← België

Arrest 133842 - - 13/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.842 Rolnummer: A. 52882/X-9248 Zaak: Arrest 133842 - - 13/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-20 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 08:19 Fiche Arrest nr 133.842 van 13 juli 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.842 van 13 juli 2004 in de zaak A. 52.882/X-

  1. In zake : Guido HENDRIX, wonende te 9000 GENT, Nederpolder 25 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. TAELMAN, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
  2. tussenkomende partij : de b.v.b.a. EUROKWALIKOOP, gevestigd te 9820 MERELBEKE, Hogen Bos
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guido HENDRIX op 14 juli 1993 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 1 maart 1993 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aang eleg enhed en waar bij het bero ep van d e b.v.b.a. EUROKWALIKOOP tegen de beslissing van 9 juli 1992 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende weigering van de vergunning voor het plaatsen van een schuilplaats voor dieren te Merelbeke, Meierij, op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nr. 373e wordt ingewilligd en haar onder voorwaarde de gevraagde vergunning wordt verleend; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 19 augustus 1994 ingediend door de b.v.b.a. EUROKWALIKOOP; Gelet op de beschikking van 23 augustus 1994 die de tussenkomst van de b.v.b.a. EUROKWALIKOOP toelaat; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; X-9248-1/9 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur D. MAREEN; Gelet op de beschikking van 1 december 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 19 juni 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 november 2003, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de terechtzitting van 9 januari 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van Advocaat P. AERTS die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat B. ROELANDTS die, loco Advocaat E. DE HAUW verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat aan de tussenkomende partij op 18 februari 1990 een vergunning wordt verleend voor het oprichten van een schuilplaats voor dieren te Merelbeke, Meierij, op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nr. 373e; dat dit perceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgesteld gewestplan Gentse en Kanaalzone is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat het betrokken bouwwerk niet binnen het jaar na het verlenen van de vergunning wordt opgetrokken; dat de tussenkomende partij op 13 mei 1991 een nieuwe aanvraag indient voor het optrekken van hetzelfde bouwwerk op hetzelfde perceel; dat de gemachtigde X-9248-2/9 ambtenaar op 17 maart 1992 een ongunstig advies uitbrengt; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merelbeke op 30 maart 1992 de vergunning weigert; dat de tussenkomende partij op 28 april 1992 bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen beroep instelt tegen de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merelbeke; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 9 juli 1992 het beroep niet inwilligt; dat de tussenkomende partij tegen deze beslissing beroep instelt bij de Vlaamse regering; dat de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden dit beroep op 1 maart 1993 voorwaardelijk inwilligt; dat dit het thans bestreden besluit is; Overwegende dat de verwerende partij het belang van verzoeker betwist; dat zij aanvoert : "Verzoekende partij heeft op 20 juni 1983 een hoeve aangekocht gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Deze hoeve dient als tweede verblijfplaats. 'Het behoud van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied als geheel staat voor verzoeker gelijk met -minimaal - het behoud van de investeringswaarde. Elke aantasting van de omgeving staat gelijk met waardevermindering van het onroerend goed' (...). Verzoekende partij blijkt zich niet de vraag te stellen of het gebruik van de door hem in 1983 aangekochte hoeve wel verenigbaar is met de bestemming van een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Verzoekende partij blijkt aldus door het behoud van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied na te streven het oneigenlijk gebruik van de hoeve te vrijwaren. Verzoekende partij beschikt dan ook niet over het wettelijk vereiste belang tot het instellen van een vordering tot nietigverklaring."; Overwegende dat verzoeker in het verzoekschrift tot nietigverklaring