id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.904 Rolnummer: A. 118374/VII-26101 Zaak: Arrest 133904 - - 14/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-30 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 08:20 Fiche Arrest nr 133.904 van 14 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 133.904 van 14 juli 2004 in de zaak A. 118.374/VII-26.101 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. MATTHIJS, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Vlaamse Kaai 54-57 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indische nationaliteit, op 19 maart 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 februari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 25 maart 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 19 april 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 30 juni 2004; VII-26.101-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. DE TOLLENAERE, die, loco advocaat A. MATTHIJS, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur C. LECHAT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij verklaarde zich op 4 oktober 2000 vluchteling. 1.
- Op 16 januari 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 20 februari 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "U verklaarde in dringend beroep lid te zijn van de partij Shiromani Akali Dal (Mann). In 1995 zou u beginnen studeren zijn aan het SD College Barnala, waar u Phoola Singh Barnala en Dimple Singh Barnala - beide leden van de partij - ontmoette. Deze mensen zouden u in contact gebracht hebben met Paramjit Singh Barnala, algemeen secretaris, die u op zijn beurt in contact bracht met Simranjit Singh Mann. Op 13 september 1996 zou u officieel lid geworden zijn van de partij. Uw functie zou voornamelijk bestaan hebben uit het maken van propaganda en het inzamelen van geld voor de partij. In 1997 staakte u uw studies, en op 9 november 1997 zou u tijdens een religieuze ceremonie gehuwd zijn. Ongeveer 15 dagen daarvoor zouden Sardar Phoola Singh Barnala en Dimple Singh Barnala gearresteerd zijn door de politie. U zou mede de hierop volgende protestmanifestaties georganiseerd hebben, omdat u ondertussen ook president van het college zou geworden zijn, en in datzelfde jaar zou u ook nog eens president van de Sikh Student Federation op districtsniveau geworden zijn. De politie zou u daarop beginnen zoeken zijn en uw familie korte tijd gearresteerd hebben op een moment dat u niet thuis was. U zou vervolgens ondergedoken zijn en slechts af en toe naar huis gegaan zijn. Op 20 maart 1999 zou u te horen hebben gekregen dat uw vrouw bevallen was van een dochter, en op 21 maart zou u haar bezocht hebben. VII-26.101-2/6 Toen u op weg was naar de tempel zou u gearresteerd zijn door de politie van Barnala en enkele uren opgesloten zijn in het politiekantoor. Hierna zou u overgebracht zijn naar de kantoren van de "C.I.A. Staff" van Haniaya, waar u gedurende vijf dagen ondervraagd en gefolterd werd. Uw vader zou u uiteindelijk hebben vrijgekregen met behulp van 100.000 roepies smeergeld. Na uw vrijlating zou u zo'n twee à drie maanden thuisgebleven zijn, maar toen de politie opnieuw naar u op zoek was, zou u weer ondergedoken zijn bij vrienden. Ongeveer een jaar later (rond juli 2000) zou uw vader besloten hebben dat u maar beter naar het buitenland kon vluchten, aangezien de politie onafgebroken naar u bleef zoeken. Hij zou contact gezocht hebben met een smokkelaar uit Chandighar, en in september 2000 zou u samen met uw vrouw India verlaten hebben, om op 4 oktober 2000 in België asiel aan te vragen. Eerst en vooral moet worden opgemerkt dat Shiromani Akali Dal (Mann) een legale partij is, waarvan de president Simranjit Singh Mann als vertegenwoordiger in de 'Lok Sabha' zetelt. In het licht van deze context heeft u onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom u, als gewoon lid zonder belangrijke functie binnen de partij, vervolgd zou worden door de Indische autoriteiten, voornamelijk omdat uw verklaringen in dringend beroep weinig overtuigend, ongeloofwaardig en in een aantal gevallen tegenstrijdig bleken te zijn. Er kunnen vooreerst vragen gesteld worden over uw daadwerkelijke