← België

Arrest 133959 - - 15/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.959 Rolnummer: A. 147725/IX-4067 Zaak: Arrest 133959 - - 15/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-13 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-07-04 08:25 Fiche Arrest nr 133.959 van 15 juli 2004 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 133.959 van 15 juli 2004 in de zaak A. 147.725/IX-

  1. In zake : de bvba JPS TRANS, die woonplaats kiest bij advocaat T. VANCOILLIE, kantoor houdende te KORTEMARK, Torhoutstraat 10 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de bvba JPS TRANS op 17 februari 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van "het besluit dd. 18 december 2003 genomen door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer te land, dienst Wegvervoer, Goederenvervoer namens de Minister van Mobiliteit en Sociale Economie, vertegenwoordigd door zijn adjunct-adviseur M. DE MEYER, waarbij de vervoersvergunning met nr. 33727 en duplicaat nr. 33727/001 met ogenblikkelijke ingang werden ingetrokken en werden terugge- vraagd"; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 13 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 juni 2004; IX-4067-1/9 Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. VANDEN BOGAERDE, die loco advocaat T. VANCOILLIE verschijnt voor verzoeker, en van adjunct-adviseur L. CLOET, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Verzoekster houdt voor een vervoersonderneming te zijn in de zin van de wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg. Ze zou over een vervoersvergunning communautair vervoer beschikken met nr. 33727, met kopie voor een voertuig met een nummer 3372/
  4. Deze vergunning zou door de verwerende partij verleend zijn op 27 februari 2003, datum waarop, aldus verzoekster, de administratie de verscheidene voorwaarden waaraan een vervoersonderneming moet voldoen had onderzocht: betrouwbaarheid, vakbekwaamheid en financiële draagkracht. 1.
  5. Op 20 november 2003 stuurt de verwerende partij een aangetekende brief naar verzoekster waarin gevraagd wordt om binnen de acht dagen aan te tonen dat Marain VERRIEST daadwerkelijk en permanent de vervoers- activiteiten van verzoekster geleid heeft sinds 1 maart
  6. Deze brief wordt door verzoekster niet afgehaald. IX-4067-2/9 1.
  7. Op 1 december 2003 schrijft de verwerende partij opnieuw een brief aan verzoekster, waarin ditmaal aangekondigd wordt dat haar vervoers- vergunning zal ingetrokken kunnen worden, aangezien niet werd aangetoond dat Marain VERRIEST daadwerkelijk en permanent de vervoersactiviteiten van verzoekster zou leiden. In die brief wordt opgemerkt dat die daadwerkelijke en permanente leiding kan aangetoond worden door middel van enerzijds het bewijs dat hij over een volmacht beschikt op de rekening van verzoekster en anderzijds het bewijs dat hij ingrijpt in de vervoerwerkzaamheden. Vervolgens dient nog aangetoond te worden dat voornoemde VERRIEST conform zijn volmacht ook daadwerkelijk zou tussenkomen in de leiding van verzoekster. Verzoekster geeft ook op die brief geen antwoord. Op 18 december 2003 beslist de verwerende partij om de vervoersvergunning van verzoekster in te trekken in toepassing van artikel 26, § 2, eerste lid, en artikel 28 van het koninklijk besluit van 7 mei 2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg. Deze beslissing wordt met een aangetekende brief van 18 december 2003 aan verzoekster betekend en luidt als volgt : “Elke onderneming die het beroep van ondernemer van vervoer van zaken over de weg uitoefent moet voldoen aan de voorwaarde van vakbekwaamheid. Opdat de onderneming zou voldoen aan die voorwaarde moeten de vervoerwerkzaamheden permanent en daadwerkelijk geleid worden door een persoon die houder is van een getuigschrift van vakbekwaamheid voor goederenvervoer over de weg. Om te kunnen aannemen dat die persoon permanent en daadwerkelijk de onderneming leidt, moet hij kunnen bewijzen :
  8. dat hij volmacht heeft op de financiële rekening en dat hij die volmacht uitoefent, d.w.z. dat hij de betalingen van de onderneming doet;
