op 1.3.1993 heeft vergund te bouwen wat door een lagere beroepsinstantie, de Bestendige Deputatie, in het dossier 'vangkraal en dranghekkens voor dieren' op 17.12.1992 uitdrukkelijk geweigerd is, namelijk door de regularisatie van het bouwdelict afhankelijk te maken van de uitdrukke- lijke voorwaarde van het niet-omvormen ervan tot schuilhok. 2) dat het bestaan van twee bouwaanvragen met betrekking tot hetzelfde perceel inhoudt dat aan een ervan verzaakt wordt, zoals verweerder in de tweede alinea van zijn p. 3 opmerkt; dat evenwel niet 'verzaakt werd aan de aanvraag voor het bouwen van een schuilhok' (...) aangezien het Ministerieel besluit drie maand jonger is dan het besluit van de Bestendige Deputatie; ergo dat verzaakt werd aan de vergunning voor de dranghekkens, wat de facto ook niet juist is daar het gaat om regularisatie van een bestaande toestand, waaruit volgt dat deze regularisatie niet wettig is en bijgevolg moet vernietigd worden. 3) dat moet gerekend worden met de cumulatieve impact op het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, namelijk de 'visueel slechts een kleine impact' (Bestendige Deputatie, besluit p. 3 1e alinea' van de dranghekkens + de 'hoe dan ook een totaal andere en veel grotere impact' (memorie van antwoord p. 3, 3e alinea, 8e regel) van de schuilplaats"; Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie in essentie het volgende uiteenzet : "Er wordt in alle rechtsrubrieken van de landbouwvakbladen aangestipt dat in agrarisch waardevol gebied landbouwaktiviteit moet mogelijk zijn, zelfs de eerste indicatie is eerder dan buitenverblijven of wat dan ook. Er wordt wel aangeraden een landbouwaktiviteit te kiezen die het best kadert in zulk gebied. Steevast wordt dan een zoogkoeienbestand aangeprezen met als voordelen : 1. late uitzet dus volledige herstructurering van de grasmat; 2. lage bemesting; 3. gering aantal dieren per hectare. Deze aktiviteit houdt wel een paar noodzakelijke zorgen in voor de jonge kalveren. Daartoe is een schuilhok onontbeerlijk omdat zulke jonge dieren niet bestand zijn tegen slechte weersomstandigheden. Ook vanuit de dierenbeschermingsorgansaties wordt steevast op een schuilhok aangedrongen X-9243-6/12 en zelfs vaak klacht ingediend bij afwezigheid ervan. Aangezien men bij de bouw van schuilhokken steeds eist dat één zijde volledig open is kunnen de dieren daarin niet gevangen of bijgevoerderd worden. Daarom is men gedwongen tot het plaatsen van voederbakken buiten en van vangparken. Deze vangparken en er zijn er honderden in Vlaanderen zijn meestal gebouwd als gangen of vierkanten. Het materiaal bestaat uit herbruikte spoorwegdwarsbalken verbonden met herbruikte vangrails van autostrades. Bij navraag blijkt dat iedereen in de overtuiging was dat daarvoor geen bouwvergunning nodig was en is. In elk geval is zeker dat noch de gemeente noch de Provincie daarvoor vergunningen hebben verleend. Ik ben dus de enige die daarvoor een bouwvergunning moet hebben die dan nog eens dat ze er is eindeloos bestreden wordt door de Heer Hendrix Guido die elke landbouwaktiviteit rond zijn buitenverblijf wil verbannen. Hij heeft er nochthans geen enkele last van. De dranghekkens zijn vanuit zijn woning niet te zien. Er is een drievoudige scheiding. Er is een vijf meter brede aanplanting van struikgewas op mijn terrein, dan zijn eigen boomgaard, dan metershoge stallingen en schuren van de vroegere hoeve en bovendien staat zijn woonhuis met de zijgevel naar de vangplaats. Hij tracht bovendien tegenover iedereen die de situatie ter plaatse niet kent de indruk te wekken dat het om enorme dingen gaat. Wel het gaat om 11 stijlen en 16 vangrails. Dat er geen schuilhok op de weide zou mogen zijn omdat er een vangplaats is vind ik een onterechte interpretatie van de voorwaarden van de Provincie. Beiden hebben een totaal verschillende funktie en de Provincie zegt, meen ik, enkel dat ze niet mogen aaneensluiten en de vangrails niet mogen het schuilhok dragen"; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie niets toevoegt aan hetgeen hij reeds in eerdere procedurestukken heeft uiteengezet; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie uiteenzet wat volgt : "Vooreerst wensen wij erop te wijzen dat in een besluit van de bestendige deputatie duidelijk een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de argumenten van appellant, die in het besluit worden opgenomen, en de