politieke engagement. Het is namelijk opmerkelijk dat u enerzijds beweert India te hebben moeten verlaten omwille van uw politieke engagement, maar dat anderzijds bij nadere bevraging blijkt dat u nooit op een kiezerslijst heeft gestaan, en zelfs de moeite niet heeft gedaan om uit te vinden waarom u niet of hoe u wel kon stemmen. U wist dan ook helemaal niets over de verkiezingen van 1997, waarbij Simranjit Singh Mann tot vertegenwoordiger in de 'State Assembly' werd verkozen, of de verkiezingen van 1999 waarbij hij een zetel in de 'Lok Sabha' veroverde (zie gehoorverslag p. 6), en in het licht van uw asielrelaas is dit vreemd te noemen. Vervolgens beweerde u president te zijn geweest van de Sikh Student Federation op het districtsniveau, maar kon u absoluut niets vertellen over de verschillende fracties binnen de beweging, wie de leiding heeft of gehad heeft, etc. (zie gehoorverslag p. 10). Daarenboven strookt uw verklaring dat u in het kader van uw functie als president van de Sikh Student Federation verschillende college's in het district zou bezocht hebben, helemaal niet met uw bewering dat u vanaf begin 1998 tot aan uw arrestatie in maart 1999 was ondergedoken, en zeker niet in het licht van uw voorgaande bewering dat de autoriteiten u in de gaten hielden via geheime informanten (zie gehoorverslag p. 11 en 6). Vervolgens legde u aan het begin van het interview als bewijs van uw politiek profiel een soort visitekaartje voor waarop uw verschillende functies staan opgesomd. Geconfronteerd met de frappante schrijffouten op het kaartje (bijvoorbeeld "President of Seakh Student Fandracen"), verklaarde u echter dat dit de fout was van de persoon die het kaartje printte en naar België opstuurde (zie gehoorverslag p. 6). Het feit dat u na uw vertrek door iemand een visitekaartje laat printen, om het hier vervolgens als zogenaamd bewijsmateriaal voor te leggen, komt uiteraard de geloofwaardigheid van uw relaas niet ten goede. Verder zijn er een paar tegenstrijdigheden tussen uw verklaringen in dringend beroep en bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Zo beweerde u in dringend beroep dat u lid werd van Shiromani Akali Dal (Mann) toen u de president Simranjit Singh Mann ontmoette (zie gehoorverslag p. 5), terwijl bij de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat u hem pas twee maanden nadat u lid werd ontmoette. Ook uw verklaring in dringend beroep dat u na uw arrestatie eerst enkele uren werd opgesloten in het plaatselijke politiekantoor, en vervolgens per auto werd overgebracht naar een gebouw van de "C.J.A. Staff" (zie gehoorverslag p. 9), strookt niet met uw eerdere verklaring bij de Dienst Vreemdelingenzaken dat u in het politiekantoor van Barnala in een speciale cel werd ondergebracht. Wat de nog niet vermelde en door u voorgelegde documenten betreft, moet worden vastgesteld dat het overgrote deel geen bewijskracht bevat voor uw vluchtrelaas, aangezien ze ofwel uw lidmaatschap van Shiromani Akali Dal bevestigen - die niet in vraag wordt gesteld - ofwel uit algemene informatie bestaat die iedereen kan verzamelen. Dit is het geval voor de fotokopie van de identiteitskaart en de brief van de heer Singh Sarbjit (die uw lidmaatschap bevestigt), de krantenartikels en informatie over Simranjit Singh Mann (die iedereen kan verzamelen), de brief van de heer Iqbal VII-26.101-3/6 Singh Tiwana (die wat u betreft enkel uw lidmaatschap bevestigt), de medische attesten (die geen enkel verband aantonen tussen uw medische kwalen en de folteringen waarvan u gewag maakt), het visitekaartje van de heer Paramjit Singh Barnala, en tenslotte uw lidkaart van de partij, die opnieuw enkel uw lidmaatschap bevestigt. Wat vervolgens de getuigenis van de heer Simranjit Singh Mann over uw problemen betreft, moet worden opgemerkt dat hij uw asielrelaas tegenspreekt door verschillende keren te verklaren dat u India verlaten hebt in december 2000, terwijl u beweert in België te zijn aangekomen in september 2000 (zie gehoorverslag p. 3). Verder beperkt de getuigenis van Simranjit Singh Mann zich hoofdzakelijk tot de situatie in Pubjab in de jaren 1996-1997, die niet meer overeenkomt met de huidige toestand. Bovenal