id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.007 Rolnummer: A. 153697/XII-4193 Zaak: Arrest 134007 - - 19/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-26 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 08:27 Fiche Arrest nr 134.007 van 19 juli 2004 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.007 van 19 juli 2004 in de zaak A. 153.697/XII-
- In zake : de BVBA BENSTIME, die woonplaats kiest bij advocaat H. VERMEIRE, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-72 tegen : de STAD LOKEREN, die woonplaats kiest bij advocaat A.-M. LAUREYS, kantoor houdende te LOKEREN, Roomstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA BENSTIME op 13 juli 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 9 juli 2004 van de burgemeester van de stad Lokeren waarbij de sluiting wordt bevolen van het Internetcafé, gelegen te Lokeren, Zand, 31, voor de duur van twee maanden met ingang van zaterdag 10 juli 2004 om 20.00 uur; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 juli 2004, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. VERMEIRE, die verschijnt voor verzoekende partij, en van advocaat A.-M. LAUREYS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. DE SOMERE; XII-4193-1/9 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat het bestreden besluit luidt als volgt : “De Burgemeester; Overwegende dat de uitbating van het Internetcafé Zand 31, 9160 Lokeren, geregeld aanleiding geeft tot ernstige verstoring van de openbare orde, dat dit café wordt uitgebaat door de heer Hafid Benazzouz ingeschreven te Lokeren, Heirbrugstraat 145, 9160 Lokeren; Gelet op het verslag van de heer Rudi De Clercq, commissaris bij de Lokale Politie Lokeren; Overwegende dat uit dat verslag duidelijk blijkt dat de openbare orde zwaar is gestoord door en ten gevolge van de uitbating van het Internetcafé; Overwegende dat het gaat om volgende problemen : nachtlawaai veroorzaakt door personen en elektronisch versterkte muziek, verkeershinder (o.a. rodeorijden en dubbel parkeren), bevuilingen door achterlaten van vuil en urineren tegen de gevels of in de hallen van de huizen in de buurt; Overwegende dat op 18.06.2004 een overleg plaatsvond tussen vertegen- woordigers van politiezone Lokeren en Mustafa Benazzouz, mede-uitbater van het Internetcafé; dat de mede-uitbater werd gewezen op zijn verantwoordelijk- heid i.v.m. de overlast veroorzaakt vanuit zijn zaak en in de onmiddellijke omgeving ervan; Overwegende dat uit het politieverslag blijkt dat de rechtstreekse familie van Mustafa Benazzouz het voorwerp uitmaakt van een recent gerechtelijk (22/06/04) onderzoek naar drugshandel; dat zonder Mustafa Benazzouz rechtstreeks te kunnen linken aan deze bende, het wel vaststaat dat het Internetcafé door deze dadergroepering werd gebruikt als rendez-vous-punt voor het verhandelen van drugs; Overwegende dat tijdens huiszoekingen in het Internetcafé geen drugs werden gevonden; dat wel bleek dat op de locatie van het Internetcafé ± 100 m³ gevulde afvalzakken door de uitbater werden gedumpt in diens achtertuin, hetgeen in een dicht bevolkte buurt absoluut niet bevorderlijk is voor de openbare gezondheid; Gelet op het proces-verbaal van de hoorzitting van 9/7/2004 van de Burgemeester met de heer Hafid Benazzouz; Overwegende dat de voortdurende en ernstige verstoring van de openbare rust en orde door de uitbating van het Internetcafé de grenzen van wat draaglijk is ver overschreden heeft, zeker ook voor de buren; Overwegende dat de burgemeester op grond van zijn wettelijke bevoegdheid het Internetcafé tijdelijk kan sluiten; dat daar alle redenen toe zijn; dat de uitbater blijkens het proces-verbaal van de hoorzitting van 9/7/2004, door hem ondertekend, de kans heeft gekregen zijn standpunt over de zaak uiteen te zetten; Overwegende dat er geen andere mogelijkheid overblijft dan het Internetcafé tijdelijk te sluiten voor de duur van 2 maand, teneinde de buurt weer tot rust te laten komen; Overwegende dat het hier enkel en alleen een materiële maatregel betreft die geenszins een morele beoordeling inhoudt; dat evenwel de tijdelijke sluiting van het Internetcafé in alle redelijkheid de enige mogelijke maatregel is op dit moment omdat er geen materiële noch bestuurlijke maatregelen openstaan om dit acute probleem aan te pakken; Gelet op de Nieuwe Gemeentewet in het bijzonder op artikel 133 en artikel 135 § 2; XII-4193-2/9 Besluit : Art. 1 : - Met ingang van zaterdag 10 juli 2004 om 20 uur tot en met 10 september 2004 om 20 uur, het Internetcafé gelegen te Lokeren, Zand 31 te sluiten. Aan de uitbater wordt gedurende die periode een absoluut uitbatingsverbod opgelegd. Art. 2 : - Dit besluit te betekenen aan de uitbater, de heer Hafid Benazzouz wonende te Zand 31, 9160 Lokeren. (...)”. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij betoogt dat “benevens de vaststelling dat de vennootschap haar maatschappelijk doel heeft op het adres van het internetcafé, het belang en de hoedanigheid van de verzoekende partij niet duidelijk is” en dat zij te dien aanzien “voorbehoud formuleert”; dat zij toelicht dat de burgemeester bij de totstandkoming van het bestreden besluit steeds gehandeld heeft met Hafid BENAZZOUZ, die nooit ontkend heeft dat hij uitbater was van het Internetcafé; 2.
- Overwegende dat het gewis aan de verzoekende partij toekomt om aan te tonen dat zij voldoet aan alle ontvankelijkheidsvoorwaarden die vereist worden voor het indienen van een vordering bij de Raad van State; dat het beroep op de hoogdringende procedure haar van dat bewijs niet vrijstelt; dat zij te dien aanzien alle bewijsstukken moet voorleggen die zij in redelijkheid binnen de korte termijn waarbinnen zij haar vordering indient kan verzamelen; Overwegende dat de verwerende partij blijkens haar nota ter terechtzitting zicht lijkt te hebben op de statuten van de verzoekende partij; dat zij er zich ook toe beperkt om met betrekking tot de hoedanigheid en het belang alleen maar een “voorbehoud” te formuleren, en dan nog enkel omdat zij altijd met Hafid BENAZZOUZ als uitbater in gesprek is geweest; dat zij niet ontkent dat de verzoekende partij de juridische entiteit is voor wiens rekening het Internetcafé dat het voorwerp vormt van het hier bestreden besluit wordt uitgebaat; dat de omstandigheid dat het bestuur steeds met Hafid BENAZZOUZ als uitbater van de inrichting in verbinding is geweest en dat het besluit aan die persoon “als uitbater” betekend is dan niet uitsluit dat de bvba BENSTIME het sluitingsbevel bestrijdt; dat met de gegevens waarover de Raad van State thans beschikt er geen reden is om de vordering om die reden onontvankelijk te verklaren; XII-4193-3/9
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is; 4.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel aanvoert dat het bestreden besluit geen wettelijke basis heeft en dat de verwerende partij aldus het zorgvuldigheid- en het motiveringsbeginsel geschonden heeft; dat zij betoogt wat volgt: het bestreden besluit verwijst naar de artikelen 133 en 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet, maar met de wet van 13 mei 1999 is in de nieuwe gemeentewet een nieuw artikel 134quater ingevoegd dat de burgemeester toelaat “een voor het publiek toegankelijke inrichting” voor maximaal drie maanden te sluiten wanneer de openbare orde errond wordt verstoord door gedragingen binnenin; in het arrest bvba HOREX -nr. 82.188 van 6 september 1999- heeft de Raad van State gesteld dat, zo artikel 134quater aan de burgemeester een bijkomende mogelijkheid heeft gegeven om de openbare orde te handhaven, de vraag of de burgemeester bij die bijzondere vorm van ordeverstoring nog gebruik kan maken van zijn algemene politiebevoegdheid negatief dient te worden beantwoord; te dezen heeft de burgemeester van zijn algemene politiebevoegdheid gebruik gemaakt om een bijzondere maatregel te nemen en ontsnapt hij aldus aan de strengere regeling van artikel 134quater; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij daartegen inbrengt dat het bestreden besluit weliswaar verwijst naar artikel 133 en artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet maar dat de ontstentenis van expliciete verwijzing naar artikel 134quater niet uitsluit dat de burgemeester ook die bepaling als rechtsgrond in zijn besluitvorming heeft betrokken, aangezien zowel artikel 133 als artikel 134quater “aan de burgemeester de wettelijke basis verlenen om maatregelen te nemen”; 4.3.
