id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.958 Rolnummer: A. 148498/IX-4084 Zaak: Arrest 133958 - - 15/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-27 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 08:25 Fiche Arrest nr 133.958 van 15 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.958 van 15 juli 2004 in de zaak A. 148.498/IX-
- In zake : Filip PETROONS, die woonplaats kiest bij advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te MECHELEN, Frans Halsvest 33/1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Filip PETROONS op 5 maart 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing van 23 juli 2003 van de Voorzitter van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Financiën, houdende een weigering van dienstvrijstelling ten behoeve van onbezoldigde topsporters voor het jaar 2003 welke door verzoeker werd aangevraagd en van de uit die beslissing voortvloeiende of ermee samenhangende beslissingen”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 12 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; IX-4084-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat G. BERVOETS, die verschijnt voor verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker is werkzaam als eerstaanwezend verificateur bij het Bestuur van de bijzondere belastingsinspectie (BBI) van de Federale Overheidsdienst Financiën (hierna: FOD Financiën). 1.
- Op 17 februari 2003 vraagt hij om het stelsel te kunnen genieten van dienstvrijstelling ten behoeve van onbezoldigde topsporters teneinde zich te kunnen voorbereiden op het Europees Kampioenschap triatlon dat op 2 en 3 augustus 2003 doorgaat in Denemarken. 1.
- In de loop van de maand maart 2003 geeft BLOSO overeen- komstig de omzendbrief nr. 41 van 30 januari 1984 aan de FOD Financiën zijn advies over verzoekers aanvraag. Volgens BLOSO kan een dienstvrijstelling van 58 dagen worden verleend voor een trainingsschema dat loopt van begin maart tot eind juli
- Verzoekers onmiddellijke chef doet intussen een onderzoek naar de juiste draagwijdte van de inschrijving van verzoeker. Zij is, na navraag te hebben gedaan bij de Deense organisator betreffende de voorwaarden voor deelneming in de categorie “agegroup” waarvoor verzoeker een deelnemingsbewijs voorlegt, van mening dat hoewel verzoeker een attest van selectie door zijn sportfederatie voor de ‘agegroup’ voorlegt, hij in principe niet in aanmerking komt voor de dienstvrijstelling die is geregeld in de omzendbrief nr. 241 omdat volgens haar deze omzendbrief slechts dienstvrijstelling voorziet voor de geselecteerden in de categorie “elites”. Zij IX-4084-2/7 verklaart ook dat zij er verzoeker al op attent heeft gemaakt dat hij in principe geen gebruik kan maken van de voornoemde dienstvrijstellingsregeling. Zij wijst er ook op dat verzoeker in 2001 en 2002 ook een dienstvrijstelling heeft verkregen voor een deelname aan een wedstrijd in de "agegroups" zonder dat hij evenwel in zijn aanvraag had vermeld dat het om die groep ging. De gewestelijk directeur daarentegen is er niet zeker van of er al dan niet vrijstelling kan worden verleend. Hij wijst erop dat de verzoeker door zijn sportfederatie werd geselecteerd voor deelname aan het Europees kampioenschap “agegroups triatlon long distance” en dat het hem niet duidelijk is of deze categorie al dan niet in aanmerking komt voor de bedoelde vrijstelling. Intussen dient verzoeker vanaf 25 maart 2003 regelmatig verlofaanvragen in volgens het door BLOSO goedgekeurd trainingschema. Deze worden door zijn directe chef “onder voorbehoud van goedkeuring” geviseerd. 1.
- Op 30 april 2003 laat de FOD Financiën, dienst reglementeringen en statuten van het secretariaat-generaal, aan BLOSO weten dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden om het regime van omzendbrief 241 te kunnen genieten. Hij vraagt om verzoekers aanvraag in het licht van die stellingname opnieuw te willen onderzoeken en het advies van 26 maart 2003 opnieuw te willen overwegen. Er wordt aangedrongen op een spoedige behandeling teneinde eventuele problemen met de regularisatie van verzoekers toestand in de mate van het mogelijke te vermijden. BLOSO antwoordt op 7 mei 2003 echter dat het bij zijn advies blijft en dat het aan de werkgever is om te oordelen of hij de dienstvrijstelling al dan niet toestaat. 1.
