← België

Arrest 133925 - - 14/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.925 Rolnummer: A. 150542/VII-31960 Zaak: Arrest 133925 - - 14/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-13 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-07-04 08:21 Fiche Arrest nr 133.925 van 14 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.925 van 14 juli 2004 in de zaak A. 150.542/VII-31.960. In zake : de n.v. AQUAFIN, die woonplaats kiest bij Advocaat P. PEETERS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Graanmarkt 2 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan 20. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. AQUAFIN op 8 april 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de artikelen 54 en 61 van, en de bijlage I gevoegd bij "het besluit van de Vlaamse regering van 28 november 2003 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 1996 houdende Vlaams reglement betreffende de bodemsanering”(gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 13 februari 2004); Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 1 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 juni 2004; VII-31.960-1/18 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. PEETERS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat I. LAUREYS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de omvang van de vordering zich aandient als volgt : Op 28 november 2003 nam de Vlaamse regering een besluit tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 1996 houdende Vlaams reglement betreffende de bodemsanering. Het besluit verscheen in het Belgisch Staatsblad van 13 februari 2004. De verzoekende partij vraagt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de artikelen 54 en 61, en van de bijlage 1 van dit besluit. Artikel 54 bepaalt dat de bijlage 5.3.1 van Vlarem II, gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse regering van 6 oktober 1998 en 19 januari 1999, wordt vervangen door bijlage I gevoegd bij het bestreden besluit. Artikel 61 bepaalt dat het bestreden besluit in werking treedt op de eerste dag van de tweede maand volgend op de maand waarin het besluit in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, in concreto op 1 april 2004. De bijlage I bij het bestreden besluit vervangt de bijlage 5.3.1 bij Vlarem II en heeft betrekking op de lozing van stedelijk afvalwater. Zij bepaalt de voorwaarden waaraan het stedelijk afvalwater moet voldoen alvorens het geloosd wordt in oppervlaktewateren. Uit de lectuur van het verzoekschrift blijkt op het eerste gezicht dat de verzoekende partij zich vooral kant tegen de normen inzake het "totaal stikstof" dat mag worden geloosd door Rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI'

  1. s)met meer VII-31.960-2/18 dan 10.000 inwonersequivalenten (IE). In de toelichting bij het enig middel leest men immers : "Het middel is gericht tegen het onmiddellijk van kracht worden van de verplichte naleving van de dagnorm voor totaal stikstof voor de RWZI’s die stedelijk afvalwater behandelen van agglomeraties groter dan 10.000 IE". Op de terechtzitting bevestigt de verzoekende partij dat de betwisting gaat over de toepassing van de normen inzake het "totaal stikstof"; 2. Overwegende dat de relevante feiten als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. Aan het bestreden besluit ging wat het aspect waterzuivering betreft overleg en briefwisseling vooraf. In het milieujaarprogramma 2000 staat vermeld onder initiatief 58 dat er een project is omtrent de optimalisatie van de werking van de RWZI’s. Eind 2001 zouden de besprekingen met overheden en bedrijven rond moeten zijn, en worden de vergunningen herzien. Wat de opvolging van de saneringsprogramma’s van de RWZI’s betreft zou dit midden 2002 gefinaliseerd moeten zijn. Tevens wordt vermeld dat in 1998 een "sturend vergunningenbeleid" werd ontwikkeld dat reeds liep in 1999, en dat het gestructureerd overleg met beheerders van de RWZI's en de betrokken overheidsinstanties in het kader van de actie "optimalisatie werking RWZI's" wordt voortgezet. 2.2. In een aangetekend schrijven van 11 juli 2002, gericht aan de Vlaamse minister voor Leefmilieu, protesteert de verzoekende partij tegen een voorstel tot wijziging van Vlarem II wat betreft de effluentnormen voor (onder meer) de RWZI's. De verzoekende partij stelt dat geen rekening werd gehouden met opmerkingen die zij maakte. Wat betreft de RWZI's in agglomeraties met meer dan 10.000 IE stelt de verzoekende partij dat geen enkele RWZI tegelijkertijd aan de opgelegde vereisten inzake concentraties, verwijderingspercentages én dagmaxima en dat voor alle parameters tegelijkertijd, kan voldoen. 2.3. Met een schrijven van 25 november 2002 aan de verzoekende partij zet de Vlaamse minister van Leefmilieu op gemotiveerde wijze uiteen waarom zij de argumentatie van de verzoekende partij niet kan bijtreden. Als bijlage bij de brief zit een ontwerptekst die de bijlage 5.3.1 bij Vlarem II moet vervangen (de lozing van stedelijk afvalwater) en die voor wat betreft de stikstofnormen die worden VII-31.960-3/18 opgelegd aan RWZI's voor agglomeraties met meer dan 10.000 IE, overeenstemt met de tekst die thans bestreden wordt. 