id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.899 Rolnummer: A. 109792/VII-24433 Zaak: Arrest 133899 - - 14/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-30 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 08:19 Fiche Arrest nr 133.899 van 14 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIEnr. 133.899 van 14 juli 2004 in de zaak A. 109.792/VII-24.433 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. HUYSMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Berthoudersplein 57 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 1 september 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 1 augustus 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 3 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 9 oktober 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-24.433-1/6 Gelet op de beschikking van 19 april 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 30 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HUYSMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur C. LECHAT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij verklaarde zich op 21 december 2000 vluchteling. 1.
- Op 3 januari 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 1 augustus 2001 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "U beweert op het Commissariaat-generaal een Russisch staatsburger te zijn van Russische afkomst. Volgens Uw verklaringen werd U in het leger mishandeld door medesoldaten. In september 1998 bent U Uw legerdienst begonnen op een basis bij Pjetigorsk, bij het regiment nummer
- Tijdens Uw zes maand durende vorming zou U al geslagen geweest zijn door ouderen en sergeanten, op de borst, in de nek en in de hals. In de zomer van 1999 bent U verplicht geweest toiletten te kuisen in plaats van andere dienstplichtigen die al langer in dienst waren dan U. Met 4, waaronder een zekere T., zouden ze U geslagen en geschopt hebben omdat U weigerde hun vuile werk te doen. Hiervoor hebt U één à anderhalve week in het ziekenhuis verbleven. Over dit incident hebt U geen klacht ingediend. U hebt zelfs aan de commandant, op zijn vraag naar wat er met U gebeurd was, geantwoord dat U van de trap gevallen was. Op het VII-24.433-2/6 einde van de herfst van 1999 moest U douches kuisen in de plaats van iemand anders. Tijdens dit karwei hebben ze U geslagen en heeft T., en misschien ook de andere drie aanwezigen, U verkracht. U bent toen op het hoofd geslagen, had een gebroken rib en hebt een messteek in de arm gehad die genaaid geweest is. Voor die verwondingen bent U tweeëneenhalve à drie weken in het ziekenhuis gebleven. Eén week na de feiten hebt U hierover Uw commandant aangesproken. Die heeft U beloofd de zaak te zullen onderzoeken. Na twee weken zonder resultaat hebt U Uw commandant gevraagd of hij het onderzoek voerde. Hij heeft aan U gezegd dat alles in orde zou komen. Ondertussen hadden T. en zijn vrienden aan iedereen verteld dat ze U hadden verkracht, waardoor andere soldaten U verbaal begonnen te pesten. Ten gevolge hiervan heeft U een zelfmoordpoging ondernomen door verschillende maal in de buitenkant van uw linker onderarm te snijden. U bent opgenomen in het ziekenhuis waar ze Uw arm op verschillende plaatsen genaaid hebben. Na één week in het ziekenhuis verbleven te hebben, hebt U aan uw commandant één maand verlof gevraagd. Deze heeft U echter maar één à anderhalve week verlof gegeven. Hierop bent U in november naar Uw vriendin gegaan in Lermontov. Gedurende negen maanden hebt U afwisselend, bij verschillende vrienden verbleven in afwachting dat uw vriendin voldoende geld voor uw vlucht bijeengespaard had. U vreest dat U als deserteur drie à zes jaar gevangenisstraf zou kunnen krijgen omdat U geen bewijzen hebt van wat U in het leger overkomen is. In januari 2000 bent U in België toegekomen waar U op 21 december 2000 asiel gevraagd hebt aan de Belgische autoriteiten. U bent niet in het bezit van enig identiteitsdocument. Tussen Uw verschillende verklaringen, bij de Dienst Vreemdelingenzaken op 21 december 2000, Uw schriftelijke verklaring van 27 april 2001 en uw verklaringen op het Commissariaat-generaal van 16 juli 2001 zijn er verschillende tegenstrijdigheden op te merken waardoor de geloofwaardigheid van Uw verklaringen ernstig ondermijnd wordt. Bij de Dienst Vreemdelingenzaken maakte U in april of mei 1999 voor het eerst melding van een incident, waarbij u een verwonding zou hebben opgelopen, namelijk een gebroken rib, na geschopt te zijn door oudere dienstplichtigen (DVZ, vraag 42). Op het Commissariaat-generaal verklaart U dat U voor het eerst gewond bent geweest in de zomer van 1999 en dat dit een hoofdwonde was (CGVS, p. 8-9). In diezelfde verklaring beweert U inderdaad een linkerrib te hebben gebroken, maar situeert u, die niet bij het voorval in april of mei 1999, maar bij de verkrachting in de douches in de herfst van 1999 (CGVS, p 9, 12). Bij de Dienst Vreemdelingenzaken beweert U door drie dienstgenoten te zijn aangepakt, namelijk D., T. en A., en enkel door A. te zijn verkracht terwijl D. en T. U vasthielden (DVZ, vraag 42). Op het Commissariaat-generaal beweert U door vier mensen te zijn aangepakt in de douches en door T. te zijn verkracht, terwijl U zich de namen van Uw andere belagers niet meer herinnert (CGVS, p. 10). Ook in Uw schriftelijke verklaring verklaarde u de namen van de anderen niet meer te herinneren (schriftelijke verklaring, p. 3). In uw schriftelijke verklaring beweerde u, in tegenstelling tot uw verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken, ook door de anderen verkracht te zijn (schriftelijke verklaring, p.3), terwijl u op het Commissariaat-generaal denkt dat de anderen u ook verkracht hebben, maar dit niet meer zeker weet (CGVS, p. 10-11). Bij de Dienst Vreemdelingenzaken meldt U dat U aan de chef S. K. verteld heeft wat er is gebeurd (DVZ, vraag 42). Op het Commissariaat-generaal beweert U de naam niet meer te kennen van de commandant aan wie U Uw beklag gedaan hebt (CGVS, p. 11). Bij de Dienst Vreemdelingenzaken beweert U Uw polsen te hebben doorgesneden (DVZ, vraag 42). Op het Commissariaat-generaal beweert en toont U dat U Uzelf niet aan de pols, maar op de bovenkant van Uw arm verschillende snijwonden hebt toegebracht (CGVS, p. 13). Bij de Dienst Vreemdelingenzaken verklaart U dat U, reeds in augustus 1999, na uw zelfmoordpoging deserteerde en daarna ondergedoken bleef wonen tot december 1999 bij Uw vriendin S.. Vervolgens had U, volgens die verklaring, gedurende één jaar een appartement gehuurd in Pjetigorsk. In de herfst van 2000 hebt U dan een smokkelaar gevonden die U betaald hebt met geld dat Uw vriendin S. U geleend had (DVZ, vraag 42). Op het Commissariaat-generaal, daarentegen, beweert U pas in november 1999 deserteerde door na Uw verlof niet teruggekeerd te zijn naar het leger en dat U gedurende negen maanden ondergedoken geleefd hebt, eerst bij Uw vriendin T. in Lermontov en dan bij verschillende anderen vrienden in verschillende steden (CGVS, p. 15). Niet S., maar T. heeft U dan het geld bezorgd om Uw reis naar Europa VII-24.433-3/6 te betalen (CGVS, p. 17). in uw schriftelijke verklaring beweert U dan weer bij Uw vriendin gebleven te zijn na uw desertie (schriftelijke verklaring, p. 5). Gelet op die tegenstrijdigheden kan bezwaarlijk geloof gehecht worden aan de elementen die U aanbrengt ter ondersteuning van Uw asielaanvraag. Zo lijkt het onwaarschijnlijk dat U zich niet herinnert hoeveel mensen U aangevallen en verkracht hebben en dat U zich hun namen wel op de Dienst Vreemdelingenzaken, na meer dan één jaar na de feiten, herinnert en niet meer na anderhalf jaar na de feiten. Zo ook wat de naam van Uw commandant betreft. Het is ook op zijn minst opmerkelijk te noemen dat U twee verschillende namen aanhaalt wat Uw vriendin betreft. Zo ook lijken de andere tegenstrijdigheden niet op een aannemelijke wijze verklaarbaar. Gelet op het voorgaande kan er jegens U geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, weerhouden worden.". Dit is de bestreden beslissing; 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij in wezen stelt dat de vastgestelde tegenstrijdigheden te wijten zijn aan de emotionele toestand waarin zij verkeerde ten gevolge van de gebeurtenissen in haar land van herkomst, de wijze van vraagstelling en de volgens de verzoekende partij te korte duur van het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat zij voorts stelt dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, dat de feiten waar de verzoekende partij haar vrees voor vervolging op baseert onvoldoende werden onderzocht en dat geen concreet onderzoek werd verricht naar alle door haar aangehaalde feitelijke omstandigheden; Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de overheid, bevoegd om uitspraak te doen over een asielaanvraag, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid laat, die de redelijkheid tot grens heeft; dat deze wetsbepaling niet geschonden is louter en alleen omdat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onvoldoende geloof heeft gehecht aan de niet door concrete elementen gestaafde beweringen van de verzoekende partij en niet wordt aangetoond dat de bevindingen waartoe commissaris-generaal is gekomen na analyse van het asielrelaas van de verzoekende partij feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zouden zijn; dat de verzoekende partij dit te dezen niet aantoont; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft VII-24.433-4/6 bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat, zo het middel dusdanig geïnterpreteerd wordt dat de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, zij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal, en de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te beoordelen, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat de verzoekende partij, zoals reeds gezegd, niet aanvoert, en bijgevolg evenmin aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat de commissaris-generaal in de verklaringen van de verzoekende partij een niet onbelangrijk aantal tegenstrijdigheden en onnauwkeurigheden heeft vastgesteld; dat deze opgesomd worden in de bestreden beslissing ; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal uit een warrig, weinig precies, soms incoherent en zelfs tegenstrijdig asielrelaas afgeleid heeft dat de asielaanvraag bedrieglijk was; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris-generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat de verzoekende partij stelt dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen meent een aantal ongeloofwaardigheden te moeten aanhalen in haar verklaringen zonder deze zelf te controleren of te toetsen; Overwegende dat de verzoekende partij ten onrechte de commissaris- generaal een gebrek aan zorgvuldigheid verwijt; dat deze de bestreden beslissing pas heeft uitgesproken na te hebben kennis genomen van het relaas van de verzoekende partij en na dit verhaal nauwkeurig te hebben geanalyseerd; dat de verzoekende partij overigens nalaat concreet aan te tonen welke elementen van haar verhaal niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn onderzocht; dat het middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van VII-24.433-5/6 artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juli tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-24.433-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.899 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div