id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.008 Rolnummer: A. 130755/XIV-13083 Zaak: Arrest 134008 - - 19/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-28 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 08:27 Fiche Arrest nr 134.008 van 19 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.008 van 19 juli 2004 in de zaak A. 130.755/XIV-13.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat C. DIERCKX, kantoor houdende te 4020 LUIK, Quai du Condroz 11 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 5 april 1950 en van Georgische nationaliteit, op 19 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 november 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 februari 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 9 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-13.083-1/10 Gelet op de beschikking van 23 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 24 maart 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. LAMBRICHTS die, loco Advocaat C. DIERCKX, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 5 februari 2002 en verklaart zich vluchteling op 6 februari
- 1.
- Op 11 februari 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 19 november 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Ik vestig de aandacht van de Minister van Binnenlandse zaken op het feit dat u een chemotherapeutische behandeling heeft ondergaan (zie doktersattest dd. 28/03/02) en nog op drie à vier maandelijkse medische controle dient te gaan (zie verslag telefoongesprek met secretariaat behandelende artsen dd. 10/10/02). Het komt aan de bevoegde Minister toe te oordelen over de opportuniteit om hiermee rekening te houden bij het al dan niet overgaan tot terugleiding. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaart Georgisch staatsburger en van Georgische origine te zijn. Op 23 januari 2001 is uw echtgenoot, een aanhanger van de voormalige president Zviad Gamsakhurdia, overleden. U verklaart dat zijn overlijden het gevolg is van verwondingen die hij heeft opgelopen na zijn aanhouding door de politie op 15 januari
- Die dag was er een oppositiemanifestatie waarbij uw man een toespraak had gehouden. Ook in 1999 was uw man reeds opgepakt geweest XIV-13.083-2/10 omwille van zijn politiek engagement. Uw man klaagde politieke (o.a. de aanwezigheid van Tsjetsjenen op Georgisch grondgebied) en sociale zaken aan. Hij heeft ook een tijdje ondergedoken geleefd. In die periode kwamen mensen van de staatsveiligheid langs en vroegen naar uw man. Eenmaal werd u door deze mensen geslagen. Ook na het overlijden van uw man zag u nog regelmatig auto's van de staatsveiligheid aan uw woning. In maart 2001 begon u te werken in een antiquariaatwinkel. Op 4 januari 2002 werd u door de politie van het Dikoumi- district opgeroepen en ondervraagd over uw vermeende betrokkenheid aan (bij) een smokkel van schilderijen beraamd door uw werkgeefster, XXX. Toen u elke betrokkenheid ontkende, werd u gevraagd te bekennen dat u de smokkel zelf had georganiseerd. Toen u dit weigerde, werd u geslagen. U werd pas laat in de nacht vrijgelaten. Op 21 januari 2002 werd u door een politieagent meegenomen naar het politiekantoor. U zag er XXX, maar kennelijk was zij niet gearresteerd. U vermoedt dat de reden waarom u verantwoordelijk wordt ge(s)teld en niet uw werkgeefster, gelegen is in het feit dat Dopidze familie is van president Shevarnadze. U vermoedt ook dat het politiek verleden van uw echtgenoot meespeelt. U werd opnieuw gevraagd de documenten te tekenen waarin u (elke) verantwoordelijkheid bekende. U werd bedreigd en geslagen tot u bewusteloos was. U kwam bij in het hospitaal. Ook daar werd u gevraagd om de documenten te tekenen, maar een verpleegster kon de mannen van bij u weg halen. Via een poetsvrouw kon u een vriend van uw man contacteren. Hij slaagde er in u uit het ziekenhuis weg te brengen en op 26 januari naar Moskou te brengen. Op 5 februari 2002 kwam u aan in België. Op 6 februari 2002 heeft u asiel aangevraagd bij de Belgische autoriteiten. U bent in het bezit van uw identiteitskaart, uittreksel van het medisch attest van uw man, en een krantenartikel over de aanwezigheid van Tsjetsjenen in Ossetië. U verklaart dat het politiek engagement van uw man (deelname aan manifestaties georganiseerd door de oppositie als aanhanger van Zviad Gamsakhurdia en tegenstander van president Shevarnadze), en de familieband van Dopidze met de president, de motieven zijn voor de vervolging van u en uw gezin. Uit de informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat aanhangers van Zviad Gamsakhurdia ('zviadisten') en andere oppositieleden niet worden vervolgd, in de zin van de Vluchtelingenconventie, door de huidige Georgische machthebbers. Uit deze bronnen blijkt immers dat vanwege de extreme versnippering van de zviadistische bewegingen, hun gebrek aan samenhang, de aanhoudende interne twisten binnen de zviadistische partijen, en de verdere marginalisering van de radicale zviadistische stroming, de Georgische autoriteiten slechts weinig aandacht aan hen besteden. Ook dient erop gewezen te worden dat de Georgische regering diverse initiatieven heeft genomen ter eerherstel van de aanhangers van Gamsakhurdia (o.a. verschillende campagnes van ‘nationale verzoening’ -waaronder deze van april 2000- met amnestiemaatregelen voor de sympathisanten van Gamsakhurdia; de opname van vier leden van de zviadistische fractie 'XXI Century' in de ‘Commissie van nationale verzoening’; de erkenning op 22 april 2000 door de huidige autoriteiten van de omverwerping van de wettelijke regering van 1990). Hoewel er in de beschikbare informatie melding wordt gemaakt van ernstige schermutselingen tussen manifestanten en ordetroepen bij manifestaties van radicale en fundamentalistische zviadistische bewegingen, hebben de diverse (mensenrechten-) organisaties geen weet van, maken ze nergens melding van, en ontkennen ze, dat er actueel sprake is van arrestaties, opsluitingen en/of andere vervolgingen, zoals bedoeld in de zin van de Vluchtelingenconventie, van leden van zviadistische als van niet-zviadistische oppositie. Uw verklaringen (zie Commissariaat-generaal p.3-4) als zou u zijn geslagen en met de dood zijn bedreigd door leden van de Staatsveiligheid die op zoek waren naar uw man met betrekking tot zijn engagement voor de oppositie, en als zou uw man naar aanleiding van zijn deelname aan een oppositiebetoging op 15 januari 2001 door de politie zijn opgepakt en zo ernstig zijn geslagen dat hij kwam te overlijden, zijn derhalve tegenstrijdig met de op het Commissariaat- generaal voorhanden zijnde informatie, waarin van dergelijke zwaarwichtige feiten geen melding wordt gemaakt. Deze elementen tasten op fundamentele wijze de geloofwaardigheid van uw asielrelaas aan. Verder dient te worden opgemerkt dat u enkele belangrijke feiten niet vermeldde bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Zo vermeldde u niet dat u door leden van de Staatsveiligheid geslagen werd en met de dood bedreigd werd toen ze op zoek waren naar uw man (zie Commissariaat-generaal p.3). Ook van de tweede door u aangehaalde vervolgingsgrond, nl. de familieband van Dopidze met de president (zie Commissariaat-generaal p.4 & 6), maakte u bij de Dienst Vreemdelingenzaken geen melding. Aangezien u deze essentiële elementen van uw asielrelaas onvermeld laat bij de Dienst Vreemdelingenzaken, wordt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas bijkomend ondermijnd. Bijgevolg kan er in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève, worden vastgesteld. Uw documenten (uw identiteitskaart, uittreksel van het medisch attest van uw man, en het krantenartikel over de aanwezigheid van Tsjetsjenen in Ossetië) wijzigen, gelet op de bedrieglijkheid van uw verklaringen, niets aan deze conclusie. (...)”. XIV-13.083-3/10
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoekster een eerste middel afleidt uit de schending van artikel 1, A
(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), omdat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ten onrechte zou hebben besloten dat zij geen gegronde vrees voor vervolging koestert in de zin van voormelde Conventie; dat zij hierbij verwijst naar de vervolgingen waarvan zij het voorwerp uitmaakte wegens de politieke activiteiten van haar echtgenoot en de familieband van haar werkgeefster met president Shevarnadze; dat zij aanvoert dat zij geen beroep kon doen op de autoriteiten omdat zij juist door hen wordt vervolgd; 2.1.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord vooreerst repliceert dat een rechtstreekse schending van artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie niet dienstig kan worden aangevoerd wanneer niet tegelijkertijd de schending van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) wordt ingeroepen; dat zij vervolgens het middel inhoudelijk bespreekt en onder verwijzing naar de motieven van de bestreden beslissing, besluit dat verzoekster, die zich volgens haar beperkt tot losse beweringen, geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie aantoont; Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord integraal verwijst naar haar inleidend verzoekschrift; 2.1.
- Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld indien tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker, geput uit het dossier; dat de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten op grond van twee motieven; dat hij in het eerste motief XIV-13.083-4/10 overweegt dat “uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat aanhangers van Zviad Gamsakhurdia (‘zviadisten’) en andere oppositieleden niet worden vervolgd in de zin van de Vluchtelingenconventie door de huidige Georgische machthebbers”; dat hij vervolgens overweegt dat verzoeksters verklaringen over de mishandelingen door de staatsveiligheid wegens de politieke activiteiten van haar echtgenoot, en de arrestatie van laatstgenoemde tijdens een betoging en zijn overlijden tegenstrijdig zijn met bovenvermelde informatie, waarin van dergelijke ernstige feiten geen melding wordt gemaakt; dat de Commissaris- generaal in een tweede motief overweegt dat verzoekster op de Dienst Vreemdelingenzaken belangrijke feiten zoals de slagen en doodsbedreigingen door de leden van de staatsveiligheid, die op zoek waren naar haar man, en de familieband van XXX met de president, niet heeft vermeld; Overwegende dat voornoemde motieven steun vinden in het administratief dossier; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op omstandige wijze uiteenzet waarom hij op basis van objectieve informatie over de toestand in Georgië en op grond van lacunes in de verklaringen van verzoekster tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten; dat verzoeksters argument dat zij geen beroep kan doen op de bescherming van de autoriteiten, in wezen irrelevant is omdat de bestreden beslissing steunt op andere motieven die verzoekster niet weerlegt; dat zij enkel de asielmotieven herneemt die zij reeds liet gelden voor de bevoegde asielinstanties; dat het de Raad van State, in het kader van zijn wettigheidstoezicht niet toekomt om als een appelrechter deze feiten opnieuw te evalueren en te beoordelen; dat de Raad enkel kan vaststellen dat de bestreden beslissing wettig is omdat uit het geheel van de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de asielaanvraag van verzoekster bedrieglijk is; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoekster een tweede middel afleidt uit de schending van de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet en de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, “genomen uit de afwezige, de onjuiste, niet afdoende of tegenstrijdige motivering en derhalve uit de afwezigheid van wettelijk toegelaten motieven”; dat zij daaraan toevoegt dat de Commissaris-generaal zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden en dat hij de beslissing heeft genomen zonder kennis te hebben van alle elementen van de zaak; dat zij ten slotte aanvoert dat haar rechten van verdediging werden geschonden en dat er sprake is van machtsoverschrijding; dat zij in een eerste deel van het tweede middel een uitgebreide argumentatie ontwikkelt tegen het eerste motief van de bestreden beslissing (de strijdigheid van het asielrelaas met de op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikbare informatie); dat zij meer bepaald de Commissaris-generaal ten grieve duidt dat hij haar geen afschrift heeft gestuurd van de informatie waar hij in de bestreden beslissing naar verwijst, terwijl zij hier schriftelijk om had verzocht in toepassing van de XIV-13.083-5/10 wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur; dat zij vervolgens stelt dat, indien zou blijken dat de voornoemde informatie zich toch in het administratief dossier zou bevinden, nog dient nagegaan te worden of het gaat om volledige verslagen of enkel om welbepaalde passages uit deze verslagen; dat zij in se aanvoert dat de motivering van de bestreden beslissing op basis van deze rapporten niet correct is; dat verzoekster in een tweede deel van het middel argumenten aanbrengt, gericht tegen het tweede motief van de bestreden beslissing (verzoekster vermeldde bepaalde feiten niet op de Dienst Vreemdelingenzaken); dat verzoekster deze lacunes toeschrijft aan geheugenproblemen en aan het korte verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken; 2.2.
