id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.913 Rolnummer: A. 124561/VII-27379 Zaak: Arrest 133913 - - 14/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-30 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 08:20 Fiche Arrest nr 133.913 van 14 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 133.913 van 14 juli 2004 in de zaak A. 124.561/VII-27.379 In zake : XXX, verblijvende te 2600 BERCHEM, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 26 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 juli 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 12 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 17 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 19 april 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 30 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-27.379-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat V. BEHIELS, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur C. LECHAT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 16 juni 2000 en verklaarde zich op 19 juni 2000 vluchteling. 1.
- Op 12 april 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 9 juli 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) U verklaart de Iraanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Shiraz. In de eerste maand van 1374 (Iraanse kalender, komt overeen met maart/ april 1995 in de Gregoriaanse kalender) leerde u kolonel Behruz kennen op een trouwfeest. Nadat u goed bevriend was geraakt met hem sloot u zich aan bij de monarchistische groepering waar hij lid van was, namelijk Sazman Negahbanane Iran Djavid (NID). Eerst was u slechts sympathisant en distribueerde u pamfletten maar in 3/1375 (mei/ juni 1996) werd u lid van de partij waarbij u het gezag kreeg over een groep van vijftien mensen waaronder uw twee schoonzonen XXX enXXX. Op 17/12/1378 (07/03/2000) vernam u telefonisch van kolonel Behruz dat een aantal sympathisanten van de partij waren opgepakt waaronder twee mensen uit uw groep, namelijk Seyed Mehdi Tavangar en Majid Safshekan. U heeft vervolgens uw twee schoonzonen verwittigd en u heeft samen bezwarende documenten vernietigd in de badkamer. U bent dan, samen met uw echtgenote, uw twee schoonzonen en uw twee dochters XXX en XXX naar Teheran vertrokken waar u drie maanden verbleef bij een oom. Op 16/03/1379 (06/06/2000) heeft u Iran verlaten en op 27/03/1379 (17/06/2000) kwam u aan in België. Vanuit België officialiseerde u uw politiek engagement door lid te worden van de "Negahbanane Iran Djavid (NID)" met standplaats in Duitsland. Ook uw echtgenote werd tijdens het verblijf in België lid van deze monarchistische beweging die in Iran verboden is. VII-27.379-2/7 Na uw vlucht uit Iran ontving u in België faxen van een convocatie van het ministerie van Financiën en een convocatie van de Revolutionaire rechtbank van Shiraz. Betreffende de kennelijke ongegrondheid van uw asielaanvraag dient het volgende te worden opgemerkt: De problemen die u aanhaalt ter staving van uw asielrelaas, namelijk het feit dat twee van uw medeleden van de verboden monarchistische groepering NID gearresteerd werden, zijn onvoldoende zwaarwichtig om te worden beschouwd als systematische en daadwerkelijke vervolging zoals omschreven in de Vluchtelingenconventie. Er dient gesteld te worden dat u geen gewag heeft gemaakt van het feit dat u ooit op enigerlei wijze in contact kwam met de Iraanse autoriteiten omwille van enige politieke activiteit. U werd nooit gearresteerd, beschuldigd of veroordeeld en verliet bijgevolg uw land uit vrees gebaseerd op een vermoeden. Dit is echter ontoereikend als gegronde vervolgingsvrees. Nergens uit uw verklaringen blijkt immers dat u het slachtoffer zou zijn van een systematische en daadwerkelijke vervolging uwentwege. U kan niet aannemelijk maken dat u door de Iraanse autoriteiten werd geïdentificeerd, noch in Iran, noch in het buitenland. Ook uw bewijs van lidmaatschap van de partij NID in Duitsland is geen bewijs van uw beweerde politieke activiteiten in Iran en de daaruit volgende vervolgingsvrees. Het betreft immers een handeling die u stelde na uw vertrek uit Iran en waarvan de Iraanse autoriteiten niet op de hoogte zijn. Bijgevolg voegen deze documenten niets toe aan bovenvermelde redenering. Ook dient er te worden toegevoegd dat u na de arrestatie van de twee groepsleden, de feiten waardoor u vervolging vreesde, nog gedurende drie maanden in Iran verbleef bij familie. Dit is een te lange periode om te kunnen spreken van een ernstige vluchtsituatie zoals vereist in de Vluchtelingenconventie. Gezien de weinige haast waarmee u uw land verliet wordt nogmaals de bovenstaande motivering van het kennelijk ongegrond karakter van uw vrees bevestigd. Verder is het merkwaardig dat u verklaart voor het Commissariaat-Generaal dat uw schoonzonen in Iran slechts sympathisant waren van de partij (verhoorverslag CGVS p. 8 en 10). Uw schoonzoon XXX verklaart echter voor het Commissariaat-Generaal dat hij in Iran ook lid was van de partij (verhoorverslag CGVS 4 en 12). Verder is het eveneens merkwaardig dat u voor het Commissariaat-Generaal verklaart dat er twee personen van uw ploeg waren opgepakt samen met nog andere personen van de partij (verhoorverslag CGVS p 14). Uw schoonzoon XXX verklaart daarentegen dat er slechts twee personen van de partij zijn opgepakt (verhoorverslag CGVS p 14). Wat betreft de fax van de convocatie van de revolutionaire rechtbank die u heeft neergelegd dient te worden vastgesteld dat deze vrij onleesbaar en van slechte kwaliteit is, er kan dan ook weinig bewijswaarde aan worden gehecht. Bovendien blijkt uit een bron waarover het Commissariaat-generaal beschikt dat de Revolutionaire Rechtbank enkel gebruikt maakt van oproepingsbrieven bij minder ernstige zaken, bij ernstige misdrijven wordt de persoon thuis opgehaald (zie antwoord Cedoca dd. 24.01.2001). Dit bevestigt het kennelijk ongegronde karakter van uw asielaanvraag. De kopie van de convocatie van de Herassat (geheime dienst) van het ministerie van Economische Zaken en Financiën vermeldt slechts dat u zich moet gaan aanmelden bij de Revolutionaire Rechtbank om bepaalde inlichtingen te geven maar vermeldt niet waarom u dit moet doen. De convocatie voegt dan ook niets toe aan uw vluchtrelaas. