id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.127 Rolnummer: A. 153597/XII-4191 Zaak: Arrest 134127 - - 23/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-28 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 08:29 Fiche Arrest nr 134.127 van 23 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.127 van 23 juli 2004 in de zaak A. 153.597/XII-
- In zake :
- Gudrun VANHOVE,
- Patricia PRAT, die woonplaats kiezen bij advocaat S. Sergeant, kantoor houdende te Brugge, Zwijnstraat 3 tegen : de GEMEENTE ZEDELGEM, die woonplaats kiest bij advocaat S. Lust, kantoor houdende te Brugge, Burggraaf de Nieulantlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Gudrun Vanhove en Patricia Prat op 10 juli 2004 hebben ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 24 juni 2004 van de gemeenteraad van Zedelgem “waarbij de gemeenteraad instemde [...] met de fusie van de gemeentelijke lagere school en de vrije katholieke school te Veldegem en goedkeuring werd gegeven aan de ontwerpovereenkomst en haar bijlagen”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partijen de nietigverklaring vorderen van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 12 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 juli 2004, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-4191-1/9 Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partijen, en van hun advocaat S. Sergeant, en van advocaat S. Lust, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Feitelijke gegevens. Overwegende dat het voorliggend geschil een “fusie door opslorping” betreft van een gemeentelijke lagere school door een vrije katholieke basisschool in de gemeente Zedelgem (deelgemeente Veldegem); dat de gemeenteraad van de gemeente Zedelgem bij het bestreden raadsbesluit van 24 juni 2004 “in[stemt] met de fusie van de gemeentelijke lagere school en de vrije katholieke school te Veldegem en dit overeenkomstig de overeenkomst hierna goedgekeurd in artikel 4 [van hetzelfde raadsbesluit]”; dat luidens voornoemd artikel 4 van het besluit “goedkeuring gegeven [wordt] aan de ontwerpovereenkomst en haar bijlagen, zoals voorliggend onder de titel: Overeenkomst tussen het gemeentebestuur Zedelgem en de v.z.w. vrij katholiek basisonderwijs Veldegem met betrekking tot de fusie van de gemeentelijke lagere school Veldegem en de vrije katholieke basisschool te Veldegem, mits volgende wijzigingen: [...]”; dat een van de opgesomde wijzigingen het artikel 6 betreft van bedoelde overeenkomst; dat dit artikel 6, rekening houdende met de wijziging, luidt : “De gemeente garandeert overeenkomstig art. 173bis decreet basisonderwijs de vrije keuze tussen niet-confessionele zedenleer en één der erkende godsdiensten. De vzw VKBV zal in dat verband de cursus niet-confessionele zedenleer verder organiseren voor alle leerlingen die op 1 februari 2004 regelmatig waren ingeschreven in de gemeentelijke lagere school en niet-confessionele zedenleer volgden en dit tot op het ogenblik dat zij de fusieschool verlaten. Voor zover hiermee niet is voldaan aan art. 173bis decreet basisonderwijs, zal de gemeente erover waken dat de vrije keuze effectief wordt gewaarborgd. In dat geval wordt de vzw VKBV volledig gevrijwaard”; dat als gevolg van deze fusie op 1 september 2004 de fusieschool twee vestigingsplaatsen zal hebben te Veldegem; XII-4191-2/9 Overwegende dat eerste verzoekster in het inleidend verzoekschrift uiteenzet belang te hebben bij huidige procedure “omdat haar kinderen les volgden of zullen volgen in de gemeenteschool die thans zou worden opgeslorpt [...] het gaat om volgende kinderen [:] Ewoud Vande Walle, /1.5.1991 - Adriaan Vande Walle, / 26.6.1993 - Benjamin Vande Walle, /3.2.1998”; Overwegende dat tweede verzoekster zich in de procedure beroept op haar belang als “lerares niet confessionele zedenleer in diezelfde school”; Ontvankelijkheid van de vordering. Overwegende dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die excepties alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Schorsingsvoorwaarden. Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de derde voorwaarde betreft, dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen”; dat uit die bepalingen volgt dat een verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en XII-4191-3/9 concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ondergaat of dreigt te ondergaan; Overwegende dat het inleidend verzoekschrift omtrent het nadeel de volgende uiteenzetting bevat : “A/ in hoofde van eerste verzoekster : Verzoekster weet dat zij (ook in Veldegem) niet alleen staat met haar streven om, samen met haar partner de kinderen op te voeden tot harmonische volwassenen die zelfstandig hun leven kunnen uitbouwen. De keuze voor één of andere religie of levensbeschouwing willen zij dan ook niet voor hen maken. Zij vinden het wel belangrijk hen essentiële waarden zoals rechtvaardigheid, verdraagzaamheid, mededogen, op een gepaste manier kunnen opkomen voor zichzelf en de zwakkeren,... bij te brengen. Hierbij is het vrij en kritisch kunnen denken van groot belang om zelf richting te kunnen geven aan hun leven. Een goede ondersteuning bij het ontwikkelen van al hun mogelijkheden op àlle domeinen is tevens essentieel. Hoe jonger kinderen zijn, hoe groter en diepgaander de invloed is van de mensen en de omgeving van het kind. Een schoolkeuze is dus zeer belangrijk bij deze kinderen. De regeling waarbij de lessen zedenleer aangeboden worden met uitdovend karakter aan de leerlingen die dit schooljaar zedenleer volgden heeft zeer negatieve gevolgen voor de kinderen van verzoekster. De huidige beslissing (met de gekende randvoorwaarden) zou voor verzoekster tot gevolg hebben dat zij ofwel de keuze moet maken om haar 2e zoon uit zijn vertrouwde omgeving weg te halen, ofwel om haar jongste zoon de kans te ontzeggen om naar dezelfde school als zijn broer te trekken (eventueel zelfs verder van zijn woonplaats en van de kinderen uit zijn buurt). Benjamin die volgend schooljaar het 1/ leerjaar aanvat, kan geen zedenleer volgen aangeboden door de nieuwe school. Volgens de fusieovereenkomst zou de gemeente daarvoor instaan. Hoe dit concreet moet, werd nog niet ingevuld. Tijdens de gemeenteraad van 24 juni ll. stelde schepen Arnou voor om deze kinderen zedenleer te laten volgen in een andere school van een ander net waarbij de gemeente zou instaan voor het vervoer. Dit voorstel is echter in de praktijk niet uitvoerbaar : men kan een kind toch maar inschrijven in 1 school tegelijk ? Benjamin zou dus ingeschreven worden in de Vrije school te Veldegem en voor het vak-confessionele zedenleer in een andere school. Dit lijkt niet allee[n] strijdig met de schoolwetgeving maar bovendien is dit ook voor Benjamin zelf een zeer slechte maatregel : 1) Door deze constructie wordt hij een echt buitenbeentje wat aanleiding zal geven tot plagerijen en pesterijen. 2) Het vervoer van de ene school naar de andere zal onvermijdelijk ten koste gaan van andere lestijden. Dat dit dreigend morele leed, welzijn van kinderen, nooit langs pecuniaire weg kan vergoed worden zodat er wel degelijk sprake is van een moeilijk te herstellen en onmiskenbaar ernstig nadeel. B/ in hoofde van tweede verzoekster : Dat tweede verzoekster als leerkracht en door het uitdovend karakter van de lessen niet confessionele zedenleer vanzelfsprekend een geldelijk verlies zou lijden (verlies van uren en uiteindelijk de ganse tewerkstelling) maar dat zij ook XII-4191-4/9 laat gelden een belangrijk moreel nadeel te ondervinden door de bestreden beslissing. Behoud van de beslissing gedurende een langere termijn zal tot gevolg hebben dat diverse leerkrachten en leerlingen zullen afhaken. Verzoekster zal niet alleen gedurende een periode haar job niet volledig kunnen uitoefenen maar zou ook bij vernietiging van de beslissing enkel een inkomstenderving kunnen krijgen maar geen vergoeding voor het verlies van waardevolle contacten, uitdagingen, levensvervulling enz.... Als leerkracht niet confessionele zedenleer voelt zij zich gekwetst waar de beginselen waar haar lessen om draaien in dit dossier onmiskenbaar met de voeten werden getreden. Zij voelt zich dan ook verplicht op te komen voor de school. Niet alleen als vertegenwoordiger van de leerkrachten, maar ook en vooral naar de ouders toe. Al deze mensen kozen bewust voor een open, pluralistische school en bijgevolg ook voor de Gemeenteschool van Veldegem en voelen zich nu bedrogen en sterk ontgoocheld met de huidige toestand door de