2.4. De verzoekende partij reageert hierop met een aangetekende brief van 18 december 2002. De minister wordt daarin bedankt voor een aantal aanpassingen aan het voorstel, maar zij wordt ook gewezen op een aantal overblijvende problemen. De verzoekende partij deelt de bezorgdheid van de minister inzake de verdunning van de influenten, doch stelt dat zij over onvoldoende impact beschikt om deze problematiek op te lossen. Voorts meent de verzoekende partij dat de voorgestelde verwijderingspercentages zonder bijkomende investeringen aan de RWZI's niet kunnen gehaald worden. Haar zuiveringsresultaten geven aan dat in 2001 slechts 14 van de 101 RWZI's in agglomeraties van meer dan 10.000 IE het vereiste verwijderingspercentage voor stikstof van 80 % haalden. Een aantal installaties voldoen ook niet aan de eis voor het dagmaximum van 20 mg/l stikstof totaal. De verzoekende partij betoogt dat haar installaties gewoon niet ontworpen zijn om te kunnen voldoen aan de bijkomende lozingsvoorwaarden. Zij stelt : "Voor alle RWZI’s van meer dan 10.000 IE zullen dus of aanpassingswerken moeten gebeuren of uitzonderingsbepalingen in de milieuvergunning worden opgenomen. Pijnlijk detail is dat zelfs de pas gerenoveerde RWZI's nogmaals zullen moeten aangepast worden. Een eerste schatting gaf aan dat de volledige implementatie van de voorgestelde stikstofnormering alleen al een bijkomend investeringsbedrag van 261,8 miljoen euro veronderstelt voor de agglomeraties van meer dan 10.000 IE". De verzoekende partij voegt een eigen wijzigingsvoorstel als bijlage bij de brief, en vraagt zich ten slotte af "waarom de huidige VLAREM- en MINA-plan-aanpak niet gewoon verder gezet kan worden : een sturend vergunningenbeleid met lozingsvoorwaarden die verstrengd kunnen worden in functie van het halen van de immissiegrenswaarden van de ontvangende waterloop". 2.5. In een schrijven van 12 maart 2003 deelt de Vlaamse minister voor Leefmilieu mee dat zij het standpunt van de verzoekende partij niet kan bijtreden. De minister is van oordeel dat de verzoekende partij over een aantal mogelijkheden beschikt om het probleem van de influentkwaliteit en de verdunning aan te pakken, doch deze mogelijkheden onvoldoende benut. Voorts is de minister van oordeel dat een groot aantal RWZI's, mits inachtname van de randvoorwaarden zoals opgenomen in het ontwerpbesluit, wel kunnen voldoen aan de voorgestelde verwijderingspercentages. Zij wijst er ook op dat de mogelijkheid blijft bestaan om via de milieuvergunning een gewijzigd reductiepercentage op te leggen. De minister VII-31.960-4/18 verwijst ook naar het jaarverslag 2001 van de verzoekende partij waarin gewezen wordt op de zeer goede verwijderingspercentages voor alle parameters en de stijging van het percentage voor stikstof. Aangezien het hier gaat om de gemiddelden voor alle RWZI’s meent de minister, op basis van de door de verzoekende partij weergegeven zeer goede resultaten, dat de voorgestelde cijfers zeker haalbaar zouden moeten zijn. Specifiek voor stikstof en fosfor werd omwille van de nog lopende renovaties een overgangstermijn ingeschreven. De minister verwondert zich over het feit dat de daggemiddelde concentratie van 20 mg N/l niet zou kunnen gehaald worden, daar deze regeling reeds van toepassing is en in het voorstel niet veranderd wordt. De minister besluit : "Ik vraag dan ook dat u bij uw onderhandelingen en gesprekken met gemeenten een kordate houding aanneemt tegenover het aansluiten van verdunde afvalwaterstromen en dat u bij de verdere uitbouw van de nog aan te leggen infrastructuur voor deze problematiek veel meer oog zou hebben. Om bovenvermelde redenen meen ik dan ook dat het voorliggende voorstel niet dient aangepast te worden". 2.6. Nadat bepaalde adviezen zijn ingewonnen, wordt op 28 november 2003 het thans gedeeltelijk bestreden besluit genomen. 2.7. Uit een ontwerp-verslag van een overlegvergadering van 17 februari 2004 tussen de verzoekende partij en het Vlaamse Gewest blijkt op het eerste gezicht dat er geen consensus is over de problematiek van de RWZI’s in agglomeraties van meer dan 10.000 IE. Uit een ontwerpverslag van een overleg- vergadering van 30 maart 2004 blijkt op het eerste gezicht dat er andermaal geen consensus werd gevonden voor deze problematiek; 3. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij als enig middel aanvoert wat volgt : VII-31.960-5/18 "a. Het enig middel Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, evenals uit de schending van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, evenals het consistentiebeginsel, doordat de dagnorm voor totaal stikstof van 20 mg/l met ingang van 1 april 2004 van toepassing wordt op de RWZI's die stedelijk afvalwater behandelen dat afkomstig is van de agglomeraties van meer dan 10.000 IE; de dagnorm voor totaal stikstof van 25 mg/l pas tegen uiterlijk 31 december 2005 van toepassing wordt op de RWZI's die stedelijk afvalwater behandelen dat afkomstig is van de agglomeraties van 2.000 tot 10.000 IE; de bestreden beslissing de RWZI's derhalve ten aanzien van de toepassing in de tijd van de dagnorm voor totaal stikstof op onderscheiden wijze behandelt, naargelang de grootte van de agglomeratie waarvan het te behandelen stedelijk afvalwater afkomstig is; terwijl, eerste onderdeel, de grondwettelijke beginselen van de gelijkheid en de niet-discriminatie niet uitsluiten dat een verschil in behandeling wordt ingesteld tussen bepaalde categorieën van personen, voor zover dat verschil berust op een objectief criterium en het redelijk verantwoord is; het bestaan van dergelijke verantwoording beoordeeld moet worden rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de terzake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel geschonden is wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel; de omvang van de agglomeratie waarvan het te behandelen stedelijk afvalwater afkomstig is (
