← België

Arrest 134074 - - 20/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.074 Rolnummer: A. 147238/XII-4041 Zaak: Arrest 134074 - - 20/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-13 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-07-04 08:28 Fiche Arrest nr 134.074 van 20 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.074 van 20 juli 2004 in de zaak A. 147.238/XII-4041. In zake : Arlette LAERMANS, wonende te Tienen, Swinnenstraat 7 tegen : de SCHOLENGROEP 11 : LEUVEN - TIENEN - LANDEN, die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Britselei 3, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Arlette Laermans op 3 februari 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “de besluiten wellicht daterend van 10 en/of 11 december 2003 waarbij een concurrentiële leerkracht Reviers Ludwig werd benoemd in de betrekking nr. 144 voor een volume van 14 uren wiskunde waarin verzoekster was gereaffecteerd en waarnaar verzoekster eveneens een aanvraag tot mutatie heeft ingediend en waarbij verzoekster bij brief van 11 december 2003 werd in kennis gesteld van de afwijzing van haar aanvragen tot mutatie in de Middenschool in Tienen naar de betrekkingen nr. 144 voor een volume van 14 uur en nr. 143 voor een volume van 4 uur telkens voor wiskunde onderwijs”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekster de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; XII-4041-1/6 Gelet op de beschikking van 3 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Van Cleynenbreugel, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekster op 18 mei 2004 een “antwoordnota” en bijkomende overtuigingsstukken neerlegt; dat samen met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat het procedurereglement niet in de mogelijkheid voorziet om in de schorsingsprocedure nog schriftelijk te antwoorden op het auditoraatsverslag; dat - mede in het licht van de rechten van de verdediging - voor de beoordeling van de vordering enkel rekening wordt gehouden met de uiteenzettingen in en bijlagen bij het inleidend verzoekschrift, zoals deze nader toegelicht zijn geworden ter terechtzitting, en met de stukken van het administratief dossier; Overwegende dat verzoekster aan verscheidene onderwijs- instellingen een hoofdambt uitoefent, namelijk : - aan het provinciaal instituut voor secundair onderwijs (PISO) te Tienen voor zes uren, - aan het hoger instituut voor tuinbouw en scheikunde in Brussel, thans gefuseerd tot Elishout Anderlecht (Elishout) voor acht uren, - aan de middenschool van het gemeenschapsonderwijs (MS) te Tienen voor acht uren; Overwegende dat verzoekster een voltijdse betrekking uitoefent aan de MS Tienen; dat zij zich voor zes uren gereaffecteerd acht uit het PISO en voor acht uren uit Elishout; dat verwerende partij het anders ziet: volgens haar oefent XII-4041-2/6 verzoekster de bedoelde veertien uren uit in het kader van een “TAO” of verlof voor tijdelijke andere opdracht en niét door reaffectatie; Overwegende dat verzoekster met een 26 mei 2003 gedateerd en door haar ondertekend formulier “personeelsbewegingen wervingsambten” mutatie vraagt op 1 januari 2004 naar de betrekking nr. 144 (lerares wiskunde 14

  1. u)en naar de betrekking nr. 143 (lerares wiskunde 4u) in de MS Tienen; Overwegende dat de raad van bestuur van de Scholengroep 11 op 10 december 2003 beslist over de toewijzingen van de personeelsbeweging op 1 januari 2004; dat hij de betrekking nr. 143 toewijst aan Katrien Ingels en de betrekking nr. 144 aan Ludwig Reviers; dat verzoekster voor beide betrekkingen door het college van directeurs was gerangschikt onmiddellijk na de begunstigden; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat verzoekster in het inleidend verzoekschrift onder de hoofding “feiten die het bevelen van de schorsing verantwoorden” het volgende uiteenzet : “dat de verzoekster terecht een onmiddellijke schorsing vraagt van de beslissing, minstens de schorsing vraagt van de uitvoering van de beslissingen, omdat