- Overwegende dat het bestreden besluit expliciet steunt op artikel 133 en artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet; dat artikel 133, tweede lid, aan de burgemeester de bevoegdheid verleent om met individuele maatregelen de openbare orde in de gemeente, zoals die door artikel 135, § 2, nader is bepaald, te verzekeren; XII-4193-4/9 Overwegende dat artikel 134quater, in de nieuwe gemeentewet ingevoegd bij de wet van 13 mei 1999 tot invoering van gemeentelijke administratieve sancties, luidt als volgt : “Indien de openbare orde rond een voor het publiek toegankelijke inrichting wordt verstoord door gedragingen in die inrichting, kan de burgemeester besluiten deze te sluiten, voor de duur die hij bepaalt. Die maatregelen zullen onmiddellijk ophouden uitwerking te hebben indien ze niet tijdens de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en schepenen worden bevestigd. De sluiting mag een termijn van drie maanden niet overschrijden. De beslissing van de burgemeester wordt opgeheven bij het verstrijken van die termijn;” 4.3.
- Overwegende dat de Raad van State in het door de verzoekende partij aangehaalde arrest bvba HOREX, nr. 82.188 van 6 september 1999 -na een prima facie onderzoek in een aangelegenheid behandeld volgens de hoogdringende procedure- gewezen heeft dat, zo in beginsel artikel 133, tweede lid en artikel 135, § 2 van de nieuwe gemeentewet aan de burgemeester de bevoegdheid verleent om met geëigende maatregelen overlast in een bepaalde buurt tegen te gaan (overweging 4.1), de wetgever met de invoeging van artikel 134quater een expliciete regeling ingevoerd heeft voor een bepaalde ordeverstorende situatie maar dat die regeling de discretionaire bevoegdheid van de burgemeester beperkt op het vlak van de sluitingstermijn en ze bovendien koppelt aan de onverwijlde bevestiging door het college van burgemeester en schepenen, dat om die reden de beide wetsbepalingen elkaar niet overlappen en dat derhalve de burgemeester, wanneer hij oordeelt dat de voorwaarden van artikel 134quater vervuld zijn -ordeverstoring rond een voor het publiek toegankelijke inrichting die gelinkt kan worden aan gedragingen in de inrichting en die ordeverstoring best gekeerd wordt door een sluitingsmaatregel die de drie maanden niet moet overtreffen- nog enkel toepassing kan maken van artikel 134quater (overweging 4.3.4.), hetgeen aan de betrokkene waarborgt dat het sluitingsbevel zonder bevestiging door het college van burgemeester en schepenen tijdens zijn eerstvolgende vergadering, geen verdere uitwerking meer heeft; Overwegende dat de verwerende partij, hoewel het verzoekschrift duidelijk het voormeld arrest nr. 82.188 onder de aandacht brengt, geen kritiek uitbrengt op de algemene stelling die daar ingenomen is aangaande het samengaan van artikel 133, tweede lid met artikel 134quater van de nieuwe gemeentewet; dat voor de onderhavige zaak die uiteenzetting integraal wordt overgenomen; dat derhalve, eens hij vastgesteld had dat de voorwaarden van artikel 134quater te dezen XII-4193-5/9 vervuld waren, de burgemeester ook verplicht was toepassing te maken van die bepaling en hij niet meer kon optreden op grond van artikel 133, tweede lid; 4.3.