  2. is)geen aanvaardbaar criterium van onderscheid is voor de bepaling van het tijdstip van inwerkingtreding van de strengere dagnorm voor totaal stikstof; dit criterium van onderscheid niet redelijk te verantwoorden is; het bestreden besluit derhalve zonder redelijke verantwoording de dagnorm voor totaal stikstof vanaf 1 april 2004 oplegt voor de RWZI's die stedelijk afvalwater van agglomeraties groter dan 10.000 IE opvangen, daar waar de RWZI's voor de kleinere agglomeraties deze norm pas tegen 31 december 2005 moeten naleven; en terwijl, tweede onderdeel, het getuigt van behoorlijk bestuur door de overheid, en in het bijzonder van de vereiste redelijkheid en zorgvuldigheid, om aan de betrokkene een redelijke overgangstermijn te verlenen telkens wanneer er strengere exploitatievoorwaarden worden opgelegd; dit des te meer geldt indien de naleving van de strengere voorwaarden enkel gewaarborgd kan worden indien de installaties aangepast moeten worden; de huidige installaties van verzoekster niet op elk ogenblik de dagnorm van 20 mg/l totaal stikstof kunnen naleven; verzoekster derhalve aanpassingswerken zal moeten uitvoeren om met haar installaties de dagnorm te kunnen naleven; de verwerende partij kennis had van de zuiveringscapaciteit en kenmerken van de betrokken RWZI's nu zij alle technische plannen voor de bouw of renovatie van verzoekster heeft goedgekeurd; dat de verwerende partij dus kennis had van het feit dat de RWZI's volledig afgesteld waren op de vorige normen van Vlarem II en niet op de nieuwe, verstrengde normen uit het bestreden besluit; de continuïteit van het bestuur en het consistentiebeginsel tevens vereisen dat een overheid het beleid verder uitvoert dat het zichzelf heeft opgelegd, tenzij er bijzondere redenen zijn om dit beleid te wijzigen; de verwerende partij tot heden gewaakt heeft over de kwaliteit van het oppervlaktewater door een sturend vergunningenbeleid te voeren; dat dit vergunningenbeleid inhield dat in principe de Vlarem II-normen van toepassing waren doch dat er aan verzoekster voor welbepaalde RWZI's strengere normen dan de Vlarem II-normen werden opgelegd telkens als de concrete omstandigheden dit vereisten; de verwerende partij zichzelf eveneens had opgelegd om de bestaande vergunningen van VII-31.960-6/18 verzoekster aan een onderzoek te onderwerpen en aan te passen waar nodig; dit sturend vergunningenbeleid de verwerende partij toelieten om binnen het kader van de richtlijn 91/271/EEG te blijven; met het bestreden besluit de verwerende partij alle lozingsnormen verstrengt, ongeacht de plaatselijke omstandigheden, en zij van oordeel is dat het aan verzoekster toekomt om voor de RWZI's waarvoor zij de verstrengde normen niet kan halen, de nodige aanpassingen aan de milieuvergunningen aan te vragen; dat aldus het zwaartepunt van het vergunningenbeleid verplaatst wordt van de overheid naar de exploitant; dat dergelijke radicale ommezwaai in het beleid van de verwerende partij niet verenigbaar is met het consistentiebeginsel; dat verwerende partij bovendien haar beleid drastisch wijzigt zonder in enige overgangstermijn te voorzien voor verzoekster om zich aan te passen aan deze wijziging; het bestreden besluit derhalve, door het beleid drastisch te wijzigen van een sturend milieuvergunningenbeleid tot een streng beleid dat de verantwoordelijk- heid voor het aanvragen van afwijkingen bij verzoekster legt, niet in overeen- stemming is met het consistentiebeginsel; dit minstens niet in overeenstemming is met het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel doordat er geen overgang- stermijn wordt toegekend aan de exploitant om zich aan dit gewijzigde beleid aan te passen; het bestreden besluit tevens, door niet in een overgangstermijn te voorzien voor de toepassing van de dagnorm voor totaal stikstof voor RWZI's die stedelijk afvalwater opvangen afkomstig van agglomeraties van meer dan 10.000 IE, het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel miskent. Toelichting bij het middel 12. Het middel is gericht tegen het onmiddellijk van kracht worden van de verplichte naleving van de dagnorm voor totaal stikstof voor de RWZI's die stedelijk afvalwater behandelen van agglomeraties groter dan 10.000 IE. Eerste onderdeel 13. Het eerste onderdeel verwijt de bestreden beslissing een miskenning van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Volgens vaste rechtspraak sluiten de grondwettelijke beginselen van de gelijkheid en de niet-discriminatie niet uit dat een verschil in behandeling wordt ingesteld tussen bepaalde categorieën van personen, voor zover dat verschil berust op een objectief criterium en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de terzake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Deze rechtspraak houdt een driedubbele test in, met name : - het verbod van willekeur. het onderscheid moet een wettig doel nastreven; - het pertinentiecriterium: het onderscheid moet steunen op adequate criteria die in een kennelijk en redelijk verband staan met de aard van, het doel en de gevolgen van de maatregel; - het evenredigheids- of proportionaliteitsbeginsel, de aangewende middelen moeten in een redelijke verhouding tot het nagestreefde doel staan. 14. De verwerende partij beslist zonder redelijke verantwoording dat de RWZI's voor de grote agglomeraties onmiddellijk, en dus vanaf 1 april 2004, de dagnorm voor totaal stikstof moeten naleven, terwijl de RWZI's voor de kleinere agglomeraties deze dagnorm pas meer dan anderhalf jaar later, nl. tegen uiterlijk 31 december 2005, moeten naleven. Het criterium van onderscheid is de omvang van de agglomeratie waarvan het te behandelen stedelijk afvalwater afkomstig is. Dergelijk criterium vormt geen redelijke verantwoording voor het al dan niet toekennen van een overgangstermijn voor de toepassing van een strafrechtelijk gesanctioneerde norm. Het is niet adequaat noch terzake dienend voor de VII-31.960-7/18 onderscheiden behandeling. Verzoekster ziet immers niet in waarom de RWZI's voor de grote agglomeraties geacht kunnen worden onmiddellijk te voldoen aan de norm, terwijl dergelijk vermoeden niet gehanteerd wordt voor de RWZI's voor de kleinere agglomeraties. De verwerende partij schijnt inderdaad van oordeel te zijn dat enkel de kleinere RWZI's aanpassingswerken moeten uitvoeren om aan de nieuwe norm te voldoen. Minstens lijkt de verwerende partij van oordeel dat enkel de kleinere RWZI's een overgangstermijn