uiteenzet eigenaar te zijn van een perceel met hoeve gelegen te Merelbeke, Meierij, kadastraal bekend Sectie B, nrs. 373 h, 373 f en 373 g, palende aan het bouwperceel; dat dit door de tussenkomende partij niet wordt betwist; dat verzoeker alleen daardoor reeds van het vereiste belang doet blijken; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat verzoeker ten aanzien van de ontvankelijkheid ratione temporis van zijn vordering uiteenzet op 8 april 1993 kennis te hebben gekregen van het mogelijke bestaan van een besluit van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening, met betrekking tot een aanvraag voor het X-9248-3/9 bouwen van een schuilplaats voor dieren te Merelbeke, Meierij, op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nr. 373 e; dat hij bij aangetekende brief van dezelfde dag aan de verwerende partij heeft verzocht om een afschrift van een mogelijk besluit; dat dit afschrift hem is toegezonden per brief van 14 mei 1993, die hij heeft ontvangen op 17 mei 1993; dat hij 18 mei 1993 beschouwt als "terminus a quo" voor het lopen van de termijn van zestig dagen voor het ontvankelijk instellen van een beroep bij de Raad van State; dat de "terminus ante quem" volgens zijn berekening 16 juli 1993 is; dat hij zijn beroep met een ter post aangetekende brief van 14 juli 1993 heeft ingesteld; Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst stelt dat het verzoekschrift laattijdig werd ingediend daar verzoeker op 8 april heeft vernomen "dat er een minist(e)riële beslissing zou zijn", dat de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State ingaat op 8 april 1993 en dat de stappen ondernomen door verzoeker geen kunstmatige termijnverlenging kunnen doen ontstaan in zijn voordeel; Overwegende dat de partijen in hun overige processtukken niets uiteenzetten met betrekking tot de tijdigheid van het beroep tot nietigverklaring; Overwegende dat, aangezien stedenbouwkundige vergunningen noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend dienen te worden, de termijn waarbinnen dezen daartegen met een annulatieberoep kunnen opkomen, ingaat met de dag waarop zij kennis hebben van de vergunning of er ten gemeentehuize kennis van hebben kunnen nemen, gebruik makend van de mogelijkheid die hen krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, thans artikel 63 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, wordt geboden om er aldaar inzage van te nemen; dat het zaak is van de partij die aanvoert dat de verzoekende partij kennis had van een bestuurshandeling, het bewijs daarvan te leveren; dat de tussenkomende partij geen bewijskrachtig gegeven bijbrengt waaruit blijkt dat de verzoekende partij meer dan 60 dagen vóór het instellen van de vordering kennis had of had moeten hebben van het bestreden besluit; dat de exceptie niet gegrond is; X-9248-4/9 Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de "ontstentenis van motivering" van de bestreden beslissing aanvoert; dat hij dit middel uiteenzet als volgt : "De motivering door de Bestendige Deputatie Oost-Vlaanderen om het bouwberoep voor een 'schuilplaats voor dieren op perceel 373e' niet in te willigen, namelijk 'dat dergelijk bouwwerk tevens de aansnijding betekent van een ongerept landschappelijk waardevol agrarisch gebied' (...) wordt in het Ministerieel Besluit op geen enkele wijze weerlegd. Het eigen oordeel van de beroepsinstantie over de goede plaatselijke ordening wordt op geen enkele wijze gemotiveerd. Uit niets blijkt dat ministeriële ambtenaren de motivering van de lagere beroepsinstantie getoetst hebben tijdens een plaatsbezoek, of, bijvoorbeeld door een fotografische of computersimulatie, de visuele impact van de beoogde constructie op het landschappelijk waardevol agrarisch gebied zouden geëvalueerd hebben. Blijkbaar vermoedend dat met een ongunstige visuele impact op het landschappelijk waardevol agrarisch gebied moet gerekend worden, wordt wel een 'remedie' voorgesteld, d.w.z. er wordt een beperkende voorwaarde ('voorwaardelijke inwilliging') opgelegd : aan 2 zijden van de constructie moet een tenminste 3 meter breed groenscherm in streekeigen groen aangebracht worden, binnen het jaar na de oprichting van het schuilhok (...). Deze 'remedie' is geen remedie, omdat een 3 meter breed groenscherm niets wijzigt aan de visuele impact van een tot 3,90 meter hoge constructie, omdat 'streekeigen groen' in ons klimaat tenminste de helft van het jaar zonder bladeren staat en dus geen visuele bescherming biedt"; (...) Overwegende dat de verwerende partij hierop repliceert