- Overwegende, concreet, dat de burgemeester zijn besluit steunt op een politieverslag waaruit volgens hem “duidelijk blijkt dat de openbare orde zwaar is gestoord door en ten gevolge van de uitbating van het Internetcafé”; dat de burgemeester, in de oproeping die hij op 8 juli 2004 aan de uitbater van het café heeft gezonden, na verwezen te hebben naar “talrijke meldingen (bij de politie) van overlast, afkomstig van bezoekers van uw zaak”, drie gevallen vermeldt waarin de politie een proces-verbaal tegen de inrichting heeft opgemaakt -wegens urineren tegen gevels, lawaaihinder vanuit het café en het inslaan van een ruit van het café- en daaraan de volgend conclusie verbindt: “de voortdurende en ernstige verstoring van de openbare rust en orde rond uw Internetcafé, door of ten gevolge van het gedrag van bezoekers van uw café, heeft de grenzen van wat draaglijk is voor de buurt ver overschreden”; dat vervolgens de burgemeester in het bestreden besluit uiteenzet dat hij alle redenen heeft om gebruik te maken van zijn wettelijke bevoegdheid om het Internetcafé tijdelijk te sluiten en dat “er geen andere mogelijkheid overblijft dan het Internetcafé tijdelijk te sluiten voor de duur van 2 maand, teneinde de buurt weer tot rust te laten komen (... aangezien) er geen andere materiële noch bestuurlijke maatregelen openstaan om dit acute probleem aan te pakken”; dat daarmee de burgemeester zijn handelen duidelijk ingepast heeft in de situatie geregeld door artikel 134quater, wat meteen uitsluit dat hij artikel 133, tweede lid kan aanvoeren als rechtsgrond voor zijn besluit en dat hij de specifieke modaliteiten die voor de toepassing van artikel 134quater door de wetgever zelf zijn ingevoerd, kan ontlopen; 4.3.
- Overwegende dat de verwerende partij zich wel op het standpunt plaatst dat het bestreden besluit wel degelijk toepassing maakt van artikel 134quater van de nieuwe gemeentewet; dat, in haar redenering, de verwijzing in de aanhef van het bestreden besluit naar artikel 133 en artikel 135, § 2 van de nieuwe gemeentewet, de verwijzing naar artikel 134quater dan impliceert of dat zij die expliciete vermelding als een materiële verschrijving beschouwt die de rechtsgeldigheid van het bestreden besluit niet kan beïnvloeden; dat die stelling evenwel niet wordt bijgevallen; dat vooreerst uit wat hiervoor uiteengezet is volgt dat artikel 133, tweede lid, en artikel 134quater onmogelijk samen de rechtsgrond kunnen vormen voor het optreden van de burgemeester; dat voorts ook niet aangenomen kan worden dat het niet verwijzen in het bestreden besluit naar artikel 134quater op een vergissing berust, aangezien geen andere vermelding van het besluit erop wijst dat de burgemeester XII-4193-6/9 beoogde een besluit te treffen dat voldeed aan alle voorschriften van dat artikel, met name de vermelding dat het ter bevestiging aan het college van burgemeester en schepenen zal voorgelegd worden -wat belangrijk is omdat de burgemeester niet volledig zelfstandig handelt-, of de vermelding van de datum van de eerstvolgende vergadering van het college -wat voor de betrokkene van cruciaal belang is aangezien de maatregel ex lege ophoudt uitwerking te hebben vanaf die “eerstvolgende vergadering”-, terwijl ook het administratief dossier van de zaak geen gegevens bevat die erop wijzen dat de burgemeester zijn bevoegdheid samen met het college van burgemeester en schepenen wenste uit te oefenen; 4.3.