nodig hebben voor de aanpassing van de installaties aan de nieuwe normen. Vermits de grote RWZI's ook aanpassingswerken moeten uitvoeren om aan de norm te voldoen, gebiedt het gelijkheidsbeginsel dat de grote RWZI's ook een termijn hiervoor verkrijgen. Overigens, zelfs in de veronderstelling dat verzoekster voor de grote RWZI's aan de normen zou kunnen voldoen mits aanpassing van de milieuvergunning (quod certissime non), dan nog diende verwerende partij aan verzoekster een overgangstermijn toe te staan voor het vervullen van de nodige formaliteiten hiervoor. In elk geval is de omvang van de RWZI geen pertinent criterium om de ene RWZI wel en de andere RWZI geen overgangstermijn voor de naleving van de norm toe te kennen. Andere elementen daarentegen zijn wel terzake dienend voor de vraag of er voor bepaalde RWZI's al dan niet een overgangstermijn moet worden toegekend voor de naleving van de dagnorm voor totaal stikstof, zoals de technische kenmerken van de bestaande RWZI's en de tijd die redelijkerwijze nodig is om deze RWZI's aan te passen zodat ze de dagnorm voor totaal stikstof permanent kunnen naleven. Uit de feiten blijkt dat verzoekster met een beduidend aantal van de huidige RWZI's voor de grote agglomeraties de dagnorm voor totaal stikstof niet op elk moment kan naleven en dat aanzienlijke aanpassingswerken zullen nodig zijn. Bovendien is het criterium van onderscheid niet evenredig met het gewenste doel. Door een overgangstermijn te verlenen aan alle RWZI's en niet enkel aan de RWZI's voor de kleinere agglomeraties, zou de naleving van de dagnorm in haar geheel uitgesteld worden tot uiterlijk 31 december 2005. Daarentegen stelt verzoekster zich onmiddellijk bloot aan administratieve en strafrechtelijke sancties indien zij na 1 april 2004 niet in staat is om de dagnorm na te leven. De bijlage 5.3.1. bevat immers milieuvoorwaarden die verzoekster als exploitant van de RWZI moet naleven. Gebrek aan naleving kan leiden tot het schorsen of intrekken van de milieuvergunning en tot strafrechtelijke vervolging. Het bestreden besluit voert derhalve zonder redelijke verantwoording een onderscheid in tussen de RWZI's voor de grote agglomeraties en deze voor de kleinere agglomeraties voor wat de naleving van de dagnorm voor totaal stikstof betreft. Het schendt derhalve het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Tweede onderdeel 15. In het tweede onderdeel voert verzoekster vooreerst aan dat de verwerende partij onzorgvuldig en onredelijk heeft gehandeld door voor de toepassing van de dagnorm voor totaal stikstof voor de RWZI's in de grote agglomeraties niet in een overgangstermijn te voorzien. Deze vaststelling klemt des te meer, nu verzoekster aantoonbaar op dit ogenblik niet met elke RWZI in staat is om deze dagnorm steeds na te leven. Zij is evenmin in staat om op elk ogenblik het nieuwe reductiepercentage voor totaal stikstof te halen met de bestaande infrastructuur. Aanpassingswerken zijn vereist om de installatie in staat te stellen deze normen te eerbiedigen. Bovendien is de verwerende partij hiervan op de hoogte, of zou zij hiervan op de hoogte moeten zijn. Zowel de bouwplannen van de nieuwe RWZI's als de renovatieplannen van de overgenomen RWZI's werden immers door de minister op voordracht van de administratie goedgekeurd. Het is dan ook moeilijk aanvaardbaar dat verwerende partij thans bij wege van het bestreden besluit de onmiddellijke toepassing van de norm zou eisen, terwijl zij in het verleden niet anticipatief bepaalde aanpassingen aan de RWZI's geëist heeft. VII-31.960-8/18 Om de voormelde redenen zou een normaal voorzichtige overheid bij het opleggen van een nieuwe milieunorm aan de betrokken exploitant een redelijke overgangstermijn verleend hebben om de nodige aanpassingen aan te brengen aan de RWZI's. Door deze dagnorm onmiddellijk van toepassing te verklaren, miskent de verwerende partij het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. 16. Tevens betekent het bestreden besluit een drastische wijziging in het beleid dat de verwerende partij steeds gevoerd heeft ten aanzien van verzoekster. Dit bestond in een sturend vergunningenbeleid. Dit hield in dat de Vlarem II-normen in beginsel van toepassing waren op alle RWZI's doch dat waar nodig, strengere normen werden opgelegd in functie van de concrete omstandigheden. Bovendien had de verwerende partij zich tot doel gesteld om de bestaande vergunningen van verzoekster aan te passen. Thans wordt het zwaartepunt verlegd van verwerende partij naar verzoekster. Het bestreden besluit verstrengt de lozingsnormen, doch verstrekt de mogelijk- heid aan verzoekster om waar nodig, een versoepeling van deze normen aan te vragen, hetgeen zoals reeds meermaals vermeld, geen oplossing kan bieden. Dit standpunt blijkt duidelijk uit de weigering van verwerende partij in het overleg om de aanpassingswerken voor de RWZI's in overtreding goed te keuren. Het is dus nu de taak van verzoekster om aangepaste normen aan te vragen in functie van de concrete omstandigheden, daar waar het vroeger de taak van de overheid was om via de vergunningen de normen concreet bij te sturen. Nochtans bleef de verwerende partij met het sturende vergunningenbeleid binnen het kader van de richtlijn 91/271/EEG. Het is niet in overeenstemming met het consistentiebeginsel dat de overheid, zonder geldige reden, een beleid drastisch wijzigt. Minstens is het niet in overeenstemming met het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel indien de overheid bij een drastische wijziging van haar beleid aan de rechtsonderhorige geen overgangstermijn toekent om zich aan dit gewijzigde beleid aan te passen"; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota volgende repliek geeft : "De grondwettelijke beginselen van gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling wordt ingesteld