← België

Arrest 134028 - - 19/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.028 Rolnummer: A. 111969/XIV-7050 Zaak: Arrest 134028 - - 19/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-30 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 08:28 Fiche Arrest nr 134.028 van 19 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.028 van 19 juli 2004 in de zaak A. 111.969/XIV-7050 In zake : XXX wonende te 2060 ANTWERPEN, hebbende als raadsman Advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen :

  1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 24 november 1969 en van beweerde Somalische nationaliteit, op 16 oktober 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen van 14 september 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 14 oktober 1999 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 14 september 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 november 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-7050-1/7 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 27 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 30 juni 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, die in persoon verschijnt, van Adjunct-adviseur D. HANOULLE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST ; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij komt België binnen op 6 augustus 1999 en verklaart zich vluchteling op 9 augustus
  5. 1.
  6. Op 14 oktober 1999 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. Op 14 september 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 7 januari 2000 op de zetel van het Commissariaat- generaal, bijgestaan door een tolk, die de Somalische taal machtig is, en in aanwezigheid van zijn advocaat, Mr. Van Der Mussele. Betrokkene verklaart de Somalische nationaliteit te bezitten en te behoren tot de Issaclan. Eind 1996 werd betrokkene in zijn winkel in Mogadishu door leden van de (Hawiye) Abgalclan overvallen en beroofd. Daarna werd ook zijn huis geplunderd. Betrokkene werd hierbij mishandeld en vervolgens opgesloten. Eind 1997 werd hij door XXX, een buurman die eveneens tot de Abgalclan behoorde, vrijgelaten. Tot juni 1999 verbleef betrokkene bij XXX. Toen deze weigerde betrokkene nog verder bescherming te verlenen, reisde hij op 7 juni 1999 via Mandera (Kenya) naar Nairobi. Daar nam hij op 4 augustus 1999 in het gezelschap van een agent een vliegtuig naar Italië. Van daaruit reisde hij per trein verder naar België waar hij op 6 augustus 1999 arriveerde en op 9 augustus 1999 asiel aanvroeg. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat betrokkene het weinig aannemelijk maakt dat hij, zoals hij verklaarde, de Somalische nationaliteit bezit, tot de Issaclan behoort en afkomstig is uit Mogadishu. Zo verklaarde hij voor het Commissariaat-generaal uitdrukkelijk niet te weten of de Issaclan al dan niet een eigen politieke partij of militaire f(r)actie heeft en kende hij, naast de subclan waar hij zelf toe zou behoren (met name, Yunis Muusa), slechts twee andere XIV-7050-2/7 subclans van de Issaclan. Verder bleek hij voor het Commissariaat-generaal niet in staat een correct antwoord te geven op de vragen in welke provincies de steden Baydabo en Luq liggen en situeerde hij Afgoye in de provincie Bay, terwijl Afgoye in werkelijkheid in de provincie Lower Shabelle ligt (kaart Undos, ‘administrative units of Somalia’). Voorts kon hij voor het Commissariaat-generaal slechts twee dorpen in de omgeving van Mogadishu noemen. Bovendien maakte betrokkene pas voor het Commissariaat-generaal voor de eerste keer gewag van de vermeende plundering van zijn huis in 1996, zijn arrestatie, opsluiting, zijn vrijlating door tussenkomst van XXX en zijn ondergedoken bestaan van 1997 tot
  8. Noch voor de Dienst Vreemdelingenzaken (verhoor dd. 3 september 1999), noch in het verzoekschrift van Meester Van Der Mussele (dd. 18 oktober 1999), noch in de vragenlijst van het Commissariaat-generaal (ingevuld dd. 10 november 1999), maakte betrokkene enige melding van deze vermeende gebeurtenissen. Hierbij dient nog te worden opgemerkt dat het in het verzoekschrift van Meester Van der Mussele ingeroepen argument, dat betrokkenes gebrekkige kennis van de Engelse taal hem zou belet hebben een volledig relaas te geven voor de Dienst Vreemdelingenzaken, gezien de zwaarwichtigheid van de beweerde feiten en de vaststelling dat uit het verhoorrapport van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat betrokkene wel degelijk in staat was een gedetailleerd relaas te geven voor de Dienst Vreemdelingenzaken, niet ernstig genomen kan worden. Daarenboven stelde betrokkene voor de Dienst Vreemdelingenzaken uitdrukkelijk dat armoede, ziekte en honger hem deden besluiten het land te verlaten en bracht hij naast de inval in 1996, geen enkel element aan dat wijst op daadwerkelijke persoonlijke vervolging. De Somalische identiteitskaart (met nummer 30997), het medisch attest (dd. 4 januari 2000) en het attest van de Stedelijke leergangen voor Talen in Antwerpen (dd. 10 november 1999) welke betrokkene ter ondersteuning van zijn relaas voorlegt, doen geen afbreuk aan voorafgaande vaststellingen. Verder kan betrokkenes reisweg, bij gebrek aan documenten terzake, niet worden nagegaan. Tenslotte bevat het verzoekschrift van Meester Van Der Mussele geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 14 oktober
  9. (...).”. 2.