overwegingen van de bestendige deputatie, overwegingen die worden geformuleerd nadat een onderzoek ter plaatse werd ingesteld. Voor elk beroepsdossier wordt een onderzoek ter plaatse ingesteld, waarvan een verslag wordt opgemaakt. Hierin wordt een omschrijving gegeven van de omgeving en van de aangevraagde werken. Zo stelt verzoeker dat de overweging in het besluit van de bestendige deputatie 'dat betrokken perceel weiland toegankelijk is via een onverharde 6 m brede privaatweg, welke aansluit op de Meierij, zijnde buurtweg nr. 7' flagrant onjuist is. Zoals blijkt uit het technisch verslag dat in verband met het bouwberoep in kwestie werd opgemaakt, werd dit gegeven nochtans ter plaatse vastgesteld. (zie technisch verslag als bijlage + verslagen waarnaar wordt verwezen). Deze private weg is bovendien eigendom van appellant. Het is wel zo dat het perceel nr. 737e uitweg krijgt op deze private weg via een erfdienstbaarheid van doorgang over het perceel nr. 372b, eigendom van een derde persoon. Dit feit heeft met betrekking tot kwestieuze vergunning echter geen enkele relevantie. X-9243-7/12 Tijdens het onderzoek ter plaatse werd eveneens vastgesteld dat alle profielen in het donkergroen geschilderd werden. Naar aanleiding van het verslag (...) werd nogmaals ter plaatse nagegaan of dit intussen nog steeds zo is. De vangrails, als onderdeel van de dranghekkens, zijn nog steeds in het donkergroen geschilderd. Het is ons dan ook totaal onduidelijk in welke mate deze vaststelling flagrant onjuist zou zijn. Verzoeker stelt verder - in tegenstelling tot wat appellant argumenteerde - dat de inplanting wel degelijk vanop de openbare weg zichtbaar is en dat de groenbeplanting slechts symbolisch en zonder visuele uitwerking is. Welnu, ook deze bewering van verzoeker is onjuist. Zoals hierboven en ook in het besluit van de bestendige deputatie werd gesteld, is het betrokken perceel toegankelijk via een private weg, die aansluit op de Meierij. Bovendien zijn beide constructies (dranghekken en schuilhok), die ruimtelijk één geheel vormen, in deze periode van het jaar niet zichtbaar van buitenaf (vanop de private weg dus). Een intussen tot volledige wasdom gekomen groenscherm, bestaande uit overwegend haagbeuk en hazelaar als streekeigen planten, werd rondom (vier zijden) de betrokken uitrusting aangebracht. Daar waar verzoeker het verder heeft over 'overdimensionering' kan erop gewezen worden dat kwestieuze constructie geen gebouw betreft. De bestendige deputatie verleende een bouwvergunning voor de dranghekkens die zich rond de vangkraal bevinden. Het is de vangkraal - die deel uitmaakt van de weide - die een oppervlakte heeft van ca. 20,21 m op 20,45 m en niet de vergunde constructie (11 stijlen en 16 vangrails). De oppervlakte van de vangkraal dient bovendien gezien te worden in verhouding tot de volledige oppervlakte van het perceel, zijnde 4,68 ha. Het schuilhok voor dieren, waarnaar verzoeker verwijst, werd door de bestendige deputatie in zitting van 7 september 1992 geweigerd. De wet van 22 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, en latere wijzigingen, bood aan de heer Vander Bruggen de mogelijkheid om namens de bvba Eurokwalikoop bij de Vlaamse Executieve in beroep te gaan tegen de weigeringsbeslissing van de bestendige deputatie, wat hij ook heeft gedaan. Bij ministeriële beslissing van 1 maart 1993 werd dit beroep voorwaardelijk ingewilligd. De Vlaamse Regering (...) en de bestendige deputatie zijn twee verschillende overheden, die totaal onafhankelijk van elkaar, op grond van een eigen bevoegdheid een beslissing nemen over een bouwaanvraag. De bestendige deputatie draagt geen enkele verantwoordelijkheid in verband met een ministeriële beslissing. De bouwvergunning die hier ter dicussie staat, betreft enkel deze verleend door de bestendige deputatie bij besluit van 17 december 1992. Indien verzoeker het niet eens was met het hogervermeld ministerieel besluit van 1 maart 1993, dan had hij ook dit besluit dienen te betwisten voor de Raad van State, wat hij niet heeft gedaan. Ook verder in zijn verzoekschrift verwijst hij naar andere, dan de betwiste beslissing. In deze zaak wordt enkel het besluit van 17 december 1992 van de bestendige deputatie betwist. De opmerking van verzoeker dat het hoofdberoep van de zaakvoerder van de bvba Eurokwalikoop ambtenaar is, is totaal irrelevant. Verzoeker kan de dranghekkens niet zien vanuit