← België

Arrest 134164 - - 27/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.164 Rolnummer: A. 116143/XIV-8334 Zaak: Arrest 134164 - - 27/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-18 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 08:29 Fiche Arrest nr 134.164 van 27 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 134.164 van 27 juli 2004 in de zaak A. 116.143/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. DOCKX, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, Koningstraat 104 bus 8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 22 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 december 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 20 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 20 december 2001; Gelet op de beschikking van 31 januari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 11 mei 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 23 juni 2004; XIV-8334-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat P. DOCKX, verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 13 oktober 1999 en zich vluchteling verklaart op 14 oktober 1999; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 20 november 2000 beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 20 december 2001 deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U verklaart de Afghaanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van Kabul. Toen u ongeveer vier jaar oud was zouden uw ouders u hebben meegenomen naar Tajikistan. Enige tijd later zouden uw ouders zijn gestorven, waarna u uw volledige jeugd in een weeshuis zou hebben doorgebracht. Op uw vijftiende zou u zijn gaan samenwonen met uw Afghaanse partner. Na verloop van tijd zou hij drugsverslaafde zijn geworden. Hij zou vaak zijn gearresteerd. Na de laatste arrestatie zou hij in verdachte omstandigheden zijn gestorven. U zou het bevel hebben gekregen het land te verlaten en zou vervolgens naar België zijn vertrokken. U zou op 13 oktober 1999 in België zijn aangekomen en verklaarde zich vluchteling op 14 oktober
  3. U was hierbij niet in het bezit van enig identiteitsdocument. Dient, ten eerste, te worden opgemerkt dat aan uw beweerde Afghaanse afkomst geen enkel geloof kan worden gehecht. Zo heeft u, die over geen documenten beschikt die toelaten uw identiteit en nationaliteit aan te tonen, in uw relaas onvoldoende elementen aangebracht die aannemelijk maken dat u daadwerkelijk uit Afghanisten afkomstig bent. Ook spreekt u geen enkele van de landstalen. U beweert aanvankelijk (p. 2 verhoorverslag CGVS) nochtans vrij goed Perzisch te spreken, maar wanneer dit getest wordt (p. 11) blijkt u zich allerminst verstaanbaar te kunnen maken in deze Afghaanse taal. U zegt bovendien dat het Farsi en het Dari twee geheel verschillende talen zijn. Iemand die Farsi spreekt verstaat geen of slechts zeer moeilijk Dari, verklaart u (p. 5). Dit is echter onjuist. De naam van de tweede officiële taal in Afghanistan is u onbekend (p. 2). Hoewel u verklaart een drietal keer met uw man terug naar Afghanistan te zijn geweest, is uw kennis van het land uiterst beperkt. U zou drie maal gedurende enkele weken in een dorp nabij Kabul hebben verbleven, maar u slaagt er niet in zich de naam van het dorp te herinneren (p. 5-11). Het is in dit verband trouwens zeer vreemd dat u zich meent te herinneren dat men vanaf de Pakistaanse grens met de auto in drie uur tot Kabul rijdt (p. 6). Dit is evenwel onmogelijk. De stad die u steeds diende te passeren om van de Pakistaanse grens naar Kabul te rijden is u eveneens onbekend, net als de laatste Pakistaanse stad vóór de Afghaanse grens (p. 6). U zegt de hoofstad Kabul te hebben bezocht. Er wordt u gevraagd wat over de stad te vertellen en eventueel enkele bekende gebouwen of pleinen te benoemen. Het enige dat u weet te vertellen is dat alles er heel mooi is (p. 11). De Afghaanse vlag (p. 11), noch de naam van het Afghaanse identiteitsbewijs zijn u bekend (p. 7). U was naar eigen zeggen de laatste jaren drie maal in Kabul: toen u 25, 28 en 30 was. De eerste keer dat u er was