op die wijze de verzoekster het best wordt hersteld in haar concurrentiële positie ten overstaan van de andere concurrerende leerkrachten als Reviers die thans is vastbenoemd; inderdaad dat de verzoekster ingeval van schorsing meteen kan beroep doen op de reaffectatievoorschriften om alzo de betrekkingen nrs. 144 en 1543 in te vullen en via art. 40ter § 3 van het decreet en daarin vast te worden benoemd zonder dat deze betrekkingen vacant worden verklaard. Dat de verzoekster bovendien na een eventueel annulatie-arrest niet meer in dezelfde situatie komt te staan als thans gezien er op dat toekomstig moment heel wat meer kandidaten een aanvraag kunnen indienen om in gezegde betrekkingen te worden benoemd zonder dat deze kandidaten zich nog in het statuut van de tijdelijke leerkracht bevinden hetgeen voor gevolg heeft dat de verzoekster vanuit een minder gunstig standpunt moet concurreren omdat verzoekster thans voorrang geniet op de tijdelijke leerkrachten (art. 36 bis, 35 van het decreet); dat met andere woorden doordat alle leerkrachten die aan de jongste aanvraag tot benoeming in de betrekking nrs. 144 en 143 hebben deelgenomen allen als tijdelijke leerkracht functioneerden kan men stellen dat de verzoekster in wezen concurrentievrij via reaffectatie gezegde betrekkingen kon XII-4041-3/6 bezetten en vervolgens eveneens concurrentievrij daarin kon worden benoemd terwijl verzoekster niet meer in dezelfde concurrentievrije toestand zal komen te staan ingeval, na een jarenlange vernietigingsprocedure het besluit van het bestuur wordt vernietigd. Dat inderdaad door de tussen te komen schorsing van het besluit de andere leerkrachten als Reviers en Inghels Katrien opnieuw in het statuut van tijdelijke leerkracht worden gebracht terwijl de verzoekster als deeltijds vastbenoemde leerkracht en gereaffecteerde leerkracht alsdan kan worden benoemd zonder rekening te moeten houden met deze tijdelijke leerkrachten. dat de unieke concurrentievrije positie waarin de verzoekster zich bevond voor het betwiste besluit door haar reaffectatie ten overstaan van de andere deelnemende concurrerende leerkrachten volledig verloren dreigt te gaan als de verzoekster in afwachting van de beslissing over het annulatie-verzoek de betrekkingen nr. 144 en 143 niet kan bezetten en daarin meteen worden benoemd (art. 31 van het decreet) of minstens daarin worden gereaffecteerd zonder dat deze betrekkingen vacant worden verklaard. dat, indien de verzoekster dient te wachten op de uitspraak in vernietiging van de besluiten, de betrekkingen in kwestie kunnen worden vacant verklaard gezien de verzoekster er niet in werd gereaffecteerd ingevolge de actuele invulling van de betrekkingen door Reviers en andere leerkrachten, en dat andere leerkrachten die vastbenoemd zijn of een betere concurrentiële positie hebben dan verzoekster op dat moment zich eveneens kunnen kandidaat stellen voor gezegde benoeming en erin worden benoemd alvorens de vernietigings-arrest zal zijn tussengekomen. Dat door de schorsing van de beslissing of van de tenuitvoerlegging van de beslissing de verzoekster wordt in staat gesteld gezegde vakante betrekking in te vullen in afwachting van de uitspraak over de vernietigingsbeslissing zodat geen enkele concurrentiële vastbenoemde leerkracht gezegde betrekking kan bezetten en na een eventuele vernietiging van het besluit de verzoekster meteen zonder vacantverklaring en concurrentievrij in gezegde betrekking kan worden benoemd of gereaffecteerd. Dat het unieke element zoals dat zich, ingeval van een schorsingsbeslissing, zal voordoen zich niet zal herhalen in de toekomst ter gelegenheid van een vernietigingsbeslissing waaraan geen schorsingbeslissing is voorafgegaan en verzoekster in een veel nadeliger positie zal brengen dan haar positie voor het aangevochten benoemingsbesluit of haar positie ingeval van schorsing. Dat zulks een onherstelbare schade betekent in hoofde van verzoekster”; Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoekster niet aantoont dat de