zijn woning. Zijn woning staat met de zijgevel naar betrokken perceel. Vanaf deze zijgevel kijkt hij op metershoge stallingen en schuren van de vroegere hoeve, waarachter zijn boomgaard ligt. Achter deze boomgaard bevindt zich het dikke groenscherm rond de vergunde constructie, zoals hierboven reeds beschreven. De omgeving van betrokken percelen wordt gekenmerkt door een veelvuldige aanwezigheid van grote en kleine boseenheden en van talloze kleine X-9243-8/12 landschapselementen. Een dergelijk landschap vertoont eerder een semi-gesloten karakter. Het groenscherm van appellant en de groenrijke aanpalende eigendom van verzoekende partij vormen samen een dergelijke, met de omgeving volledig corresponderende eenheid. Deze optimale inkadering van de bouwwerken en de fysische verbondenheid van de beide betrokken eigendommen volgens het principe van de gegroepeerde bebouwing hebben geen weerslag op de ruimtelijke aantastingsgraad of op de schoonheidswaarde van het gebied. In zijn memorie van wederantwoord voegt verzoeker aan zijn argumentatie betreffende het oorspronkelijk enige aangevoerde middel toe dat het dossier van de bouwaanvraag onvolledig was. Op grond van artikel 53 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw waren het gemeentebestuur en de gemachtigde ambtenaar verantwoordelijk voor de goede samenstelling van het dossier van de aanvraag om bouwvergunning. Het eerste middel is derhalve ongegrond. In de memorie van wederantwoord voert verzoeker een tweede middel aan, namelijk de bouwvergunning met beperkende uitdrukkelijke voorwaarde. In dit tweede middel heeft verzoeker het uitvoerig over het hogervermeld ministerieel besluit van 1 maart 1993, waarbij aan de heer Vander Bruggen handelend in naam van de bvba Eurokwalikoop een bouwvergunning werd verleend voor de oprichting van een schuilhok op kwestieus perceel. Deze bouwvergunning werd verleend onder voorwaarde dat een groenscherm van minstens 3 m breed in streekeigen groen langs de noordoost- en zuidoostkant van het schuilhok zou worden aangebracht, binnen het jaar na de oprichting van het schuilhok. Dit dossier betreft een andere bouwaanvraag en -vergunning dan deze die hier ter discussie staat (dranghekkens). De bestendige deputatie besliste in zitting van 9 juli 1992 de vergunning voor de oprichting van een schuilhok op betrokken perceel te weigeren. Zoals hierboven gesteld ging appellant op grond van artikel 55 van de wet van 29 maart 1962 in beroep bij de Vlaamse Executieve. Bij ministerieel besluit van 1 maart 1993 (dus na de beslissing van 17 december 1992 van de bestendige deputatie) werd dit beroep onder voorwaarde ingewilligd. Volgens de constante rechtspraak van de Raad van State wordt, in geval van beroep, de gehele beslissingsbevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen al naar het geval overgedragen aan de bestendige deputatie of aan de minister. Gelet op deze volheid van bevoegdheid doen zowel de bestendige deputatie als de Vlaamse regering uitspraak op grond van een eigen onderzoek en een eigen beoordeling, waarbij zij niet gebonden zijn door de weigeringsgrond van respectievelijk het schepencollege of de bestendige deputatie. Verzoeker kon het ministerieel besluit van 1 maart 1993 enkel betwisten via een annulatieberoep bij de Raad van State, wat hij niet heeft gedaan. Het tweede middel is derhalve eveneens ongegrond."; Overwegende, wat de opgeworpen exceptie obscurii libelli betreft, dat luidens artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State het verzoekschrift o.m. een uiteenzetting van de feiten en middelen dient te bevatten; dat onder "middel" in de zin van deze bepaling moet worden verstaan de voldoende X-9243-9/12 duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden; Overwegende dat verzoeker in het verzoekschrift tot nietigverklaring "de onzorgvuldigheid van het onderzoek" aanvoert en daarbij argumenten aanhaalt waaruit volgens hem moet blijken dat het bestreden besluit niet is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn en aldus de bouwaanvraag niet correct is beoordeeld; dat het middel erop neerkomt dat het bestreden besluit is behept met een motiveringsgebrek en derhalve onwettig is; dat de exceptie obscuri libelli niet kan worden aangenomen; Overwegende dat het middel, waar het de kritiek uit dat in het bestreden besluit "consideransen (kunnen) aangewezen worden die flagrant onjuist zijn, bijv. de 7e considerans (...) 'dat betrokken perceel weiland toegankelijk is via een onverharde 6 meter brede privaatweg, welke aansluit op de Meierij, zijnde buurtweg nr. 7' (