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat de overige door u neergelegde documenten (namelijk een kopie van uw huidige identiteitskaart, uw identiteitskaart uit de periode dat de Shah aan de macht was, een tewerkstellingsattest, lidkaart NID, certificaat lidmaatschap NID, fax secretariaat Reza Pahlavi, pamfletten, een krantenartikel) niet van die aard zijn om bovenvermelde vaststelling te wijzigen. Uw identiteitsdocumenten en het tewerkstellingsattest bevestigen enkel uw identiteit en uw werk, waaraan niet getwijfeld wordt. De overige documenten in verband met uw politiek engagement hebben betrekking op uw politieke activiteiten in België. Het krantenartikel handelt over straffen in Iran en gaat niet over u persoonlijk, het voegt dan ook niets toe aan uw vluchtrelaas. In het kader van uw twee dochters en uw schoonzonen werd eveneens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. VII-27.379-3/7 Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Conventie van Genève van 28 juli 1951.". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van de motiveringsplicht; dat de verzoekende partij artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur geschonden acht; dat zij in wezen stelt dat er in haar land van herkomst wel sprake is van vervolgingen en van schendingen van de mensenrechten, dat de in de bestreden beslissing weerhouden tegenstrijdigheden “onbenulligheden” betreffen of te wijten zijn aan vertaalproblemen en dat de verzoekende partij tijdens het interview nooit op die tegenstrijdigheden is attent gemaakt, en dat er geen sprake is van bedrog; Overwegende dat de formele motiveringsplicht vastgelegd in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; dat de verzoekende partij in hoofdzaak de materiële motiveringsplicht geschonden acht, maar er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, en de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te beoordelen, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat de verzoekende partij niet aanvoert, en bijgevolg evenmin aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de VII-27.379-4/7 commissaris-generaal uit een warrig, weinig precies, soms incoherent en zelfs tegenstrijdig asielrelaas afgeleid heeft dat de asielaanvraag ongegrond was; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris-generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt; dat het voor de kandidaat- vluchteling niet volstaat om te verwijzen naar de algemene politieke situatie in zijn land van herkomst; dat hij met concrete elementen moet aantonen dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging kan koesteren in de zin van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève); dat de verzoekende partij niet concreet aantoont welke elementen van haar verklaring verkeerd zouden zijn vertaald of begrepen; dat de bewering als zouden de vastgestelde onnauwkeurigheden en tegenstrijdigheden - zo deze aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op de grondslag liggen van de bestreden beslissing - het gevolg zijn van vertaalproblemen niet meer is dan een blote bewering; dat de commissaris-generaal niet verplicht is tijdens het verhoor de kandidaat-vluchtelingen te confronteren met vastgestelde tegenstrijdigheden; dat de hoorplicht niet impliceert dat de ondervragende overheid, door een soort dialoog, de ondervraagde tracht te brengen tot een voor deze meer gunstige verklaring, noch dat de ondervraagde moet worden gewezen op eventuele onduidelijkheden, tegenstrijdigheden of onnauwkeurigheden in zijn antwoorden; dat het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag onder meer kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene aangetast zijn door tegenstrijdigheden, verward zijn of onsamenhangend of in strijd zijn met algemeen bekende feiten; dat de bewering van de verzoekende partij dat enkel tot de bedrieglijkheid van een asielaanvraag kan worden besloten indien er sprake is van bedrog of wanneer er verklaringen werden afgelegd in strijd met documenten of vaststaande feiten bijgevolg niet kan worden bijgetreden; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat de verzoekende partij stelt dat uit de beslissing niet kan worden afgeleid “dat de Vaste Beroepscommissie de toestand in Iran en het gevaar voor de persoonlijke en fysische integriteit van verzoekende partij heeft onderzocht”; Overwegende dat het beroep is gericht tegen een beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat wanneer de verzoekende partij spreekt over de Vaste Beroepscommissie, het middel is opgesteld met schending van de zorgvuldigheidsplicht die rust op iedere rechtzoekende en vooral op de professionele juristen die hem bijstaan; dat, los daarvan, de verzoekende partij ten onrechte de commissaris-generaal een gebrek aan zorgvuldigheid verwijt; dat deze de bestreden beslissing pas heeft uitgesproken na te hebben kennis genomen van het relaas van de verzoekende partij en na dit verhaal nauwkeurig te hebben geanalyseerd; dat het middel niet gegrond is; VII-27.379-5/7 2.
- Overwegende dat het derde middel is gericht tegen het advies omtrent de terugleiding dat in de bestreden beslissing werd verleend; Overwegende dat het hier gaat om een niet-bindend advies dat bijgevolg niet vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring; dat het middel niet kan leiden tot nietigverklaring van de bestreden beslissing;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-27.379-6/7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juli tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-27.379-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.913 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div