tussen bepaalde categorieën van personen voor zover dat verschil berust op een objectief criterium en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregelen en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. De betwiste bepalingen doorstaan wel degelijk - in tegenstelling tot wat verzoekende partij beweert - de driedubbele test waarvan verzoekster gewag maakt in haar verzoekschrift tot schorsing. De wettigheid van het doel van de door verzoekster betwiste bepaling van het Besluit van de Vlaamse Regering van 28 december 2003 zal niemand durven betwisten bij het begin van de Eenentwintigste Eeuw. Het criterium van omvang van de agglomeraties waarvan het stedelijk afvalwater afkomstig is, is totaal niet nieuw en wordt onderbouwd door de stringente Europeesrechtelijke bepalingen die dringend dienden te worden toegepast in de regelgeving op niveau van het Vlaamse Gewest. In haar eigen verzoekschrift tot schorsing maakt verzoekster uitdrukkelijk gewag van besprekingen met de Vlaamse Regering en de Vlaamse Milieumaat- VII-31.960-9/18 schappij sedert minstens 2001 waarbij toen reeds werd onderhandeld over de thans nog vermaledijde overgangstermijnen! Daar waar een overheid niet meer doet dan de afdwingbare Europeesrechte- lijke reglementering toepassen en daar waar zij principieel strengere voorwaar- den oplegt voor de grote agglomeraties met grotere hoeveelheden aan verontreinigd stedelijk afvalwater dan voor de kleine agglomeraties met kleinere hoeveelheden aan verontreinigd stedelijk afvalwater, wordt in de bestreden bepalingen wel degelijk verantwoording gegeven voor het onderscheid in de behandeling van de RWZI's. Het gaat om nieuwe RWZI's binnen grote agglomeraties, waarvan de dimensionering normaliter zou moeten voorzien zijn op de zeer lang reeds aangekondigde en onderzochte overgangstermijnen. Bovendien wordt in de bestreden bepalingen duidelijk aangeduid dat de 'grote' RWZI's aan de normen kunnen voldoen door hun milieuvergunning te laten aanpassen. Verzoekende partij heeft in eerdere procedures reeds een onderscheid aangeraakt in behandeling tussen de zogenaamde 'nieuwe' en de 'bestaande' RWZI's in de Vlarem-reglementering voorafgaand aan de thans betwiste aanpassingen. In het oorspronkelijk ontwerp van Ministerieel Besluit waren voor de RWZI's overgangsbepalingen ingeschreven voor de 'bestaande installaties' tot 31 december 2003 voor de percentage' voor bepaalde parameters (BZV,CZV en zwevende stoffen) en tot 31 december 2005 voor stikstof en fosfor. De overgangstermijnen waren toen reeds zo voorop gesteld dat, indien nodig, nog voorafgaand aan deze data een afwijking via de milieuvergunning kon aangevraagd worden. Voor de eisen vanaf 31 december 2003 bleek er voor verzoekende partij geen ruimte meer te zijn. Verwerende partij diende dan ook - logischerwijze - de overgangstermijnen te verlengen. In de tweede versie van het ontwerp van besluit werden de nodige aanpassingen gedaan om de overgangstermijnen - waar nodig - te verlengen. De beleidsaanpak binnen het Vlaamse Gewest vereiste dat aan de grote RWZI's met meer dan 10.000 inwonersequivalenten (verder genoemd I.E.) een kleinere overgangstermijn werd gegeven dan aan de kleinere RWZI's, waarvoor een overgangstermijn werd voorzien tot 31 december 2005. Bij de toetsing van de betwiste ontwerp-bepalingen aan de praktijk kwam een onvolkomenheid aan het licht in het ontwerpbesluit. In de ontwerpteksten waren overgangstermijnen voorzien voor de zogenaamd 'bestaande RWZI's'. In de discussies en de nota aan de Vlaamse Regering zijn daarmee steeds de RWZI's bedoeld geweest die op dat ogenblik reeds bestonden. De RWZI's evenwel, gebouwd sedert 1993, zijn volgens de Vlarem- terminologie eigenlijk 'nieuwe inrichtingen' en zouden dus onmiddellijk moeten voldoen aan de nieuwe normen. Zulks werd in het jongste ontwerp-besluit consequent rechtgezet. Gezien de toen reeds geldige Vlarem-bepalingen reeds overgangsbepalingen bevatten in de bijlagen, werd ervoor gekozen om bij de overgangsbepalingen in het kader van de bestreden beslissing een onderscheid te maken al naargelang het gaat om - bestaande RWZI's opgericht voor 1 januari 1993; - RWZI's opgericht tussen 1 januari 1993 en 1 januari 2004 die volgens Vlarem wel 'nieuw' zijn maar in feite bestaande inrichtingen zijn; - nieuwe RWZI's die nog moeten opgericht worden. Deze rechtzetting is juridisch een versoepeling van de bestaande teksten. VII-31.960-10/18 De RWZI's gebouwd tussen 1993 en 2003 kregen immers vroeger in feite géén overgangstermijnen en thans met de door verzoekster betwiste Vlarem- bepalingen wél. Als het over een versoepeling gaat van de bestaande teksten, vindt verzoekende partij geen graten in onderscheid in de 'oude' bestaande Vlarem- bepalingen mbt het begrip 'nieuwe' inrichting (gebouwd voor 1993) en in de nieuwe door haar betwiste bepalingen waarbij het begrip nieuwe inrichting slechts van toepassing is voor de RWZI's die werkelijk nog moesten opgericht worden met ingang van 1 januari 2004. Nochtans geen onbelangrijk onderscheid, nu er géén overgangsbepalingen zijn voor de in de betwiste bepalingen als 'nieuwe' inrichtingen aangeduide RWZI's (alles wat is opgericht in de periode 1 januari 2003 tot 31 december 2003) Voor wat betreft de blootstelling in hoofde van verzoekende partij aan administratieve en strafrechtelijke sancties en aan burgerrechtelijke vorderingen, verwijst verwerende partij naar hetgeen werd uiteengezet naar aanleiding van de bespreking van het beweerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat verzoekende partij naar haar zeggen zou lijden in geval van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. De verantwoording vanwege verwerende partij voor het gemaakte onder- scheid tussen de RWZI's voor de grote agglomeraties en deze voor de kleinere agglomeraties voor wat betreft de dagnorm