(1991)zouden de Russen er nog geweest zijn, zo beweert u (p. 6). Dit is vreemd: in werkelijkheid waren de Russische troepen op dat moment al enkele jaren vertrokken. De tweede keer dat u er op vakantie ging zouden de Taliban de macht reeds in handen hebben gehad (p. 6). Ook dit kan niet juist zijn. Uw dochter XXX werd in maart 1994 in Kabul geboren, zo verklaart u op de dienst Vreemdelingenzaken. Welnu, op dat moment was er van de Taliban in Afghanistan nog XIV-8334-2/5 geen spoor te bekennen. Het verdient bovendien vermelding dat u van mening bent dat na het vertrek van de Russische troepen onmiddellijk de Taliban aan de macht zijn gekomen. Van de Afghaanse Mujaheddin heeft u nog nooit gehoord (p. 6). Hoewel niet kan verwacht worden dat u perfect op de hoogte bent van uw beweerde vaderland, kan wel verwacht worden dat u toch minstens minimaal kan aannemelijk maken van Afghanistan afkomstig te zijn. Dit is echter geenszins het geval. Er kan dan ook enkel besloten worden dat u tracht de Belgische asielinstanties te misleiden door opgave van een valse nationaliteit. Verder dient de aandacht te worden getrokken op enkele zeer zwaarwichtige tegenstrijdigheden die de geloofwaardigheid van uw asielrelaas verder aantasten. Zo is de naam van uw vader op de dienst Vreemdelingenzaken XXX, de naam van uw partner XXX en heet uw oudste zoon XXX. Tijdens het verhoor op het commissariaat-generaal hebben ze allen plots dezelfde naam: XXX (p. 3). Wanneer de ondervrager hierover zijn verwondering uitdrukt en u vraagt of uw man en zoon eventueel nog een andere naam hebben, antwoordt u dat dit niet het geval is. In dit verband is het overigens merkwaardig dat uw oudste zoon volgens uw verklaringen op de dienst Vreemdelingenzaken geboren werd in 1985 en verdween in 1993, terwijl u tijdens uw verhoor in dringend beroep meent dat hij in 1982 werd geboren en verdween toen hij bijna acht jaar oud was (p. 3). Op de dienst Vreemdelingenzaken bent u van oordeel dat uw man in 1997 stierf. Tijdens uw verhoor op het commissariaat-generaal meent u aanvankelijk dat dit in 1998 was (p. 8-10), corrigeert u zich nadien door te zeggen dat dit in 1999 was om dan terug te komen op uw eerdere verklaring dat het toch in 1998 was (p. 10). Ook de chronologie van de problemen is geheel anders doorheen de opeenvolgende interviews. Op de dienst Vreemdelingenzaken beweert u dat u in mei 1997 het bevel kreeg Tajikistan te verlaten, dat u vervolgens uw man overtuigde alleen naar Afghanistan te gaan maar dat hij enkele dagen later werd gearresteerd en gedood. Op het commissariaat-generaal verklaart u volledig anders dat u pas vijf maanden na de dood van uw man het bevel kreeg het land te verlaten (p. 8). Tenslotte zegt u op het commissariaat-generaal in tegenstelling tot uw eerdere verklaringen op de dienst Vreemdelingenzaken dat u uw man niet een week maar een dag ná zijn arrestatie ging bezoeken. Bovenvermelde opmerkingen stellen zowel uw beweerde Afghaanse afkomst als uw vermeende problemen in Tajikistan in een bedrieglijk daglicht. Uw asielaanvraag is bijgevolg niet ontvankelijk.”; 2.
  1. Overwegende dat in het auditoraatsverslag ambtshalve een exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis wordt opgeworpen waarin wordt gesteld dat de bestreden beslissing op donderdag 20 december 2001 met een ter post aangetekend schrijven ter kennis van de verzoekende partijen is gebracht, dat de verzoekende partijen wel beweren doch niet bewijzen dat zij de bestreden beslissing pas op 24 december 2001 hebben ontvangen en dat het op 22 januari 2002 ingediende beroep bijgevolg laattijdig is; 2.