- Op 25 juli 2003 deelt de dienst reglementeringen en statuten aan de directeur-generaal van de bijzondere belastingsinspectie mee dat de voorzitter van het directiecomité op 23 juli 2003 beslist heeft om aan de betrokkene de gevraagde dienstvrijstelling niet toe te staan wat impliceert dat zijn toestand moet worden geregulariseerd. 1.
- Op 11 augustus reageert een syndicaal afgevaardigde op deze beslissing. Hij klaagt aan dat de beslissing laattijdig werd genomen en dat ze nog niet aan verzoeker werd meegedeeld op het ogenblik dat de sportmanifestatie waarvoor hij de dienstvrijstelling vroeg, plaatsvond. Op 22 augustus antwoordt de voorzitter IX-4084-3/7 van het directiecomité dat de beslissing inderdaad laattijdig werd genomen maar dat dit niet wegneemt dat ze behouden blijft vermits uit een grondig onderzoek van het dossier is gebleken dat verzoeker geen recht had op de dienstvrijstelling. Hij wijst er verder op dat een ambtenaar niet afwezig mag zijn tenzij hij vooraf een verlof of dienstvrijstelling heeft verkregen. 1.
- Verzoeker blijkt op 2 oktober 20030 van zijn eigen administratie vernomen te hebben dat zijn dienstvrijstelling geweigerd is, maar die beslissing wordt hemzelf niet overgemaakt. Op 9 oktober 2003 maakt het personeelssecretariaat van de bijzondere belastingsinspectie aan verzoeker een voorstel tot regularisatie over met de vraag of hij daarmee kan instemmen. Dit voorstel luidt als volgt : “- de opgenomen afwezigheden voor de periode van 25.03.2003 tot en met 30.06.2003 worden omgezet in vakantieverlof van 2003 (19 dagen) en uitzonderlijk in vakantieverlof van 2004 (26 dagen); - de opgenomen afwezigheden tijdens de maand juli 2003 worden omgezet in verlof zonder wedde (13 dagen);”. Verzoeker antwoordt op 6 november 2003 dat hij er niet mee kan instemmen en schrijft op die datum ook de voorzitter van het directiecomité aan. Hij zet uiteen dat zijn aanvraag tijdig werd ingediend; dat zijn verlofaanvraag telkens zonder enig voorbehoud werd goedgekeurd door zijn directe overste; dat hij tot begin oktober volledig onwetend was over de genomen beslissing en er evenmin door zijn hiërarchische overste over werd ingelicht. Indien hij tijdig had geweten dat zijn aanvraag zou worden afgewezen zou hij niet hebben deelgenomen aan de kampioenschappen. Hij meent dat een dergelijke laattijdige beslissing indruist tegen alle regels van behoorlijk bestuur. Hij vermeldt verder nog dat hij zich inschreef voor de categorie "Agegroup" en niet voor de categorie "Elites" omdat hij elke twijfel wou uitsluiten omtrent het al dan niet bezoldigd karakter van zijn deelname omdat alle atleten uit de categorie "Elites" op één of andere wijze bezoldigd of ernstig gesponsord zijn. 1.
- Op 18 december 2003 antwoordt de voorzitter van het directie- comité aan verzoeker dat zijn diensten het dossier aan een nieuw onderzoek ten gronde hebben onderworpen en dat hij, uitgaande van de goede trouw van verzoeker, een nieuwe regularisatieregeling heeft beslist. Verzoeker wordt uitgenodigd om de 58 dagen “ongewettigde” dienstvrijstelling te regulariseren als volgt : IX-4084-4/7 “- saldo rustverlof 2003: 19 dagen - de helft van (het) tegoed van het rustverlof 2004: 13 dagen - 6 maanden recuperatieverlof van 2004 (anderhalve dag per maand) : 9 dagen - de 17 resterende dagen worden (hem) kwijtgescholden”. Er wordt verzoeker ook medegedeeld dat indien hij daarmee niet zou kunnen instemmen het eerder ingenomen standpunt van kracht blijft. 1.
