id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.957 Rolnummer: A. 149158/IX-4229 Zaak: Arrest 133957 - - 15/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-27 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 08:24 Fiche Arrest nr 133.957 van 15 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.957 van 15 juli 2004 in de zaak A. 149.158/IX-
- In zake : Koenraad COMPERNOLLE, wonende te ROESELARE, Bornstraat 146 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Koenraad COMPERNOLLE op 20 maart 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing die hem niet geslaagd verklaart voor de proef voor de toekenning van het brevet "Kadastrale schattingen", die plaatsvond op 25 september 2003; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 12 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. VERSTRAETEN, die verschijnt voor verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-4229-1/4 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- Verzoeker neemt in de loop van 2003 deel aan de proeven voor het behalen van vier brevetten waaronder het brevet “kadastrale schattingen”. Deze brevetten kaderen in de proef over de beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot de graad van eerstaanwezend inspecteur (weddeschaal 10S2). Het behalen van deze vier brevetten is noodzakelijk om te kunnen deelnemen aan de proef over beroeps- bekwaamheid voor de graad van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur. Om een brevet te behalen moet de kandidaat ten minste 60% van de punten behalen. Verzoeker behaalt drie van de vier brevetten maar mislukt in het brevet “kadastrale schattingen”. Dit wordt hem meegedeeld in een brief van 20 januari 2004 waarin alleen is vermeld dat hij niet geslaagd is omdat hij slechts 11/20 punten heeft behaald en alzo het minimum van 12/20 niet heeft bereikt. 1.
- Bij brief van 19 februari 2004 vraagt hij aan de administratie om een afschrift van zijn examenschrift en van de motivering en de quotering van de beide correctoren. Met een brief van 18 maart 2004, die hem net nog niet had bereikt toen hij zijn verzoekschrift indiende, wordt hem een kopie van zijn examenschrift en van de beoordelingsfiche van de correctoren overgemaakt;
- Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; IX-4229-2/4 2.
- Overwegende dat wat de tweede voorwaarde betreft verzoeker aanvoert dat het behalen van de vier technische brevetten een noodzakelijke voorwaarde is om te kunnen deelnemen aan de mondelinge proef over de beroeps- bekwaamheid die toegang geeft tot de graden van eerste attaché van financiën en van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur; dat de volgende proeven “kadastrale schatting” slechts zullen georganiseerd worden na de mondelinge proef over de beroepsbekwaamheid; dat hij hierdoor niet zal kunnen “mededingen met de reeds aanvaarde laureaten en ten opzichte van hen hoe dan ook zijn rangschikking verliest (...) voor een latere benoeming tot eerste attaché van financiën of van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat wie deelneemt aan een examen steeds het risico loopt niet te slagen met als gevolg niet benoemd te kunnen worden; dat dit een nadeel is dat eigen is aan loopbaanexamens en dat dit nadeel, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, niet ernstig is; dat verzoeker niet aantoont dat er dergelijke uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn; dat hij ook niet aanvoert dat hij op basis van de door hem gegeven antwoorden moest geslaagd zijn; dat een gebeurlijke schorsing van de bestreden beslissing niet tot gevolg heeft dat de mondelinge proef van beroepsbekwaamheid niet zal doorgaan omdat dergelijke schorsing alleen betrekking kan hebben op zijn eigen examen- resultaat en geen gevolgen heeft voor hen die wel de vier brevetten hebben behaald, zodat voor hen de mondelinge proef onverkort kan doorgaan; 2.
- Overwegende dat door de omstandigheid dat verzoeker niet slaagde voor het vierde brevet het hem inderdaad niet geoorloofd is om deel te nemen aan het bekwaamheidsexamen dat toegang geeft tot de graad van eerst- aanwezend inspecteur van een fiscaal bestuur; dat verzoeker op die wijze een kans verbeurt om deel te nemen aan de eerstvolgende bekwaamheidsproef; dat hij evenwel die kans behoudt om later, eens hij het vierde brevet zal hebben behaald, er aan deel te nemen en dan een kans maakt op bevordering op voorwaarde dat hij in die mondelinge proef slaagt; dat verzoeker te dezen het alleen heeft over het feit dat hij pas later zal kunnen worden benoemd en dat hij zijn rangschikking verliest voor een latere benoeming tot eerstaanwezend inspecteur; dat het door hem aangevoerde nadeel bijgevolg erop neerkomt dat hij vreest dat zijn benoeming tot eerstaanwezend inspecteur slechts later zal kunnen gebeuren; dat dergelijk nadeel gelijkstaat met het verlies van een kans op een vlugge bevordering en bijgevolg niet wezenlijk verschilt van het nadeel dat iedere kandidaat voor een bevordering die naast de bevordering IX-4229-3/4 grijpt ondergaat; dat hij bijgevolg slechts later dan hijzelf heeft verwacht zal bevorderd worden; dat die eventuele bevordering ook nog moet gekoppeld worden aan de hypothese dat hij nog slaagt in die mondelinge proef; dat het dus gaat om een gemiste kans op snelle bevordering en dat een dergelijk verlies van een kans op bevordering in deze niet als een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel in de zin van de wet kan worden beschouwd; 2.
- Overwegende dat aldus niet is voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om verzoekers vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juli 2000 en vier, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-4229-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.957 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.398 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.