- Overwegende dat de burgemeester met het bestreden besluit artikel 134quater van de nieuwe gemeentewet heeft toegepast; dat hij zich voor die specifieke regeling niet kon beroepen op de algemene politionele uitvoerings- bevoegdheid die artikel 133, tweede lid, van dezelfde wet hem toekent; dat het middel ernstig is; 5.
- Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat de verzoekende partij betoogt dat haar Internetcafé iedere dag geopend is van 11 tot 23 uur en dat het bezocht wordt door voornamelijk jongere mensen, dat twee maanden geleden een nieuw Internetcafé geopend is in de Schoolstraat, “op enkele tientallen meters” van haar inrichting en dat “uiteraard alle trouwe klanten (..) naar het nieuwe Internetcafé zullen gaan zodat dit zal resulteren in een blijvend verlies, met zwaar risico op faling van verzoek(st)er”, terwijl “tijdens de sluiting de vaste kosten (afbetaling computers, internetabonnementen, e.d.m.) lopen zodat hierdoor ook het voortbestaan van de vennootschap in het gedrang komt”; dat zij er ook op wijst dat “aan de vooravond van de Lokerse feesten (1-10 augustus) een belangrijke klantengroep van verzoekster dreigt te verdwijnen” en dat de sluiting “plaatselijk veel gehoor gekregen heeft” hetgeen “een ramp is voor de uitstraling en reputatie van het café” en een belangrijk moreel nadeel inhoudt; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij de motivering van het nadeel zeer summier en te algemeen geformuleerd acht; dat zij er voorts op wijst dat het nadeel enkel financieel is dat hersteld kan worden; XII-4193-7/9 5.
- Overwegende dat de verzoekende partij wel degelijk meer dan een louter financieel nadeel aanvoert -met name de smet op haar reputatie- en dat zij in dat verband een krantenknipsel overlegt, wat wijst op de brede kring waarin de sluitingsmaatregel bekend is geworden; dat, daarnaast, het niet onrealistisch is te stellen dat de klanten tijdens de sluitingstermijn kunnen afvloeien naar een nieuw concurrerend bedrijf in de onmiddellijke buurt; dat gewis niet wordt ingezien welk belang de “Lokerse feesten” kunnen hebben voor de uitbating -geen gewoon café, maar een Internetcafé en als dusdanig niet afhankelijk van de volkstoeloop-, maar dat de Raad van State toch aandacht heeft voor het argument dat een Internetcafé, meer dan gewone inrichtingen, een aantal kosten heeft die niet weggecijferd kunnen worden gedurende de sluitingsperiode en dat om die reden het financieel evenwicht van de zaak in het gedrang kan komen, temeer daar de verwerende partij lijkt te aanvaarden dat de uitbating van het Internetcafé de enig bron van inkomsten van de verzoekende vennootschap is; dat al die gegevens tezamen de Raad van State tot het besluit brengen dat er in dit geval wel degelijk sprake is van een nadeel dat een schorsing van het bestreden besluit kan verantwoorden;
- Overwegende dat, wegens de inhoud van het bestreden besluit, de aangelegenheid evident hoogdringend is; dat de verzoekende partij ook geen gebrek aan diligentie verweten kan worden;
- Overwegende dat de voorwaarden voor het bevelen van de schorsing vervuld zijn, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van 9 juli 2004 van de burgemeester van de stad Lokeren waarbij de sluiting wordt bevolen van het Internetcafé, gelegen te Lokeren, Zand, 31, voor de duur van twee maanden met ingang van zaterdag 10 juli 2004 om 20.00 uur. XII-4193-8/9 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien juli 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. XII-4193-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.007 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.230 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.