echter is dit document een plaisancestuk dat opgesteld werd op uw verzoek, en in essentie een éénzijdige verklaring van een betrokken partij die er alle belang bij heeft om uw vluchtrelaas te bevestigen. Bijgevolg kan aan deze brief geen doorslaggevende waarde worden gehecht in de beoordeling van uw asielaanvraag. Hetzelfde geldt voor de fax van uw advocaat die u op 28 januari 2002 aan een medewerker voorlegde. Vervolgens moet worden opgemerkt dat het meest cruciale document in uw asieldossier ontbreekt: u beweert namelijk dat er na uw vertrek uit India een Warrant of Arrest tegen u werd uitgevaardigd, en dat deze tegen de deur van uw huis werd geplakt omdat uw ouders het weigerden aan te nemen. Op vraag waarom u dit document niet voorlegde, verklaarde u het te zullen voorleggen indien u hiervoor nog wat tijd kreeg. Eén week na het interview in dringend beroep legde u vervolgens inderdaad een brief van uw advocaat voor en een gerechtsdocument (door uw vader opgestuurd), maar geen Warrant of Arrest. Aangezien deze Warrant volgens uw verklaringen in handen van uw familie is, en u in staat blijkt om op korte tijd andere documenten te verzamelen, is er geen enkele plausibele reden waarom dit document niet kon worden voorgelegd, en moet uw verklaring hieromtrent eveneens in twijfel worden getrokken - temeer daar er zowel in de brief van uw advocaat en in het gerechtsdocument geen sprake is van een Warrant of Arrest. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat zowel in de brief van uw advocaat als in het zogenaamde gerechtsdocument van de "District Session Judge Sangrur" sprake is van een beschuldiging onder de Terrorist and Disruptive Activities (Prevention) Act ("TADA Act") van
- Dit is een bijzonder vreemd gegeven, aangezien deze beschuldiging zou dateren van 20 juni 2000, terwijl de "TADA Act" officieel buiten werking is gesteld sinds mei 1995 (zie rapport van Amnesty International ASA 20/22/00; Department of State 2000, p. 14). Hoewel de wet niet is afgeschaft, wordt ze sindsdien officieel niet meer toegepast, en bijgevolg kan ernstig getwijfeld worden aan de authenticiteit van deze door u voorgelegde documenten. Bovendien wist u tijdens het interview in dringend beroep blijkbaar niet eens waarvan u beschuldigd was: u beweerde namelijk dat er vier verschillende beschuldigingen tegen u waren opgesteld, terwijl er in uw documenten slechts sprake is van drie. Uit al de voorgaande opmerkingen moet dan ook besloten worden dat er geen geloof kan gehecht worden aan uw asielrelaas. Bijgevolg wordt uw asielaanvraag onontvankelijk verklaard.". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en vervat in artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij in wezen de feitelijke motieven waarop de bestreden beslissing berust aan kritiek onderwerpt en stelt dat die beslissing onvoldoende is gemotiveerd; VII-26.101-4/6 Overwegende dat de door de wet van 29 juli 1991 voorgeschreven formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht; dat zij er evenwel niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te beoordelen, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat de verzoekende partij niet aanvoert en bijgevolg evenmin aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris-generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dat de verzoekende partij in wezen stelt dat “de voor haar zeer nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doeleinden”; Overwegende dat de verzoekende partij niet uiteenzet welke die “onevenredige” gevolgen zouden zijn die in wanverhouding staan tot de doeleinden van het besluit; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een derde middel de schending wordt ingeroepen van “de wettelijke bewijsregels”; VII-26.101-5/6 Overwegende dat de verzoekende partij niet uiteenzet welke specifieke regels zouden zijn geschonden, noch waarin te dezen die schending zou bestaan; dat het middel niet tot nietigverklaring kan leiden;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juli tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-26.101-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.904 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div