  2. Overwegende dat uit het administratief dossier enkel blijkt dat de bestreden beslissing op donderdag 20 december 2001 aan de verzoekende partij werd gestuurd met een ter post aangetekend schrijven; dat de verzoekende partijen in het verzoekschrift tot nietigverklaring stellen dat zij die kennisgeving pas op maandag 24 december 2001 hebben ontvangen; dat dit niet onaannemelijk is nu het slechts een verschil van één werkdag betreft in de voor de post drukke kerstperiode; dat de verwerende partij geen memorie van antwoord heeft ingediend noch enig stuk bijbrengt waaruit kan blijken dat de verzoekende partij de kennisgeving van de bestreden beslissing reeds op 21 december 2001 heeft ontvangen; dat derhalve niet blijkt dat het beroep tot nietigverklaring van 22 januari 2002 is ingesteld buiten de termijn van dertig dagen die is bepaald in artikel 20 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de vreemdelingen; dat de exceptie wordt verworpen; XIV-8334-3/5 3.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in hetgeen als een enig middel kan worden beschouwd aanvoert dat de bestreden beslissing is gesteund op haar gebrekkige kennis van Afghanistan, dat zij echter gedurende de verhoren heeft verklaard dat zij op zeer jonge leeftijd Afghanistan heeft verlaten, dat de bestreden beslissing is gesteund op een foutieve interpretatie en vertaling van de Afghaanse tolk, dat de verzoekende partij bij het verzoekschrift tot nietigverklaring een correct feitenrelaas voegt, dat de werkelijke oorzaak van de asielaanvraag dient te worden onderzocht vanuit de situatie in Tadzjikistan waar de verzoekende partij is opgevoed en waar zij haar Afghaanse partner heeft gekend, dat de verzoekende partij zich geenszins op bedrieglijke wijze de Afghaanse nationaliteit heeft aangemeten, dat dergelijke beslissing machtsafwending inhoudt en dat het bevel om het grondgebied te verlaten strijdig is met het non-refoulement beginsel van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); 3.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij voorhoudt dat de bestreden beslissing is gesteund op een foutieve interpretatie en vertaling van de Afghaanse tolk doch dat zij niet eens specifieert of het over haar verklaringen bij de dienst Vreemdelingenzaken dan wel op het commissariaat-generaal gaat; dat zij het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken zonder enig voorbehoud heeft ondertekend en dat zij op het commissariaat-generaal evenmin enige opmerking over de vertaling heeft gemaakt, alhoewel haar verklaringen op het einde van het verhoor werden voorgelezen; dat zij geen fouten in de vertaling aannemelijk maakt, zeker niet met een nieuwe verklaring die zij achteraf bij het verzoekschrift tot nietigverklaring voegt; Overwegende dat de bestreden beslissing onder meer is gesteund op een aantal zwaarwichtige tegenstrijdigheden in de verklaringen van de verzoekende partij waardoor ook de voorgehouden problemen in Tadzjikistan in een bedrieglijk daglicht worden gesteld; dat dit een determinerend motief vormt in de zin dat het de bestreden beslissing kan dragen; dat de verzoekende partij op geen enkele van de vastgestelde tegenstrijdigheden concreet ingaat laat staan ze weerlegt of verklaart; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is gesteund op onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze is genomen; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij besluit dat de bestreden beslissing is genomen met machtsafwending; dat zij niet het minste element aanvoert waaruit zou kunnen blijken dat een ongeoorloofd oogmerk het enige doel is van de bestreden beslissing en dat zij evenmin aanvoert om welk ander oogmerk dan het algemeen belang het daarbij zou gaan; dat het middel in die mate ongegrond is; XIV-8334-4/5 Overwegende dat de verzoekende partij aanvoert dat het bevel om het grondgebied te verlaten strijdig is met het non-refoulementbeginsel uit de Vluchtelingenconventie; dat zij zich beperkt tot een algemene stelling zonder aan te geven op welke wijze die schending zou zijn gebeurd; dat het middel in die mate onontvankelijk is;
  5. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juli tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-8334-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.164 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.