voor de concentratiewaarde van de parameter totaal stikstof voor wat betreft de nieuwe installaties voor de rioolwaterzuivering (stedelijk afvalwater) is niet meer dan een logische invoering van de Europeesrechtelijke regelgeving naar de regelgeving op het niveau van het Vlaamse Gewest. Verzoekster verwijt de Vlaamse Regering ervan met de invoering van de door de NV Aquafin betwiste bepalingen van het voornoemde Besluit van de Vlaamse Regering van 28 maart 2003 onzorgvuldig en onredelijk te hebben gehandeld in inconsistentie met het voorheen 'sturende' vergunningenbeleid. Verzoekster stelt het voor alsof zij voor voldongen feiten is gesteld, terwijl én uit het eigen verzoekschrift tot schorsing van verzoekster én uit het voorgebrachte administratief dossier blijkt dat de invoering van de door verzoekster betwiste nieuwe reglementaire bepalingen is voorafgegaan door grondig overleg en samenwerking tussen de Vlaamse Regering, de Vlaamse Milieumaatschappij en verzoekster zelf en dat de verschillende ontwerpversies van de nieuwe reglementaire bepalingen werden onderworpen aan de noodzake- lijke adviezen. Geen enkele vorm van onzorgvuldigheid of onredelijkheid kan worden ten kwade geduid aan verwerende partij, wel integendeel. Minstens reeds van in 2001 wist verzoekster wat haar boven het hoofd hing. De implementatie van de Europeesrechtelijke regelgeving kon niet langer worden uitgesteld. De beweerde inconsistentie met het zogenaamde sturend vergunningenbeleid, kan onmogelijk worden aangeduid als strijdig met de beginselen van behoorlijk bestuur. Voorafgaandelijk aan de in het bestreden besluit gedane aanpassingen inzake waterzuivering dewelke thans de door verzoekster voor Uw Raad bestreden bepalingen uitmaken, werden wijzigingen inzake geïnitieerd door de overheid in de vorm van een letterlijke overname van bepalingen uit de EG-richtlijn stedelijk afvalwater. Dit leidde evenwel tot onduidelijkheden inzake de toepasselijke parameters en de toepasselijke normatieve waarden. Bovendien werden de Vlarem-bijlagen meestal door de vergunningverlenende overheid letterlijk overgenomen in de vergunning van de rioolwaterzuiveringsinstallaties (verder genoemd RWZI'
  3. s)waardoor deze onduidelijkheid in de vergunningsbeslissingen automatisch mee werd ingebracht. VII-31.960-11/18 De nieuwe bepalingen schiepen - eindelijk - duidelijkheid en eenduidigheid. Toch laten zij nog perfect de ruimte voor verzoekende partij om - waar nodig en mogelijk - via het systeem van de milieuvergunningen in functie van de concrete omstandigheden versoepelingen aan te vragen. Het vorige systeem, waarbij - waar nodig - in het kader van vergunningaan- vragen door de vergunningverlenende overheid strengere normen werden opgelegd dan voorzien in de bestaande Vlarem-reglementering gaf aan verwerende partij minder garantie op een systeem van vergunningverlening aangepast aan de concrete omstandigheden. Het aanvragen van soepeler overgangstermijnen dossier per dossier in het kader van een nieuwe procedure milieuvergunning of in het kader van een bestaande milieuvergunning onder de vorm van aanvraag tot versoepeling van de milieuvoorwaarden overeenkomstig artikel 45 komt zeker het behoorlijk bestuur ten goede en garandeert een vergunningenbeleid dat overeenkomt met het beleid op het Europese niveau in het algemeen en een naleving van richtlijn 91/271/EEG in het bijzonder. De bestreden beslissing is door geen enkele onwettigheid aangetast. Evenmin schendt zij de beginselen van behoorlijk bestuur. Aan deze schorsingsvoorwaarde is aldus evenmin voldaan"; 3.3.1. Overwegende dat het nuttig is voorafgaandelijk aan het onderzoek van het middel de draagwijdte te schetsen van de bestreden bepalingen; dat artikel 54 bepaalt dat de bijlage 5.3.1 van Vlarem II, gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse regering van 6 oktober 1998 en 19 januari 1999, wordt vervangen door bijlage I gevoegd bij het bestreden besluit; dat artikel 61 bepaalt dat het bestreden besluit in werking treedt op de eerste dag van de tweede maand volgend op de maand waarin het besluit in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, dus op 1 april 2004; dat de bijlage I bij het bestreden besluit de bijlage 5.3.1 bij Vlarem II vervangt en betrekking heeft op de lozing van stedelijk afvalwater; dat zij de voorwaarden bepaalt waaraan het stedelijk afvalwater moet voldoen alvorens het geloosd wordt in oppervlaktewateren; dat die bijlage 5.3.1 omvat : - een bijlage 5.3.1.a die de voorwaarden omvat waaraan het stedelijk afvalwater van agglomeraties met meer dan 10.000 IE dient te voldoen alvorens het geloosd wordt in oppervlaktewateren; - een bijlage 5.3.1.b die de voorwaarden omvat waaraan het stedelijk afvalwater van agglomeraties tussen 2.000 en 10.000 IE dient te voldoen alvorens het geloosd wordt in oppervlaktewateren; - een bijlage 5.3.1.c die de voorwaarden omvat waaraan het stedelijk afvalwater van agglomeraties met minder dan 2.000 IE dient te voldoen alvorens het geloosd wordt in oppervlaktewateren; dat zoals ook ter terechtzitting is gebleken, de verzoekende partij zich in casu gegriefd acht door de bijlage 5.3.1.a, en inzonderheid wat betreft de voorwaarden VII-31.960-12/18 inzake het totaal stikstof; dat ten opzichte van de voordien bestaande regeling die voorwaarden door de bestreden beslissing als volgt zijn gewijzigd : - Wanneer men de tabel neemt stelt men vast dat voor wat betreft de parameter "totaal stikstof" er enerzijds een voorwaarde gesteld wordt op het vlak van de concentratie, en anderzijds een voorwaarde op het vlak van het "minimum percentage van vermindering", d.w.z. de "vermindering ten opzichte van de vracht van het influent". Op het eerste gezicht moet aan de beide voorwaarden tegelijk voldaan worden, hetgeen een verschil vormt met de voordien geldende bijlage 5.3.1.a van