opgelegde toekomst”; Overwegende vooreerst, wat de beide verzoeksters betreft, dat niet relevant is of zij al dan niet “alleen staa[n]” en dat zij in het kader van een schorsingprocedure niet vermogen op te komen “voor de school” of “naar de ouders toe”, of zich beroepen op nadeel dat dergelijke derden zouden ondergaan door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing; dat iedere verzoekster ter adstructie van de besproken schorsingsvoorwaarde enkel het nadeel mag aanvoeren dat zij persoonlijk dreigt te zullen ondergaan; Overwegende, wat dan de eerste verzoekster betreft, dat de verwerende partij in de nota onder meer opwerpt dat zij zich niet beroept op een persoonlijk nadeel, maar op een nadeel dat haar kinderen zouden lijden, in wier naam zij echter niet opkomt, dat zij op geen enkele wijze aantoont dat zij zelf nadeel zou lijden door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, dat zij helemaal niet verplicht is om haar kinderen in te schrijven in de fusieschool, dat zij dit voor de oudste alleszins elders zal moeten doen nu hij zijn basisonderwijs heeft beëindigd, dat er op het grondgebied van de gemeente Zedelgem nog een basisschool van het gemeenschapsonderwijs is, met twee vestigingen, waar niet-confessionele zedenleer kan worden gevolgd, dat haar tweede zoon zonder problemen ook kan blijven in zijn huidige school en daarbij niet-confessionele zedenleer kan volgen, dat haar jongste zoon ook samen met haar oudste zoon school zou kunnen lopen en dat de gemeente zich in de fusieovereenkomst engageert om binnen alle redelijkheid bijkomende garanties te bieden waarbij onder meer gedacht werd aan financiering van leerlingenvervoer naar de meest nabije school waar niet-confessionele zedenleer wel wordt aangeboden, “uiteraard niet voor enkel dit vak, maar voor de hele opleiding”; dat volgens de verwerende partij in die omstandigheden onmogelijk kan worden XII-4191-5/9 aanvaard dat het feit dat de jongste zoon van eerste verzoekster geen school zou kunnen lopen in de oude gemeentelijke lagere school Veldegem voor eerste verzoekster een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou meebrengen dat de schorsing verantwoordt; Overwegende dat met de verwerende partij moet worden vastgesteld -en door eerste verzoekster ter terechtzitting wordt erkend- dat het inleidend verzoekschrift inderdaad niet is ingediend in naam van de kinderen van het gezin Vande Walle - Vanhove, maar enkel door Gudrun Vanhove in eigen naam; dat evenwel mét eerste verzoekster mag worden aangenomen, zo lijkt, dat het ouderlijk gezag dat zij uitoefent over haar drie minderjarige kinderen, alsmede de verantwoordelijkheid die zulks in zich draagt op het vlak van hun opvoeding en zedelijke ontplooiïng en de daarmee samenhangende vrijheid om het onderwijs te kiezen dat het meest overeenstemt met haar levensopvatting en die van haar kinderen, haar een voldoende persoonlijk belang geeft bij het aanvoeren van nadeel dat zij zou lijden omwille van de schoolkeuze voor haar kinderen; Overwegende evenwel dat niet wordt betwist dat de oudste zoon van verzoekster, voormalig leerling van de gemeentelijke lagere school, vanaf het schooljaar 2004-2005 secundair onderwijs volgt aan een andere school in de gemeente Zedelgem; dat de bestreden beslissing zijn schoolkeuze derhalve niet nadelig beïnvloedt; dat in die mate niet is voldaan aan de besproken voorwaarde; Overwegende dat de tweede zoon van verzoekster, eveneens voormalig leerling van de gemeentelijke lagere school, voor het schooljaar 2004- 2005 ingeschreven is in de fusieschool - vestigingsplaats van de vroegere gemeenteschool; dat het bestreden besluit die inschrijving onverlet laat; dat tussen partijen geen onenigheid bestaat over het feit dat aan hem verder niet-confessionele zedenleer aangeboden wordt totdat hij de fusieschool verlaat; dat voorts door verwerende partij in haar nota wordt meegedeeld dat in bedoelde vestigingsplaats voor het volgende schooljaar reeds honderd inschrijvingen zijn genoteerd (tegenover 108 leerlingen in het schooljaar 2003-2004); dat uit het administratief dossier blijkt dat al de vast benoemde leerkrachten van de opgeslorpte gemeenteschool tewerkgesteld zouden kunnen blijven in de fusieschool; dat de Raad