  4. en)de 1e considerans (...) 'daar alle profielen in het donkergroen geschilderd zijn'", beperkt is tot loutere, zelfs niet op enig begin van bewijs gesteunde beweringen; dat verzoeker, in tegenstelling tot hetgeen in zijn verzoekschrift aangekondigd, aan de Raad van State geen foto’s heeft voorgelegd die aantonen dat, anders dan in het bestreden besluit wordt overwogen, de profielen niet donkergroen geschilderd zijn, en de inplanting wel degelijk vanop de openbare weg zichtbaar is; Overwegende voorts dat verzoeker niet betwist dat "de met dranghekkens afgebakende vangkraal een oppervlakte van ca. 20,21 m op 20,45 m inneemt", zoals in het bestreden besluit gesteld; dat het feit dat dit bij de vergunningverlenende overheid niet tot de opmerking heeft geleid dat het om een zeer aanzienlijke overdimensionering gaat, een persoonlijke mening is van verzoeker die geen verband houdt met de motieven waarop de bestreden vergunning is verleend; dat het argument niet dienend is; Overwegende dat de omstandigheid dat er tegenspraak bestaat tussen enerzijds het bestreden besluit waarbij de gevraagde "bouwvergunning wordt verleend volgens ingediend plan onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat onderhavige constructie in de toekomst in geen geval tot schuilhok kan omgevormd worden", en anderzijds het besluit van 1 maart 1993 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden waarbij aan dezelfde aanvrager de vergunning wordt verleend voor het plaatsen van een X-9243-10/12 schuilplaats voor dieren op hetzelfde perceel, en dat de inplantingsplaats van deze schuilplaats de inplantingsplaats van de bij het thans bestreden besluit vergunde dranghekkens overlapt, niet tot gevolg heeft dat het thans bestreden besluit onwettig is zoals door verzoeker in een zogenaamd "tweede middel" in de memorie van wederantwoord wordt aangevoerd; dat verzoeker niet uiteenzet op welke wijze de overweging in het besluit van 9 juli 1992 van dezelfde vergunningverlenende overheid tot weigering van de vergunning voor het plaatsen van een schuilplaats voor dieren, waarin zou zijn overwogen "dat uit het plaatsbezoek blijkt dat appellant her en der in de omgeving constructies opricht hetgeen een aantasting van het gebied inhoudt", zelfs aangenomen dat dit het geval zou zijn, in tegenspraak is met de overwegingen van het thans bestreden besluit, waarin wordt gesteld dat "de constructie visueel slechts een kleine impact heeft op de omgeving, te meer daar alle profielen in het donkergroen geschilderd zijn", en "dat hierdoor de schoonheidswaarde van de omgeving dan ook niet geschaad wordt" en tot de manifeste onjuistheid van laatstgenoemde overwegingen moet leiden; dat ten slotte de omstandigheid dat de vergunningverlenende overheid zich niet zou hebben gerealiseerd dat de aanvrager in hoofdberoep ambtenaar is geen invloed heeft op de beoordeling van de bouwaanvraag en derhalve irrelevant is; Overwegende dat het ontbreken van stukken in het dossier van de aanvraag om bouwvergunning slechts tot de onwettigheid van de op grond van dat dossier verleende bouwvergunning kan leiden indien blijkt dat de vergunningverlenende overheid ingevolge het ontbreken van deze stukken niet met de vereiste kennis van zaken de aanvraag heeft beoordeeld; dat te dezen verzoeker niet aangeeft hoe het ontbreken van een situatieschets met "een lijst van de eigenaars van eigendommen binnen een omtrek van 50 m vanaf de perceelsgrenzen", van foto's van het bouwterrein of gebouw en van de aanpalende en omliggende bebouwing, en van het niet zijn aangeduid van verzoekers eigendom op het inplantingsplan, gelet op de door de provinciale technische dienst opgemaakte verslagen waarin een nauwkeurige omschrijving van de omgeving wordt gegeven, de vergunningverlenende overheid zou hebben belet met afdoende kennis van zaken over het beroep uitspraak te doen; Overwegende dat de aangevoerde middelen niet gegrond zijn, BESLUIT: X-9243-11/12 Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien juli 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. LUST, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-9243-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.841 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.