Vlarem II, die bepaalde : "Toegepast wordt de concentratiewaarde of het verminderingspercentage". Onder de vroegere regeling was het halen van één van de voorwaarden op het eerste gezicht dus voldoende, nu moeten beide gehaald worden. - Ten tweede is ook het minimum percentage van de vermindering gewijzigd. Waar onder de vroegere regeling het percentage 70-80 werd opgegeven, is dit thans 80. - Ten derde verandert er iets op het vlak van de concentraties. Weliswaar blijven de opgegeven waarden gelijk (15 mg/l N bij 10.000 tot 100.000 IE, en 10 mg/l bij meer dan 100.000 IE) maar de norm inzake het daggemiddelde dient steeds te worden nageleefd. De voorheen geldende regeling bepaalde terzake (in voetnoot 5 bij de tabel) : "Overeenkomstig artikel 3, §1, 2/ van de bijlage 4.2.5.4 van titel II van het VLAREM gaat het bij deze concentraties om jaargemiddelden. Om aan te tonen dat aan de eisen voor stikstof wordt voldaan, mogen echter ook daggemiddelden worden gebruikt wanneer wordt aangetoond dat daarbij op jaarbasis hetzelfde beschermingsniveau wordt verkregen. In het geval van toepassing van daggemiddelden, mag het daggemiddelde niet hoger zijn dan 20 mg stikstof totaal/l voor alle monsters, wanneer de temperatuur van het effluent in de biologische reactor 12/ C of hoger is. In plaats van de voorwaarde betreffende de temperatuur kan een beperkte werkingstijd worden toegepast, rekening houdende met de in het gebied heersende klimaatomstandigheden". - De regeling die met het thans bestreden besluit werd ingevoerd bepaalt (in voetnoot 4 bij de tabel) wat volgt : "Overeenkomstig artikel 3, §1, 2/ van de bijlage 4.2.5.4 van titel II van het VLAREM gaat het bij deze concentraties om jaargemiddelden. Het daggemiddelde mag niet hoger zijn dan 20 mg stikstof totaal/l voor alle monsters, wanneer de temperatuur van het effluent in de biologische reactor 12/ of hoger is". VII-31.960-13/18 Het verschil lijkt op het eerste gezicht dus te zijn dat vroeger daggemiddelden mochten gebruikt worden om aan te tonen dat aan de normen m.b.t. stikstof werd voldaan, voor zover op jaarbasis eenzelfde beschermingsniveau werd verkregen. Thans lijkt deze dagnorm op het eerste gezicht niet meer facultatief te kunnen worden toegepast zodat hij steeds dient te worden nageleefd, ook als de emissienorm op jaarbasis gehaald wordt. Evenwel valt daarbij te noteren dat voor (onder meer) de parameter stikstof ook in overgangsbepalingen werd voorzien (zie voetnoot 5 bij bijlage 5.3.1.
  4. a): "Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning geldt voor de parameters totaal N en totaal P vanaf 1 januari 2006 zowel de concentratiewaarde als het minimum percentage van vermindering. Tot 31 december 2005 geldt voor de parameters totaal N en totaal P de concentratiewaarde of het minimum percentage van vermindering"; 3.3.2. Overwegende dat het onderzoek van het middel zich zal toespitsen op de dagnorm voor totaal stikstof voor de RWZI's die stedelijk afvalwater behandelen van agglomeraties groter dan 10.000 IE, gelet op volgende toelichting die de verzoekende partij bij het middel geeft : "Het middel is gericht tegen het onmiddellijk van kracht worden van de verplichte naleving van de dagnorm voor totaal stikstof voor de RWZI's die stedelijk afvalwater behandelen van agglomeraties groter dan 10.000 IE"; 3.3.3. Overwegende, vooreerst, dat in het eerste onderdeel de verzoekende partij in haar verzoekschrift er van uitgaat dat de dagnorm voor totaal stikstof van 20 mg/l met ingang van 1 april 2004 van toepassing wordt op eerstgenoemde RWZI's; dat evenwel uit de bijlage 5.3.1.a. en de bijhorende voetnoten prima facie kan worden opgemaakt dat tot 31 december 2005 de verzoekende partij kan kiezen voor het halen van hetzij de concentratiewaarde van 20 mg/l, hetzij het minimumpercentage van vermindering; dat immers in voetnoot 5 bij de bijlage 5.3.1.a. wordt gesteld : "Tenzij anders vermeld in de milieu-vergunning geldt voor de parameters totaal N en P vanaf 1 januari 2006 zowel de concentratiewaarde als het minimumpercentage van vermindering. Tot 31 december 2005 geldt voor de parameters totaal N en totaal P de concentratiewaarde of het minimum percentage van vermindering"; dat ter terechtzitting de raadsman van de verzoekende partij nog betoogt dat ook het minimum percentage van vermindering (= 80) voor een groot aantal RWZI's ook niet onmiddellijk haalbaar is; dat evenwel wordt vastgesteld dat omtrent dat opgelegde minimum percentage van vermindering VII-31.960-14/18 niets in het verzoekschrift terug te vinden is en dat de premisse waarop de verzoekende partij zich in haar verzoekschrift steunt zich ten onrechte louter beperkt tot het daggemiddelde van maximum 20 mg stikstof totaal/l voor alle monsters; dat, bovendien, zelfs aangenomen dat in praktijk voor de meeste RWZI's die stedelijk afvalwater van agglomeraties groter dan 10.000 IE opvangen, een dagnorm van 20 mg/l stikstof zal moeten worden behaald, dan nog prima facie niet kan worden besloten dat het bestreden besluit zonder redelijke verantwoording die dagnorm voor genoemde RWZI's met ingang van 1 april 2004 oplegt in plaats van tegen uiterlijk 31 december 2005, zoals het geval voor de RWZI's voor de kleinere agglomeraties; dat, immers, artikel 5 van de richtlijn 91/271/EEG van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater onder meer bepaalt dat de Lid-Staten ervoor zorgen dat stedelijk afvalwater dat in opvangsystemen terecht komt voor lozing in kwetsbare gebieden uiterlijk op 31 december 1998 voor alle lozingen van agglomeraties met meer dan 10.000 IE aan een behandeling wordt onderworpen die verder gaat dan de in artikel 4 van de richtlijn bedoelde behandeling, dat lozing van dergelijke afvalwaters onder meer moet voldoen aan de eisen van tabel 1 in bijlage bij de richtlijn en dat de Lid-Staten de kwetsbare gebieden