op zicht van die gegevens niet inziet hoe de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor de tweede zoon “de vertrouwde omgeving” zou doen wegvallen; dat bijgevolg nog steeds niet is voldaan aan de besproken voorwaarde; XII-4191-6/9 Overwegende dat partijen er van uitgaan dat aan de jongste zoon van verzoekster, ofschoon hij voor het schooljaar 2004-2005 reeds ingeschreven is in de fusieschool, het komende schooljaar geen niet-confessionele zedenleer zal worden aangeboden; dat de door verzoekster ontwikkelde hypothese van een inschrijving in een andere school enkel voor de zedenleer niet enkel zoals zij stelt, met de vigerende wetgeving zou strijden, maar ook berust op een misverstand omtrent de voorstellen van de verwerende partij; dat verzoekster haar jongste zoon bijgevolg in een andere school zal moeten inschrijven, zo lijkt, indien zij toch wil dat hij niet-confessionele zedenleer volgt; dat een inschrijving in een andere school ook meebrengt dat haar jongste zoon de kans ontzegd wordt “om naar de zelfde school van zijn broer te trekken”; Overwegende dat evenwel de vraag is of die feitelijke vaststellingen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen schragen; dat immers verzoekster het bij die feitelijke vaststellingen houdt, zonder nadere toelichting; dat daar tegenover ter terechtzitting is gebleken dat de op het gemeentelijk grondgebied gelegen basisschool van het gemeenschapsonderwijs waaraan verwerende partij refereert, op vier kilometer afstand is van verzoeksters woonplaats; dat zij noch in haar verzoekschrift, noch ter terechtzitting redenen geeft waarom die school, waar krachtens artikel 24, § 1, vierde lid, van de Grondwet de keuze aangeboden wordt in de niet-confessionele zedenleer, voor haar in abstracto of specifiek voor haar jongste zoon, niet aanvaardbaar zou zijn; dat dit de ernst van het op de vrije schoolkeuze (of ontbreken ervan) gegrond nadeel nochtans relativeert; dat de Raad voorts vaststelt dat de derde en jongste zoon van verzoekster het afgelopen schooljaar evenmin school liep samen met een van zijn broers, maar in een Steinerschool te Brugge; dat verzoekster in die omstandigheden, louter op grond van hetgeen in haar verzoekschrift wordt beweerd, niet op concrete, overtuigende en afdoende wijze aantoont dat het morele welzijn van haar kinderen door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit op een ernstige en moeilijk te herstellen wijze in het gedrang komt of dat de eventuele scheiding van schoolomgeving van beide broers thans wél een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel vormt in de zin van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende, wat ten slotte de tweede verzoekster betreft, dat uit het dossier blijkt dat zij bij beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 8 september 2003, bekrachtigd bij raadsbesluit van 2 oktober 2003, “vanaf 1 september 2003 tot 30 juni 2004 aangesteld wordt voor 4/24sten als tijdelijke XII-4191-7/9 onderwijzeres niet-confessionele zedenleer”; dat zij ter terechtzitting toelicht dat zij in totaal voor 18/24u. was aangesteld, waarvan bijgevolg 14 uren in andere scholen, en voorts erkent dat aan haar tijdelijke aanstelling in de gemeenteschool overeenkomstig genoemd besluit een einde is gekomen op 30 juni 2004; dat zij verwerende partij niet tegenspreekt dat zij ook kans maakt op een nieuwe aanstelling in de fusieschool, indien daar uren niet-confessionele zedenleer zouden worden georganiseerd; dat in de aldus geschetste omstandigheden van de zaak, het mislopen van een loutere kans op een nieuwe aanstelling voor het schooljaar 2004-2005 in enkele uren niet-confessionele zedenleer niet te beschouwen valt als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van geen van beide verzoeksters is aangetoond; dat bijgevolg niet voldaan is aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de geco- ördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-4191-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juli 2004, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4191-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.127 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.350 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.