nietigverklaring zonder voorafgaande schorsing niet volstaat om haar voldoende herstel te garanderen, dat zij niet uiteenzet waarom zij een persoonlijk nadeel ondergaat of verduidelijkt welk soort nadeel zij ondergaat, dat een financieel nadeel herstelbaar is evenals een moreel nadeel, door een vernietigingsarrest, dat het artikel 40ter, § 3, van het toepasselijke rechtspositie- decreet enkel een mogelijkheid inhoudt, maar geen verplichting, voor de raad van bestuur, om te benoemen en dat verzoekster niet rechtstreeks is gereaffecteerd aan de MS Tienen zodat er van een “concurrentievrije positie” wegens voorrangsrechten op uitbreiding van vaste benoeming of reaffectatie geen sprake is; XII-4041-4/6 Overwegende dat verzoekster op grond van de door haar verdedigde zienswijze van haar rechtspositie uitgaat van een “unieke concurrentievrije positie” wegens voorrangsrechten, die zij ontleent aan de artikelen 31, 35 of 36bis van het toepasselijke rechtspositiedecreet van 27 maart 1991; dat, voor zover zij die prioriteit aanvoert voor een nieuwe affectatie of vaste benoeming of uitbreiding van vaste benoeming, vooreerst lijkt te moeten worden vastgesteld dat zijzelf op het aanvraagformulier enkel een kruis aanbracht in de kolom “mut.” (mutatie) en niet in de kolommen “nieuwe aff[ectatie].”, “V.B. [vaste benoeming]” of “U.V.B. [uitbreiding van vaste benoeming]” zodat de vraag rijst of zij thans voor de Raad van State nog wel aanspraken op een nieuwe affectie of een (uitbreiding van) nieuwe benoeming mag doen gelden; dat daarenboven ook de stukken van het administratief dossier waarop de Raad in het kader van de schorsingsprocedure acht mag slaan met betrekking tot verzoeksters rechtspositie prima facie veeleer de zienswijze van de verwerende partij ondersteunen, wat zou betekenen dat de uiteenzetting van het nadeel uitgaat van een verkeerd uitgangspunt; dat hoe dan ook, in de veronderstelling dat verzoekster een voorrangsrecht kan doen gelden op toewijzing onder de een of andere vorm van de litigieuze betrekkingen, het aangevoerde nadeel volkomen hersteld wordt door de eventueel op die grond tussen te komen vernietiging van de bestreden besluiten, aangezien daarmee zou komen vast te staan dat verzoekster met terugwerkende kracht recht zou hebben op een beoordeling door de verwerende partij van haar voorrang en zulks zonder “concurrentie” van nieuwe kandidaten; Overwegende daarentegen, in de zienswijze van verwerende partij dat géén voorrangsrecht kan worden aangenomen, dat vooreerst moet worden vastgesteld dat verzoekster thans hoe dan ook voltijds vast benoemd is en in de feiten effectief een volledig uurrooster heeft aan de MS te Tienen; dat in het licht van die beide vaststellingen de door verzoekster weinig concreet uitgewerkte uiteenzetting niet volstaat om de Raad te overtuigen van het ernstig karakter van het aangevoerde nadeel; dat een latere nietigverklaring verzoekster in dat geval ook geeft wat zij beoogt, namelijk een nieuwe kans op mutatie; dat het nadeel bijgevolg ook niet moeilijk te herstellen is; dat, ten slotte, de vrees dat verzoekster in concurrentie zou komen met andere kandidaten vooreerst al te hypothetisch is en alleszins niet het gevolg is van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissingen zelf, maar integendeel voortvloeit uit de voor verzoekster verhoopte positieve afloop van het door haar ingestelde annulatieberoep; XII-4041-5/6 Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat, zonder dat de Raad zich thans reeds moet uitspreken over verzoeksters precieze rechtspositie aan de MS Tienen, hoe dan ook niet is voldaan aan ten minste een van de door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gestelde voorwaarden; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig juli 2004, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4041-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.074 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.827 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.