als volgt : "Verzoekende partij roept een ontstentenis van motivering in om reden dat het bestreden besluit op geen enkele wijze de door de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Oost-Vlaanderen aangehouden motivering weerlegt. De Wet op de Stedenbouw voorziet in een georganiseerd administratief beroep. Aangezien het om een hervormingsberoep gaat, (beschikken) de Bestendige Deputatie en de Vlaamse Regering over dezelfde beoordelingsbevoegdheid als het College van Burgemeester en Schepenen. Waar de administratieve beslissing dient gemotiveerd te zijn, houdt de motiveringsplicht niet in dat de beroepsinstantie, in geval van hervorming, de in de beroepen beslissing ingeroepen redenen moet weerleggen. 'Overwegende dat het kwestieus landbouwbedrijf, meer dan 100 runderen en 32 hectaren landbouwgronden in exploitatie heeft; dat bedoelde schuilplaats op een grasweide gescheiden van de bedrijfszetel voor grazende dieren principieel in een agrarisch gebied kan worden toegestaan; dat evenwel de op te richten constructie ondubbelzinnig alle eigenschappen van een schuilhok dient te bezitten; dat in casu rekening houdende met de grootte van de graasweide, het aantal runderen enerzijds, de conceptie van het gebouw en de gebruikte materialen anderzijds, het gebouw als boven omschreven ruimtelijk aanvaardbaar is; dat evenwel een groen scherm van tenminste 3 meter breed langs de Noordoost- en Zuidoostzijden in streekeigen groenaanplanting dient te worden X-9248-5/9 aangebracht; dat onder de stipte naleving van deze voorwaarden het beroep dient ingewilligd;'. Kan verzoekende partij zich niet aansluiten bij deze overwegingen, dan betekent dit nog niet dat het bestreden besluit niet zou zijn gemotiveerd. (...)"; Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoek tot tussenkomst het volgende poneert : "Dit middel dient afgewezen. - vooreerst is er een ernstige motivering weerhouden in het bestreden Ministerieel Besluit - secundo haalt eiser als middel aan 'ontstentenis van motivering terwijl eiser eerder handelt onder dit middel over 'onjuiste' motivering"; Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie niets uiteenzet met betrekking tot het eerste middel; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aan het in het verzoekschrift ontwikkelde eerste middel nog toevoegt dat het opleggen van groenaanplanting tegen visuele hinder als voorwaarde voor het verlenen van een bouwvergunning het beste bewijs is dat er visuele hinder en aantasting van het landschappelijk waardevol gebied is; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie niets toevoegt aan hetgeen hij reeds in eerdere procedurestukken heeft uiteengezet; Overwegende dat het kwestieuze perceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgesteld gewestplan Gentse en Kanaalzone is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; Overwegende dat krachtens artikel 15, 4.6.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, de landschappelijk waardevolle gebieden gebieden zijn "waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen", en "in deze gebieden (...) alle handelingen en werken (mogen) worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voorzover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen"; dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 X-9248-6/9 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn; dat uit een en ander volgt dat het college van burgemeester en schepenen in de beslissing over de bouwaanvraag zelf de concrete gegevens dient te vermelden waarop het zich heeft gesteund om tot het besluit te komen dat de afgifte van de gevraagde bouwvergunning de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengt, en dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidscontrole, enkel rekening kan houden met de feiten en de beoordeling ervan die in het bestreden besluit zelf zijn vermeld; Overwegende dat het bestreden besluit als volgt is gemotiveerd : "Overwegende dat het beroep ingesteld is binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing, die gebeurde op 5 augustus 1992; dat het dienvolgens ontvankelijk is; Overwegende dat het ontwerp strekt tot het oprichten van een schuilplaats voor dieren; dat de bestendige deputatie het bij haar ingesteld beroep verwerpt onder meer omdat kwestieuze konstruktie volgens het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgesteld gewestplan Gentse en Kanaalzone te situeren is in een homogeen landschappelijk waardevol agrarisch gebied, dat de beoogde konstruktie met een grootte van 98 m² en met degelijke materialen in feite geen schuilplaats is en een dergelijk bouwwerk tevens de aansnijding van een ongerept landschappelijk waardevol agrarisch gebied betekent; Overwegende dat kwestieuze grond volgens het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgesteld gewestplan Gentse en Kanaalzone gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat luidens de toepasselijke bepalingen van de artikels 11 § 4.1 en 15 § 4.