  10. Overwegende dat verzoeker een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt: “(...) Schending van art. l.a.2 Verdrag van Genève en schending van art.52 W 15-12-1980 wegens niet afdoende want niet bewezen motivering: - Er is geen vaagheid van het relaas van verzoeker dat toelaat te besluiten tot onjuistheid in het verhaal van verzoeker; Het kan verzoeker niet ten kwade worden geduid dat hij systematisch bepaalde gegevens uit zijn vlucht bijkomend aanvult, als hem daarover iets wordt gevraagd. Aangezien verzoeker wel degelijk moeilijk kon meewerken en ingaan op een ernstig verhoor in de Engelse taal; Gelet dat zijn Engels immers, zoals blijkt uit de verklaring van de leerkracht Engels van het Stedelijk Onderwijs te Antwerpen op 10 november 1999 ABSOLUUT ONTOEREIKEND is om een ingewikkelde materie als de politieke situatie in zijn land uiteen te zetten; Men kan dus niet overgaan tot vergelijking van het eerste en het tweede verhoor, en uit tegenstrijdigheden met en vaagheden in het eerste interview besluiten dat er een bedrieglijke aanvraag gebeurde; Er zijn dus geen elementen aan te duiden bij gebrek aan geldig bewijs ervan in het kader van art.52 §1 2/ a van de W 15-12-1980, die toelaten te stellen dat er een bedrieglijke aanvraag voorhanden is; Immers de overheid kan haar stelling enkel bewijzen via een verslag dat louter de slecht vertaalde bewoordingen weergeeft maar niet de werkelijk gesproken mededelingen van verzoeker, op de vaak niet of slechts gedeeltelijk begrepen vragen door het gebrekkige Engels van verzoeker; Het ingeroepen "bewijs van bedrieglijkheid" is dus niet aanvaardbaar gelet op de bezwaren van verzoeker tegen de betrokken tolk; XIV-7050-3/7 -Men kan zich natuurlijk niet beroepen op het stuk 1 van het bundel: een Nederlandstalig stuk waarin verzoeker werd gevraagd te ondertekenen dat hij akkoord was met een Engelse tolk; Het betreft een stuk waarvan beroeper geen letter begrijpt; Overigens gaf men zelf toe dat die verklaring niet volstond gezien men verzoeker toeliet beroep te doen op een tolk ISSA voor het volgende verhoor; Van dit bezwaar inzake tolk werd overigens melding gemaakt in de beroepsakte van verzoeker bij de Commissaris Generaal;(st.3) -BESLUIT verschillen tussen eerste en tweede verhoor en vaagheden in het eerste verhoor zijn te verklaren door het feit dat beroeper werd verhoord een eerste maal via een tolk Engels terwijl hij die taal niet meester is, zelfs slechts een beperkte kennis heeft die hem niet in staat stelt een dergelijk verhoor te ondergaan; Dit moet men afleiden uit de verklaring van de leraar Engels van beroeper, zoals op 10-11-1999 opgesteld;” Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker bij de aanvang van zijn asielprocedure voor de Dienst Vreemdelingenzaken overeenkomstig artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) om de bijstand heeft verzocht van een Engelse tolk; dat verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenza- ken, waar hij in het Engels werd gehoord, geen opmerkingen heeft geformuleerd met betrekking tot een eventueel taalprobleem, dat zijn advocaat zich in het verzoekschrift in dringend beroep beperkte tot de mededeling “In de eerste plaats werd hem geen tolk Somalisch verstrekt, zodat hij zich in het Engels diende te behelpen om zijn uiteenzetting te geven”; dat aan deze opmerking gevolg werd gegeven en dat verzoeker voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd gehoord in het bijzijn van een tolk, die de Somalische taal machtig is; dat verzoeker bijgevolg pas voor de Raad van State, na de afhandeling van de asielprocedure voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal, aanvoert dat er zich een communicatieprobleem zou hebben gesteld en dat hij het Engels onvoldoende zou beheersen; dat verzoeker niet aantoont welke communicatieproblemen zich hebben voorgedaan en in welke mate deze verzoekers rechten hebben aangetast; dat uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen niet blijkt dat dit verhoor moeizaam is verlopen, dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag van verzoeker onontvankelijk verklaart op basis van motieven die steunen op verklaringen die verzoeker heeft afgelegd voor het Commissariaat-generaal, met de bijstand van een tolk Somalisch, en concludeert dat het weinig aannemelijk is dat verzoeker de Somalische nationaliteit bezit, tot de Issaclan behoort en afkomstig is uit Mogadishu; dat verzoeker in het middel deze vaststellingen niet betwist; Overwegende dat verzoeker ter terechtzitting van 30 juni 2004 bijkomende stukken heeft neergelegd, met name twee brieven vanuit Mogadishu, Somalië, verstuurd naar verzoeker op 11 mei 2003 en 31 december 2003, één brief van verzoeker gericht tot de Raad van State, waarin hij uiteenzet dat hij wel degelijk de Somalische nationaliteit heeft, en één stuk met de titel “birth certificate”; dat deze stukken dateren van na de bestreden beslissing, zodat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze stukken niet bij zijn beslissing kon betrekken; dat het de Raad van State niet toekomt om te oordelen over de waarde van voornoemde documenten, aangezien hij enkel XIV-7050-4/7 een wettigheidscontrole uitoefent op de bestreden beslissing en de Raad bijgevolg enkel rekening mag houden met de elementen vervat in voornoemde beslissing; Overwegende dat het eerste middel ongegrond is; 2.