- Overwegende dat, wat het eerste onderdeel van verzoeksters middel betreft, de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat verzoekster wel degelijk kennis kon nemen van de informatie waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich baseert bij het nemen van zijn beslissing: dat zij gebruik kan maken van haar inzagerecht om de informatie, die zich in haar administratief dossier bevindt, in te kijken op het Commissariaat-generaal; dat de verwerende partij voorts aanvoert dat het middel niet rechtstreeks kan worden aangevoerd tegen de bestreden beslissing omdat verzoekster de geëigende procedure dient te volgen voorzien in de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur; dat zij vervolgens stelt dat de voor verzoekster relevante passages uit de betreffende informatie bij het administratief dossier zijn gevoegd; dat zij verwijst naar de inhoud van deze informatie om aan te tonen dat de motivering van de Commissaris-generaal juist is; dat de verwerende partij, wat het tweede onderdeel van verzoeksters middel betreft, repliceert dat van verzoekster redelijkerwijze mag worden verwacht dat zij alle relevante elementen ter ondersteuning van haar asielaanvraag op correcte en zo accuraat mogelijke wijze aanbrengt, in het bijzonder de elementen die de directe aanleiding zijn voor haar vlucht uit haar land van herkomst; dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoekster uitgebreid de kans heeft gekregen om haar asielrelaas uiteen te zetten en dat zij op het Commissariaat- generaal geen opmerkingen heeft gemaakt over de beweerde problemen aldaar; dat de verwerende partij uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal afleidt dat verzoekster geen opmerkingen heeft gemaakt in verband met problemen om zich bepaalde feiten te herinneren; dat de verwerende partij ten slotte uiteenzet waarom de bestreden beslissing niet behept is met machtsoverschrijding en waarom noch de rechten van verdediging, noch het zorgvuldigheidsbeginsel werden geschonden; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord aanvoert dat de Commissaris-generaal in zijn memorie van antwoord erkent dat de bestreden beslissing steunt op het volledige eindrapport “missie naar Georgië”; dat zij aanvoert dat dit eindrapport niet volledig werd neergelegd maar dat de Commissaris-generaal welgekozen passages uit dit rapport bij het administratief dossier voegde; dat zij vervolgens opmerkt dat de Commissaris-generaal zich tegenspreekt wat betreft zijn interpretatie van de door XIV-13.083-6/10 verzoekster ingeroepen vervolgingsfeiten: dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing immers overweegt dat geen melding wordt gemaakt “van dergelijke zwaarwichtige feiten”, terwijl hij in zijn memorie van antwoord toegeeft dat er in de gebruikte informatie melding wordt gemaakt van “ernstige schermutselingen tussen manifestanten en ordetroepen” bij betogingen; dat verzoekster, wat de lacunes in haar verklaringen betreft, nogmaals verwijst naar geheugenproblemen en aanvoert dat de Commissaris-generaal niet motiveert waarom hiermee geen rekening werd gehouden; dat zij opmerkt dat haar verhaal geen tegenstrijdigheden bevat betreffende de voor haar meest zwaarwichtige en doorslaggevende feiten; dat zij voor het overige verwijst naar de uiteenzetting in haar inleidend verzoekschrift; 2.