  9. dat hij daarenboven regelmatig ingrijpt in de vervoerwerkzaamheden. De lastgeving of het mandaat houdt in dat de houder van het getuigschrift van vakbekwaamheid voor goederenvervoer over de weg in naam en voor rekening van uw vennootschap zelf een aantal zaken dient uit te voeren. Op 1 juni 2002 heeft u aan de heer VERRIEST Marain, houder van het getuigschrift van vakbekwaamheid voor internationaal vervoer, alle machten gegeven om de vervoerwerkzaamheden van uw vennootschap permanent en daadwerkelijk te leiden (zie ook lastgevingsovereenkomst van 1 januari 2003 en diens volmacht op de financiële rekening). Per aangetekende brief van 20 november ll. heb ik u gevraagd binnen de 8 dagen de bewijzen voor te leggen dat de heer VERRIEST Marain de betalingen van uw onderneming heeft verricht en dat hij de vervoerwerkzaam- heden daadwerkelijk heeft geleid. IX-4067-3/9 Ik heb u, bij gebrek aan gevolg, verzocht uw verweermiddelen kenbaar te maken per aangetekende brief van 1 december ll. Tegelijkertijd werd uw aandacht erop gevestigd dat uw vervoersvergunning kon worden ingetrokken. Op 11 december ll. heb ik de brief van 20 november terug ontvangen met de vermelding van DE POST “niet afgehaald”. De referentiedatabank onder- nemingen maakt nochtans geen melding van een verplaatsing van de maatschappelijke zetel. Ik heb op de brief van 1 december ll. evenmin een antwoord ontvangen. Derhalve voldoet uw onderneming niet aan de voorwaarde van vakbekwaamheid. Vermits niet voldaan is aan die voorwaarde wordt de vervoersvergunning van uw vennootschap ingetrokken. De hierna vermelde vervoersvergunningen moeten mij onmiddellijk per aangetekende zending worden teruggezonden : - de originele vergunning communautair vervoer nr. 33727 - de kopie nr. 33727/001 van deze vergunning Deze beslissing werd genomen krachtens artikel 26, §2, 1ste lid, en 28 van het KB van 7 mei 2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg. Indien uw ingetrokken vervoersvergunning (origineel en kopie) niet onmiddellijk wordt teruggezonden, zal proces-verbaal worden opgesteld. U kan in beroep gaan tegen deze beslissing bij de Raad van State (Aarlenstraat 94-102, 1040 Brussel). Het verzoekschrift moet worden ingediend per aangetekende brief binnen de 60 dagen na deze betekening. U kan een nieuwe vervoersvergunning aanvragen nadat de ingetrokken vergunningen in mijn bezit zijn.”;
  10. Over de ontvankelijkheid. 2.1.
  11. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het beroep niet ontvankelijk is omdat verzoekster niet aantoont dat er een beslissing is om namens de bvba JPS TRANS die een rechtspersoon is, in rechte op te treden; 2.1.
  12. Overwegende dat uit de statuten van verzoekster blijkt dat de zaakvoerder de vennootschap jegens derden vertegenwoordigt ook ”in rechte als eiser of verweerder “; dat derhalve, aangezien de raadsman van verzoekster, als drager der stukken, niet zonder mandaat van de zaakvoerder heeft gehandeld, de exceptie niet opgaat; 2.2.
  13. Overwegende dat de verwerende partij ook nog opwerpt dat de vordering niet ontvankelijk is omdat het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel slechts summier is omschreven en niet met concrete feiten duidelijk getoond wordt; IX-4067-4/9 2.2.
  14. Overwegende dat die exceptie gevoegd wordt bij het onderzoek naar de tweede voorwaarde van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
  15. Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.
  16. Overwegende dat verzoekster met betrekking tot de eerste voorwaarde de schending aanvoert van artikel 26, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 7 mei 2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg en “dieng- evolge schending van art. 26 § 7 van dit KB en inbegrepen schending van art. 12 §2 1ste lid (...)”; dat zij hierbij in essentie uiteenzet dat de verwerende partij, doordat verzoekster niet geantwoord heeft op de brieven van 20 november 2003 en 1 december 2003, aangetoond heeft dat Marain VERRIEST verzoekster niet heeft geleid; dat het bewijs van voldoende leiding moet geleverd worden door de houder van het attest van vakbekwaamheid en niet door verzoekster en dat er derhalve niets kan worden afgeleid uit het stilzwijgen van verzoekster; dat overigens de houder van het attest van vakbekwaamheid daadwerkelijk en permanent de leiding heeft bij verzoekster; dat de beslissing had moeten genomen worden op grond van artikel 26, § 2, tweede lid, van het genoemde koninklijk besluit; 3.1.
  17. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen antwoordt, geresumeerd, dat in dezen artikel 26, § 2, eerste lid, van het meergenoemde koninklijk besluit toepasselijk is, “doordat de lasthebber in kwestie binnen de gestelde termijnen niet heeft aangetoond te voldoen aan de voorwaarde van vakbekwaamheid (cf stukken 11 en 15: de brieven d.d. 18 december 2003 en 11 februari 2004), en dit overigens tot op heden nalaat te doen”; dat volgens de verwerende partij een onderscheid moet worden gemaakt tussen een feitelijk onbestaande daadwerkelijke leiding en een feitelijk onvoldoende daadwerkelijke leiding; dat een leiding onbestaande is wanneer de onderneming of de vakbekwame niet kan aantonen dat deze laatste de betalingen heeft uitgevoerd en dat de IX-4067-5/9 vakbekwame de zaken vermeld in artikel 12, § 2, 2/ en 3/, van het koninklijk besluit heeft verricht; dat zij onvoldoende is wanneer de onderneming bijvoorbeeld aantoont dat de vakbekwame de betalingen uitvoert, maar niet de zaken vermeld in artikel 12, § 2, 2/, van het koninklijk besluit; 3.1.