  11. Overwegende dat verzoeker een tweede middel aanvoert dat als volgt luidt: “(...) Schending van art 6 EVRM dat voorziet (in) kwaliteitsvolle bijstand door een tolk: Aantasting van de rechten van verdediging: De Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen legt zelf strikte regels op voor tolken; (zie GERECHTSTOLKEN/VERTALERS MEDEWERKERS van het gerecht, Mr. Yolanda Vanden Bosch, met steun van de Koning Boudewijnstichting, p.24 afd.2.5.2.4 e.v.) Deze regels werden hier miskend; Enig bewijs leveren wordt daarenboven bemoeilijkt, gezien de weigering van de instanties om de naam van de tolk te vermelden op de documenten en verslagen van het gesprek; (systematische weigering terzake bestaat door de instanties zoals blijkt uit GERECHTSTOL- KEN en VERTALERS, o.c. p.89) Verzoeker kon niet meedelen dat hij niet alles begreep, omdat hij de Engelse vertaling uiteraard niet begreep; Gezien de niet beschikbaarheid van een tolk naar zijn eigen taal, en de bewezen onvol- doende kennis van het Engels, is in strijd met de wet in feite(n) geen bruikbare tolk ter beschikking gesteld van verzoeker, met aantasting en strijdigheid t.a.v.art.6 EVRM, en met de rechtspraak van het EHRM zoals vervat in het arrest Kamazinski en andere;” Overwegende dat uit de analyse van het eerste middel blijkt dat verzoeker oorspronkelijk heeft verzocht om de bijstand van een tolk Engels; dat hierop werd ingegaan; dat hij vervolgens om de bijstand heeft verzocht van een tolk Issa, dat hieraan gevolg werd gegeven en dat hij werd bijgestaan door een tolk die de Somalische taal machtig is; dat hij tijdens de asielprocedure geen opmerkingen heeft gemaakt over deze tolk; dat het dringend beroep, waarbinnen de bestreden beslissing zich situeert een administratieve beroepsprocedure is, die werd toevertrouwd aan een onafhankelijke en gespecialiseerde instantie, met name aan het Commissariaat-generaal, dat vooralsnog niet kan worden gelijkgesteld met een administratief rechtscollege, waar de rechten van de verdediging onverminderd gelden; dat in voorliggend geval niet wordt aangetoond welke rechten van verzoeker werden geschonden; Overwegende dat volgens een constante rechtspraak van de Raad van State artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (EVRM), niet van toepassing is op beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, omdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest van 5 oktober 2000, in de zaak MAAOUIA tegen Frankrijk, heeft beslist dat artikel 6 van het EVRM niet van toepassing is op het asielrecht, zodat niet kan worden ingezien waarom verzoeker artikel 6 van het EVRM inroept; dat bijgevolg dit onderdeel van het tweede middel niet dienstig kan worden aangevoerd omdat het niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; XIV-7050-5/7 Overwegende dat verzoeker van geen belang doet blijken om de identiteit van de aangeduide tolk te kennen; dat het verantwoord is dat voor de asielinstanties de optredende tolken anoniem blijven, om te vermijden dat in bepaalde gevallen de tolken, om welke reden dan ook, persoonlijk zouden worden geviseerd door de asielzoekers; dat niet blijkt uit het administratief dossier dat “geen bruikbare tolk ter beschikking (werd) gesteld van verzoeker (...)”; dat dit onderdeel van het tweede middel feitelijke grondslag mist; Overwegende dat het tweede middel ongegrond is;
  12. Overwegende dat verzoeker geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-7050-6/7 BESLUIT: Artikel
  13. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien juli tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-7050-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.028 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.