- Overwegende dat verzoekster in een eerste onderdeel van het tweede middel het motief van de bestreden beslissing betwist waarbij de Commissaris-generaal gebruik maakt van documenten over de toestand in Georgië; dat verzoekster de formele motivering in twijfel trekt omdat zij geen kennis heeft gekregen van voornoemde informatie; Overwegende dat uit de stukken gevoegd bij het verzoekschrift van verzoekster, blijkt dat haar Advocate met een schrijven van 10 december 2002 verzoekt om een afschrift van de verhoren van verzoekster en om een afschrift van de informatie waarnaar wordt verwezen in de bestreden beslissing; dat zij met een schrijven van 19 december 2002 nogmaals verzoekt om een afschrift van de informatie omdat zij enkel een kopie van de verhoorverslagen heeft gekregen; dat verzoekster evenwel de Commissaris-generaal onterecht ten grieve duidt dat zij geen kennis heeft gekregen van de betrokken informatie; dat verzoekster tijdens de ganse duur van de asielprocedure over de mogelijkheid beschikte om de betrokken informatie, die deel uitmaakt van haar dossier, op het Commissariaat-generaal te raadplegen en de inhoud ervan te verifiëren; dat uit de gegevens van het administratief dossier niet blijkt dat zij van deze mogelijkheid heeft gebruik gemaakt; dat, indien zij problemen zou hebben ondervonden bij het raadplegen van haar dossier, zij een beroep had kunnen doen op de in de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur voorziene procedure om alsnog inzage van haar dossier te kunnen bekomen; dat ten slotte dient opgemerkt te worden dat een exemplaar van de informatie waarmee de Commissaris-generaal zijn beslissing heeft onderbouwd bij het administratief dossier werd gevoegd dat op de griffie van de Raad van State ter inzage werd neergelegd; dat verzoekster bijgevolg ook over deze mogelijkheid beschikte om de betreffende informatie te raadplegen; dat evenwel uit de inhoud van haar verzoekschrift blijkt dat zij hiervan evenmin gebruik heeft gemaakt; 2.3.
- Overwegende dat verzoekster aanvoert dat, zo de informatie bij het administratief dossier zou zijn gevoegd, dient nagegaan te worden of de informatie bestaat uit volledige verslagen of enkel uit enkele welgekozen passages uit deze verslagen; XIV-13.083-7/10 Overwegende dat de door de Commissaris-generaal gehanteerde informatie over de toestand in Georgië bij het administratief dossier werd gevoegd (Missie naar Georgië (23 oktober tot 1 november 2001) analytisch eindrapport: p. 8 tot 14 en 24 tot 27); dat het feit dat niet het volledig eindrapport bij het administratief dossier werd gevoegd, niet wijst op een schending van de motiveringsplicht, aangezien de voor verzoekster relevante passages zijn opgenomen in het administratief dossier namelijk de paragrafen die handelen over de toestand van de Zviadisten, waarvan de Commissaris-generaal heeft gebruik gemaakt om de beslissing te onderbouwen; 2.3.
- Overwegende dat verzoekster aanvoert dat de informatie weinig recent is (uit het jaar 2000) waardoor de Commissaris-generaal er zich niet op kon steunen om de huidige situatie te evalueren; Overwegende dat de Commissaris-generaal bij het nemen van zijn beslissing steeds rekening houdt met de concrete situatie in het land van herkomst en de aangevoerde feiten apprecieert in het licht van de situatie in het land van herkomst, zoals deze bestaat op het ogenblik van het nemen van de beslissing; dat de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, werd verzameld tijdens een missie naar Georgië van 23 oktober tot 1 november 2001; dat de Commissaris-generaal derhalve kon steunen op deze informatie om het asielrelaas van verzoekster te beoordelen, de informatie af te wegen tegenover haar verklaringen en op basis hiervan zijn beslissing te nemen; dat de Commissaris-generaal geoordeeld heeft dat de asielaanvraag van verzoekster bedrieglijk is, zodat zij niet aantoont een gegronde vrees voor vervolging te koesteren in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat verzoekster geen concrete elementen aanbrengt die de motieven van de bestreden beslissing weerleggen; dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing overweegt dat “aanhangers van Zviad Gamsakhurdia ('zviadisten') en andere oppositieleden niet worden vervolgd, in de zin van de Vluchtelingenconventie, door de huidige Georgische machthebbers.”; dat hij opmerkt dat in de gebruikte informatie sprake is van ernstige schermutselingen tussen manifestanten en ordetroepen bij manifestaties van radicale zviadistische bewegingen maar dat diverse mensenrechtenorganisaties geen weet hebben van, en ontkennen dat er actueel sprake is van opsluitingen, en/of andere vervolgingen van oppositieleden in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat verzoekster verwijst naar mensenrechtenrapporten maar de informatie, gebruikt door verweerder, niet op concrete wijze weerlegt; dat de bestreden beslissing bovendien dient te worden gelezen als een geheel en niet als van elkaar losstaande onderdelen; dat het geheel van motieven de Commissaris-generaal ertoe heeft gebracht te besluiten tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag; 2.