  18. Overwegende dat artikel 26 van koninklijk besluit van 7 mei 2002 als volgt luidt : “§
  19. De vergunning nationaal vervoer of de vergunning communautair vervoer wordt door de Minister of zijn gemachtigde ingetrokken drie maanden nadat hij aan de betrokken onderneming heeft betekend dat zij niet meer voldoet aan de in titel II, hoofdstuk I bedoelde voorwaarde van betrouwbaarheid. §
  20. Onverminderd de bepalingen van artikel 13, §§ 2 en 3, worden de in § 1 bedoelde vervoersvergunningen door de Minister of zijn gemachtigde ingetrokken wanneer de betrokken onderneming niet meer voldoet aan de in titel II, hoofdstuk II bedoelde voorwaarde van vakbekwaamheid. Indien de in lid 1 bedoelde intrekking in het bijzonder voortspruit uit de onvoldoende leiding van de vervoerwerkzaamheden van de onderneming door de persoon die ervoor zijn getuigschrift of zijn bewijs van vakbekwaamheid doet gelden, geschiedt zij drie maanden na betekening van de ongunstige beslissing aan de betrokken onderneming, onverminderd de bepalingen van §
  21. §
  22. Onverminderd de bepalingen van artikel 19 worden de in § 1 bedoelde vervoersvergunningen door de Minister of zijn gemachtigde ingetrokken of beperkt tot het aantal kopieën waarvoor de borgtocht nog voldoende is, wanneer de betrokken onderneming niet meer voldoet aan de in titel II, hoofdstuk III bedoelde voorwaarde van financiële draagkracht. §
  23. Onverminderd de bepalingen van § 7 worden de in § 1 bedoelde vervoersvergunningen door de Minister of zijn gemachtigde ingetrokken drie maanden nadat hij aan de onderneming heeft betekend dat zij geen bedrijfszetel meer heeft in België. §
  24. De in § 1 bedoelde vervoersvergunningen worden onmiddellijk door de Minister of zijn gemachtigde ingetrokken wanneer de onderneming tweemaal in een periode van drie jaar de controle heeft verhinderd van de reglementaire voorschriften bedoeld in artikel 8, § 1, 2/ van de wet. §
  25. Het origineel samen met alle kopieën of enkel bepaalde kopieën van de in § 1 bedoelde vervoersvergunningen worden tevens onmiddellijk door de Minister of zijn gemachtigde ingetrokken : 1/ wanneer de vervoersvergunningen in kwestie ongeldig zijn krachtens de bepalingen van artikel 28, § 2 van de wet alsook van artikel 31, § 1 van dit besluit; 2/ wanneer blijkt dat de onderneming die houdster is van de vervoersvergunningen onjuiste inlichtingen heeft verstrekt met betrekking tot de gegevens die noodzakelijk waren voor de afgifte van de vervoersver- gunningen in kwestie. §
  26. Indien de betrokken onderneming, binnen de dertig dagen na betekening van de ongunstige beslissing als bedoeld in § 2, tweede lid of § 4, per aangete- kende brief, beroep aantekent tegen deze beslissing, wordt de in deze paragrafen bedoelde termijn van drie maanden opgeschort totdat de Minister of zijn gemachtigde zijn nieuwe beoordeling aan de betrokken onderneming betekent. Het beroep waarvan sprake in het eerste lid is datgene voorzien in de artikelen 10, § 3 en 18 van de wet. IX-4067-6/9 Wanneer de nieuwe beoordeling gunstig is, wordt de bovenbedoelde beslissing opgeheven. Wanneer de nieuwe beoordeling ongunstig is, wordt de bovenbedoelde beslissing bevestigd en begint de in § 2, tweede lid en § 4 bedoelde termijn van drie maanden opnieuw te lopen de dag waarop deze bevestiging aan de onderneming wordt betekend”; 3.1.