- Op 20 januari 2004 deelt verzoeker aan de voorzitter van het directiecomité mee dat hij niet kan instemmen met het nieuwe voorstel. Hij is van mening dat hem geen schuld treft en vindt het “onbillijk en zelfs onrechtvaardig” dat hem een regularisatieverplichting wordt opgelegd temeer daar het wegvallen van zijn verlofdagen een “negatieve invloed zal hebben op zijn voorbereiding voor de komende bevorderingsexamens waaraan hij zal deelnemen”. 1.
- Op 2 maart 2004 deelt de voorzitter van het directiecomité aan verzoeker mee dat hij zijn vroeger standpunt behoudt en dat verzoeker alle 58 dagen op zijn tegoed aan rustverlof moet recupereren;
- Over het voorwerp van de vordering tot schorsing. Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift de beslissing aanduidt van 23 juli 2003 waarbij hem de dienstvrijstelling wordt geweigerd en “de uit die beslissing voortvloeiende of ermee samenhangende beslissingen”; dat een “samenhangende beslissing” bijgevolg ook de beslissing is van 2 maart 2004 waarbij de voorzitter van het directiecomité aan verzoeker meedeelt dat hij zijn vroeger standpunt behoudt en dat verzoeker alle 58 dagen op zijn tegoed aan rustverlof moet recupereren;
- Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; IX-4084-5/7 3.
- Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de tweede voorwaarde aanvoert dat hij een deel van zijn vakantieverlof, 19 en 13 dagen, voor respectievelijk 2003 en 2004 verliest; dat hij daarmee een ernstig nadeel lijdt temeer daar de vakantiedagen een fundamenteel recht van de werknemer uitmaken; dat hij bovendien die dagen nodig heeft “ter voorbereiding van de bevorderingsexamens in de loop van 2004”; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het feit dat verzoeker vakantiedagen verliest ter regularisatie van ten onrechte opgenomen dienstvrijstelling een gevolg is van het feit dat hij zonder voorafgaande toestemming 58 dagen afwezig geweest is in 2003; dat door bewust dit risico te nemen verzoeker zichzelf in deze situatie heeft gebracht en normaal de toestemming had moeten afwachten alvorens afwezig te blijven; dat het ingeroepen nadeel dan ook niet rechtstreeks volgt uit de aangevochten beslissing; 3.
- Overwegende dat verzoeker ook gedeeltelijk moet instaan voor het nadeel dat hij oploopt aangezien hij klaarblijkelijk de dienstvrijstelling is blijven opnemen terwijl hij moest weten dat die opnames eventueel later zouden moeten worden gecompenseerd; dat hij bovendien zelf in zijn brief van 20 januari 2004 aan de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën, verklaart dat hij bereid is het saldo van zijn rustverlof van 2003, zijnde 19 dagen, te laten vallen; dat bijgevolg zijn beweerd nadeel zich in feite beperkt tot 13 vakantiedagen in 2004; dat dergelijk nadeel nochtans bezwaarlijk als ernstig kan worden aangemerkt omdat verzoeker hierbij betoogt dat hij dit verlof nodig heeft ter voorbereiding van de bevorderingsexamens die in de loop van 2004 worden georganiseerd, terwijl hij daarbij in zijn verzoekschrift geen enkel concreet gegeven aanbrengt met betrekking tot die “bevorderingsexamens” waaruit een bepaalde graad van ernst van zijn argumentatie zou moeten kunnen blijken; 3.
- Overwegende dat aldus niet is voldaan aan een van de voor- waarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om verzoekers vordering af te wijzen, IX-4084-6/7 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juli 2000 en vier, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd.kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-4084-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.958 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.371 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.