- Overwegende dat, wat het tweede onderdeel van verzoeksters tweede middel betreft, uit het administratief dossier blijkt dat op het Commissariaat-generaal op vraag van verzoeksters Advocaat, aan verzoekster werd gevraagd of zij geheugenproblemen XIV-13.083-8/10 had sinds de slagen en medicatie; dat verzoekster daarop antwoordde dat zij soms dingen vergat, zoals de naam van haar dochter; dat verzoeksters asielrelaas evenwel precieze en gedetailleerde gegevens bevat; dat zij uit eigen beweging geen specifieke opmerkingen heeft gemaakt over moeilijkheden om zich bepaalde feiten te herinneren of niet heeft gemeld dat zij zich bij het door haar aangehaalde verloop van de gebeurtenissen wel eens zou kunnen vergissen; dat uit het administratief dossier niet blijkt dat zij bepaalde feiten niet zou hebben vermeld wegens geheugenproblemen; dat de beweerde geheugenproblemen bijgevolg niet van die aard waren dat zij een invloed hadden op de consistentie van het asielrelaas van verzoekster; dat verzoeksters argumentatie over de beknoptheid van het asielrelaas op de Dienst Vreemdelingenzaken evenmin afbreuk doet aan de vaststellingen van de Commissaris-generaal; dat van verzoekster redelijkerwijze mag worden verwacht dat zij, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van haar asielaanvraag, van bij de aanvang van de asielprocedure, de feiten die aan de basis liggen van haar vlucht uit haar land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden, die bevoegd zijn om kennis te nemen van haar asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat op de Dienst Vreemdelingenzaken aan verzoekster werd gevraagd haar asielrelaas uiteen te zetten (verhoorverslag DVZ, vraag 42); dat uit het administratief dossier blijkt dat haar verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken heeft geduurd van 10 u 30 tot 12 u 10; dat haar verklaringen werden voorgelezen in het Georgisch en dat zij door het plaatsen van haar handtekening heeft erkend dat het verhoorverslag overeenstemt met de inlichtingen die zij heeft gegeven (verhoorverslag DVZ, vraag 42); dat zij overigens na de uiteenzetting van haar asielrelaas verklaarde dat zij niets meer wenste toe te voegen; dat verzoekster tijdens haar interview op het Commissariaat-generaal evenmin opmerkingen heeft gemaakt betreffende eventuele moeilijkheden op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat de lacunes, weerhouden in de bestreden beslissing, betrekking hebben op de kern van haar asielrelaas, zodat de Commissaris-generaal terecht kon steunen op dit motief om zijn beslissing te onderbouwen; dat verzoeksters argumentatie de bevindingen van de Commissaris-generaal niet weerlegt; Overwegende dat verzoekster de door de Commissaris-generaal weerhouden motieven niet weerlegt; dat zij geen schending van de ingeroepen (wets)bepalingen aantoont; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve in redelijkheid kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoekster bedrieglijk is; dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: XIV-13.083-9/10 Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien juli tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-13.083-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.008 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div