aanwijzen; dat voor het Vlaamse Gewest dit is gebeurd met artikel 2.3.6.2 van Vlarem II, dat onder meer bepaalt dat overeenkomstig de bepalingen van de Richtlijn 91/271/EEG alle oppervlaktewateren van het Vlaamse Gewest als kwetsbaar gebied worden aangewezen; dat vermits de oppervlaktewateren van het Vlaamse Gewest als kwetsbaar gebied worden aangewezen, de grens van 10.000 IE die in artikel 5 van de genoemde richtlijn wordt gehanteerd, dus relevant is; dat men bezwaarlijk staande kan houden dat de grens van 10.000 IE en het op basis daarvan gemaakte onderscheid o.m. qua inwerkingtreding niet redelijk verantwoord zou zijn als die grens in een Europese Richtlijn gehanteerd wordt en die Richtlijn bovendien door de Lidstaten in intern recht moet worden omgezet; dat tenslotte in alle redelijkheid kan worden aangenomen dat agglomeraties met meer dan 10.000 IE, gewoon door het groter aantal inwoners, meer vervuilen dan agglomeraties tussen de 2000 en 10.000 IE; dat het dan ook niet onredelijk lijkt dat de overheid ter bescherming van de kwaliteit van de oppervlaktewateren vooral de grootste bronnen van vervuiling aan strengere normen wil onderwerpen die vlugger in werking dienen te treden, vermits hun negatieve milieu-impact het grootst is; dat het eerste onderdeel van het middel niet ernstig is; 3.3.4.1. Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat de verzoekende partij aanklaagt dat voor wat betreft de RWZI's die stedelijk afvalwater VII-31.960-15/18 van agglomeraties groter dan 10.000 IE opvangen, niet in redelijke overgangs- termijnen werd voorzien; dat vooreerst, zoals reeds aangegeven bij de bespreking van het eerste onderdeel, tot 31 december 2005 voor de parameter totaal stikstof óf de concentratiewaarde óf het minimum percentage van vermindering geldt; dat in strijd met wat de verzoekende partij in haar verzoekschrift laat uitschijnen, er wel degelijk in enige overgangstermijn werd voorzien, gelet op de keuze die zij tot 31 december 2005 heeft om ofwel het daggemiddelde van "20 mg stikstof totaal/l" te halen, ofwel het minimum percentage van vermindering; dat, voorts, uit het feitenrelaas blijkt dat het Vlaamse Gewest, minstens reeds sedert 2002 aan de verzoekende partij te kennen heeft gegeven aan welke normen de lozing van stedelijk afvalwater zou moeten voldoen; dat immers in een brief van 11 juli 2002 de verzoekende partij protest aantekent tegen een voorstel tot wijziging van Vlarem II wat betreft de effluentnormen van onder meer de RWZI's; dat in een brief van 25 november 2002 de minister op gemotiveerde en duidelijke wijze uiteenzet dat zij de argumentatie van de verzoekende partij niet kan bijtreden en dat zij een ontwerptekst meedeelt die, wat de bijlage 5.3.1.a. van Vlarem II betreft, overeenstemt met de tekst van het thans bestreden besluit; dat in een brief van 12 maart 2003 de minister aan de verzoekende partij nogmaals uitdrukkelijk bevestigt dat evengenoemd voorstel niet dient te worden aangepast; dat de door de verzoekende partij in haar pleidooi geopperde mogelijkheid dat tot op het ogenblik van de definitieve goedkeuring de ontwerpnormen nog konden worden gewijzigd dan ook als weinig realistisch voorkomt; dat het betoog ter terechtzitting van de verzoekende partij dat de uitgewerkte regelgeving in casu verder gaat dan wat de richtlijn 91/271/EEG oplegt prima facie niet terzake dienend is; dat op basis van de voorliggende stukken prima facie kan worden besloten dat de verzoekende partij al lang wist welke reglemente- ring op komst was; dat zij aldus reeds de mogelijkheid had zich af te stemmen op de nieuwe normering; dat het betoog van de verzoekende partij ter terechtzitting dat zij in de aanloop naar de nieuwe normering verscheidene malen getracht heeft om de dimensionering van nieuwe of renovatieprojecten aan te passen aan de toekomstige normen, doch dat de verwerende partij steeds anticipatieve maatregelen zou hebben geweigerd, niet overtuigt; dat de verzoekende partij daartoe immers verwijst naar een overleg van 17 februari 2004 dat plaats vond ruim twee en een halve maand na de datum van de bestreden beslissing; dat alleen reeds om redenen van chronologie prima facie bezwaarlijk staande kan worden gehouden dat de verzoekende partij in de aanloop naar de nieuwe normering trachtte te anticiperen op de nieuwe regelgeving; dat, voorts, uit dat overleg prima facie niet lijkt te kunnen worden afgeleid dat de overheden die bevoegd zijn om vergunningen voor RWZI's af te VII-31.960-16/18 leveren in de aanloop naar de nieuwe normering zouden geweigerd hebben vergunningen af te leveren die anticiperen op die nieuwe normering; 3.3.4.2. Overwegende dat het consistentiebeginsel niet lijkt te verhinderen dat, indien daartoe redenen voorhanden zijn, de overheid haar beleid mag veranderen; dat in casu de overheid op het eerste gezicht ter verduidelijking en verdere implementering van de EEG-richtlijn een wijziging heeft aangebracht aan een bestaande reglementering, dit ten voordele van het leefmilieu; dat in casu prima facie niet blijkt dat de overheid van haar appreciatiebevoegdheid om te bepalen op welke wijze zij haar doelstellingen op het vlak van de waterzuivering wenst te verwezenlijken op een kennelijk onredelijke wijze heeft gebruik gemaakt; 3.3.4.3. Overwegende dat het tweede onderdeel van het enig middel niet ernstig is; 3.3.5. Overwegende dat geen ernstige middelen werden aangevoerd, zodat de vordering tot schorsing moet worden verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. VII-31.960-17/18 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juli tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-31.960-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.925 Gerelateerde publicatie(
  5. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.125 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.