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen dusdanige agrarische gebieden be- stemd zijn voor de landbouw in de ruime zin; dat die handelingen mogen worden gesteld die hieraan beantwoorden met evenwel die beperking dat de te stellen handelingen de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen; Overwegende dat onderhavige bouwaanvraag na afwijzing bij de bestendige deputatie in hoger beroep gevat, volgens de ingediende plans een schuilplaats voor dieren, hetzij 16,10 m bij 6,10 m groot en gaande van 2 m tot 3,90 m hoog onder schuine bedaking betreft; dat de uitvoering van de konstruktie in houten planken, het dak in asbestcementen golfplaten en één zijde (vooraanzijde over de grootste lengte) open en niet verharde vloer, zou gebeuren; dat kwestieuze konstruktie wordt geplaatst op een circa 4,5 ha grote graasweide ten behoeve van zoogkoeien en kalveren op 6 m van de zijdelingse perceelsgrens en op 15 m van een uitbatingsweg die uitgeeft op de buurtweg Meierij; dat op de voorge- stelde inplantingsplaats eertijds een schuilhok stond (volgens appellant met dezelfde afmetingen) waarvoor op 19 februari 1990 de bouwvergunning door de gemeente werd afgegeven; dat de bouw - identiek met onderhavig voorwerp - niet binnen het jaar werd gerealiseerd en onderhavige aanvraag de herziening van de vorige betreft; X-9248-7/9 Overwegende dat kwestieus landbouwbedrijf, meer dan 100 runderen en 32 ha landbouwgronden in exploitatie heeft; dat bedoelde schuilplaats op een graasweide gescheiden van de bedrijfszetel voor grazende dieren principieel in een agrarisch gebied kan worden toegestaan; dat evenwel de op te richten konstruktie ondubbelzinnig alle eigenschappen van een schuilhok dient te bezitten; dat in casu rekening houdende met de grootte van de graasweide, het aantal runderen enerzijds, de conceptie van het gebouw en de gebruikte materialen anderzijds, het gebouw als boven omschreven ruimtelijk aanvaardbaar is; dat evenwel een groenscherm van tenminste 3 m breed langs de noordoost- en zuidoostzijden in streekeigen groenaanplanting dient te worden aangebracht; dat onder de stipte naleving van deze voorwaarde het beroep dient ingewilligd"; Overwegende dat het bestreden besluit, na het onderzoek naar de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep van de tussenkomende partij, na een weergave van de motivering van het besluit van de bestendige deputatie, na de opsomming van de toepasselijke wetsbepalingen en na een beschrijving van de aangevraagde werken, overweegt dat een schuilplaats principieel in agrarisch gebied kan worden toegestaan, dat de betrokken schuilplaats ruimtelijk aanvaardbaar is en dat een groenscherm moet worden aangebracht, zonder de reden van deze laatste verplichting te specifiëren; dat moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit enkel de overeenstemming van het bouwwerk met de bestemming agrarisch gebied motiveert en niet met het landschappelijk waardevol karakter van dat gebied; Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift derhalve terecht aanvoert dat "uit niets blijkt dat (de verwerende partij) (...) de visuele impact van de beoogde constructie op het landschappelijk waardevol agrarisch gebied zou(...) (hebben) geëvalueerd"; dat het tweede middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  4. Vernietigd wordt het besluit van 1 maart 1993 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden waarbij het beroep van de b.v.b.a. EUROKWALIKOOP tegen de beslissing van 9 juli 1992 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen houdende weigering van de vergunning voor het plaatsen van een schuilplaats voor dieren te Merelbeke, Meierij, op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nr. 373e wordt ingewilligd en haar onder voorwaarde de gevraagde vergunning wordt verleend. X-9248-8/9 Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien juli 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. LUST, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-9248-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.842 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.