← België

Arrest 133921 - - 14/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.921 Rolnummer: A. 99506/XIV-1650 Zaak: Arrest 133921 - - 14/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-04 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 08:20 Fiche Arrest nr 133.921 van 14 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.921 van 14 juli 2004 in de zaak A. 99.506/XIV-

  1. In zake : XXX, alias XXX, die woonplaats kiest bij advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Eedgenotenstraat 51 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door:
  2. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de minister van Binnenlandse zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, alias XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 17 januari 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing 21 december 2000 van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot bevestiging van de beslissing van 30 juni 2000 van de minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied te verlaten; Gelet op de beschikking van 12 maart 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 7 juli 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 september 2003; XIV-1650-1/3 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. GUL, die loco advocaat D. MONFILS verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur eerste auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 13 september 1999 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 30 juni 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 21 december 2000 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “Er dient opgemerkt te worden dat betrokkene geen eensluidende verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot zijn naam, afkomst, nationaliteit en asielmotieven, waardoor zijn vluchtrelaas in een uiterst bedrieglijk daglicht komt te staan. Zo verklaarde betrokkene op de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij XXX noemt, geboren is op 23 mei 1967 te Suhareke (Kosovo) en de Joegoslavische nationaliteit bezit. Hij zou naar aanleiding van de Servische repressie in Kosovo, via Albanië naar België zijn gevlucht. In de schriftelijke vragenlijst van het Commissariaat-generaal alsook in zijn verzoekschrift aangaande zijn dringend beroep, verklaarde betrokkene echterXXX te noemen, geboren te zijn op 23 mei 1967 te Tirana en de Albanese nationaliteit te bezitten. Hij zou Albanië verlaten hebben naar aanleiding van politieke problemen met de autoriteiten. Betrokkene heeft aldus de Belgische autoriteiten trachten te misleiden.”;
  5. Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij bij de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde “naar Albanië (te) zijn weggevlucht voor de oorlog in Kosovo”; dat zij in haar dringend beroepschrift van 30 juni 2000 stelde dat ze haar land diende “te verlaten, meer bepaald om omstandigheden, welke goed gekend zijn in Kosovo”; dat zij met een brief van 11 juli 2000 aan de commissaris-generaal meedeelt wat volgt: “Ik kom terug op het dringend beroep dat werd ingesteld in het kader van dit dossier op 30 juni jl. voor de heer en mevrouw XXX. Na dit beroep heb ik een langdurig onderhoud gehad met mijn cliënten. Tijdens dit onderhoud hebben mijn cliënten mij medegedeeld dat in strijd met hetgeen zij verteld hebben aan de diensten van de Dienst Vreemdelingenzaken, zij volstrekt niet van Kosovaarse origine, doch van Albanese. Bij hun aankomst in België hebben mijn cliënten - volledig geïsoleerd en verloren - zich laten overtuigen door Albanezen, welke zij hebben ontmoet aan het Zuidstation te Brussel, dat zij zich absoluut dienden uit te geven voor Kosovaren. XIV-1650-2/3 Heden wensen mijn cliënten niet langer een nationaliteit te dragen welke niet hun identiteit is, en wensen zij de waarheid te herstellen. De redenen, welke hen ertoe aangezet hebben hun land van oorsprong te verlaten, zijn specifiek betreffende ieder van de echtgenoten, om uiteenlopende redenen en zij maken het voorwerp uit van documenten, welke mijn cliënten u willen overhandigen tijdens hun hoorzitting. (...).”; Overwegende dat overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel, fraus omnia corrumpit, geen gunstig gevolg kan worden verleend aan het beroep van een vreemdeling die eerder een asielaanvraag heeft ingediend onder een andere identiteit; dat dit neerkomt op het bewust misleiden van de Belgische autoriteiten en derhalve niet als het herstellen van de waarheid kan worden aangemerkt; dat hieruit volgt dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens ontstentenis van het wettelijk vereiste rechtmatig belang, BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juli tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-1650-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.921 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.