  27. Overwegende dat paragraaf 2, eerste lid, van dit artikel handelt over de intrekking in het geval waarin een onderneming niet meer voldoet aan de voorwaarde van vakbekwaamheid bedoeld in titel II, hoofdstuk II, van het koninklijk besluit van 7 mei 2002; dat luidens die bepalingen het bewijs van vakbekwaamheid wordt aangetoond met een getuigschrift van vakbekwaamheid afgegeven overeen- komstig uiteenlopende interne regelgevingen of met een bewijs van vakbekwaamheid afgegeven door de hiertoe aangewezen overheid of instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte; dat het tweede lid handelt over de intrekking “die voortspruit uit de onvoldoende leiding van de vervoerwerkzaamheden van de onderneming door de persoon die ervoor zijn getuigschrift of zijn bewijs van vakbekwaamheid doet gelden”; dat als een regel duidelijk is hij geen interpretatie behoeft en dat in dat geval evenmin op voorbereidende teksten beroep dient te worden gedaan; dat op het eerste gezicht duidelijk is dat het eerste lid van de besproken paragraaf doelt op een loutere ontstentenis aan vakbekwaamheid; dat in dat geval een vergunning onmiddellijk moet worden ingetrokken; dat het tweede lid doelt op een onvoldoende leiding door een persoon die een getuigschrift van vakbekwaamheid bezit en dat in dat geval de intrekking geschiedt drie maanden na de betekening van de ongunstige beslissing; dat bovendien tegen die beslissing beroep kan worden aangetekend en dat dergelijk beroep de termijn van drie maanden schorst totdat over het beroep uitspraak is gedaan; dat die termijn van drie maanden ongetwijfeld is ingegeven door artikel 6.2 van de richtlijn 96/26/EG van de Raad van 29 april 1996 die bepaalt dat “een passende termijn dient te worden verstrekt om in de aanwerving van een plaatsvervanger te voorzien”; dat, luidens artikel 12 van het genoemde koninklijk besluit van 7 mei 2002, om te kunnen aannemen dat een persoon permanent en daadwerkelijk een onderneming leidt waarin hij zijn getuigschrift of zijn bewijs van vakbekwaamheid doet gelden, hij een aantal zaken moet kunnen aantonen; dat te dezen die bepaling door de verwerende partij wordt ingeroepen om, bij het gebrek aan enige reactie vanwege verzoekster, aan te voeren dat degene die het getuigschrift van vakbekwaamheid bezit niet permanent en daadwerkelijk de onderneming leidt; dat hieruit afleiden dat verzoekster niet meer over de vereiste vakbekwaamheid in haar schoot beschikt evenwel een niet geoorloofde gevolgtrekking lijkt; dat de IX-4067-7/9 verwerende partij bijgevolg uit het stilzitten van verzoekster hoogstens mocht besluiten tot de afwezigheid van “onvoldoende leiding van de vervoerwerkzaam- heden” vanwege de persoon die beschikt over het getuigschrift of het bewijs van vakbekwaamheid en derhalve in voorkomend geval toepassing diende te maken van artikel 26, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 7 mei 2002; dat het middel ernstig is; 3.2.
  28. Overwegende dat verzoekster met betrekking tot de tweede voorwaarde aanvoert dat de bestreden beslissing haar vervoersvergunning ontneemt en dat zij hierdoor geen goederenvervoer over de weg meer kan uitoefenen ingevolge artikel 5 van de wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg; dat zij zich blootstelt aan de strafbepalingen van artikel 35 van die wet, “zo zij toch nog goederenvervoer over de weg zou uitvoeren”; dat zij een wegtransportfirma is met als maatschappelijk doel het goederenvervoer over de weg; dat zij ingevolge de onmogelijkheid om nog goederenvervoer over de weg uit te voeren, niet alleen ernstige financiële verliezen lijdt, doch dat bovendien de contacten met het cliënteel dreigt te verliezen en dat haar faillissement dreigt; 3.2.
  29. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat verzoekster haar nadeel slechts summier omschrijft en niet met duidelijke en concrete feiten aantoont; 3.2.
  30. Overwegende dat het door verzoekster aangevoerde nadeel inderdaad summier is; dat te dezen het nadeel van een dreigend teloorgaan van de onderneming als gevolg van de intrekking van de vergunning evenwel reëel is; dat immers de intrekking van de vergunning voor gevolg heeft dat verzoekster haar economische activiteit niet langer kan vervullen en dat ze zelfs blootgesteld wordt aan strafvervolgingen indien ze de intrekking zou negeren; dat de Raad van State dat nadeel voldoende ernstig acht en ook vaststelt dat eenmaal dat de onderneming over de kop is gegaan een gebeurlijke latere vernietiging van de bestreden beslissing geen herstel mogelijk zou kunnen maken gelet op het gevreesde verlies van het cliënteel van verzoekster, IX-4067-8/9 BESLUIT: Artikel
  31. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 18 december 2003 genomen door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer te land, dienst Wegvervoer, Goederenvervoer namens de minister van Mobiliteit en Sociale Economie, vertegenwoordigd door zijn adjunct-adviseur M. DE MEYER, waarbij de vervoersvergunning met nr. 33727 en duplicaat nr. 33727/001 met ogenblikkelijke ingang werden ingetrokken en werden terugge- vraagd. Artikel
  32. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juli 2000 en vier, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-4067-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.959 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.752 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.