← België

Arrest 134182 - - 30/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.182 Rolnummer: A. 151403/IX-4515 Zaak: Arrest 134182 - - 30/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-03 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 08:32 Fiche Arrest nr 134.182 van 30 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.182 van 30 juli 2004 in de zaak A. 151.403/IX-

  1. In zake : Patrick PEINEN, die woonplaats kiest bij advocaat I. EXELMANS, kantoor houdende te KALMTHOUT, Kapellaan 9/1 tegen : de Burgemeester van de stad ANTWERPEN. ----------------------------------------------------------------------------------------------- ---- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Patrick PEINEN op 13 april 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de burgemeester van de stad Antwerpen van 12 februari 2004 waarbij hem de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 10 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIES- SCHE; IX-4515-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. EXELMANS, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. VAN DER STRATEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  3. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politie van Antwerpen. 1.
  4. Op 10 december 2002 stelt hulpagent van politie VAN DE MEUTER een administratief verslag op inzake een politieoptreden door verzoeker en zijn collega VERMOESEN op 7 december
  5. Volgens dat verslag hadden de hulpagent en haar collega op 7 december 2002 een auto-alarm horen afgaan, stelden zij vast dat een man aan het portier van de wagen stond te prutsen, deelde de meldkamer hen mee deze persoon te identificeren (hetgeen zij deden), werd een politieploeg (bestaande uit verzoeker en zijn collega) ter plaatse gestuurd voor verdere ondersteuning, werd de persoon door deze ploeg gefouilleerd waarna zij aan de hulpagenten meedeelden dat zij zelf alles verder zouden afhandelen en dat de hulpagenten geen verslag moesten uitbrengen en stelde de hulpagent nadien vast dat er door de interventieploeg een proces- verbaal was opgesteld waarin wordt vermeld dat de feiten gebeurden door onbekenden en dat dit zou opgemerkt zijn door onbekenden, terwijl de hulpagenten de vaststelling deden, de persoon tot staan brachten en identificeer- den, en de opstellers van het proces-verbaal die persoon fouilleerden. 1.
  6. Op 20 december 2002 wordt hoofdinspecteur VERGAUWEN door de korpschef van de lokale politie Antwerpen verzocht een voorafgaand onderzoek in te stellen. 1.
  7. Op 7 januari 2003 stelt hoofdinspecteur VERGAUWEN lastens verzoeker en zijn collega een proces-verbaal op wegens valsheid in authentieke en openbare geschriften, door een ambtenaar in de uitoefening van zijn functies. IX-4515-2/7 Met een kantschrift van 11 maart 2003 wordt dat proces-verbaal, alsook het administratief verslag van 10 december 2002, het proces-verbaal "vereenvoudigde registratie" van 7 december 2002 en de processen-verbaal van verhoor van verzoeker en zijn collega, door de procureur des Konings te Antwerpen aan de dienst Intern Toezicht van de stad Antwerpen bezorgd, met het verzoek een administratief onderzoek in te stellen teneinde eventuele disfuncties op te sporen bij het optreden van het interventieteam. 1.
  8. Op 18 maart 2003 deelt de procureur des Konings aan de korpschef mede dat het dossier met betrekking tot de vaststelling van valsheid in geschriften door verzoeker geseponeerd wordt. Hij geeft toelating om het straf- dossier te gebruiken in een tuchtdossier. 1.
  9. Op 22 augustus 2003 stelt de korpschef een inleidend verslag op lastens verzoeker, waarin hem tuchtrechtelijk ten laste wordt gelegd dat hij en zijn collega een proces-verbaal opstelden inzake poging tot diefstal van een auto ten laste van onbekenden, niettegenstaande de man die aan de auto had geprutst door hen was geïdentificeerd, hetgeen werd genoteerd op hun activiteitenverslag. Aangezien de korpschef van mening is dat een zware tuchtstraf zich opdringt, zendt hij zijn inleidend verslag voor verder gevolg naar de burgemeester als hogere tuchtoverheid. Op 28 augustus 2003 stelt de burgemeester op zijn beurt een inleidend verslag op, waarin hij zijn voornemen te kennen geeft om verzoeker te straffen met de inhouding van de bruto maandwedde met 5 % gedurende één maand. 1.
  10. Op 9 oktober 2003 wordt verzoeker door de burgemeester gehoord. Op 16 oktober 2003 bezorgt de burgemeester een ontwerp van besluit houdende het voorstel om verzoeker te straffen met een inhouding van de bruto maandwedde met 5 % gedurende één maand aan de procureur des Konings, met het verzoek een gemotiveerd advies uit te brengen. Met een brief van 28 oktober 2003 deelt de procureur des Konings aan de burgemeester mee dat verzoeker en zijn collega ernstig tekort zijn gekomen aan hun beroepsplichten, en dat deze tekortkoming een zware tuchtstraf wettigt. IX-4515-3/7 1.8.
  11. Op 5 november 2003 besluit de burgemeester een voorstel te formuleren om verzoeker te straffen met een inhouding van de bruto maandwed- de met 5 % gedurende één maand. Dat besluit wordt op 5 november 2003 met een aangetekende brief naar verzoeker verzonden en wordt door hem op 6 november 2003 ontvangen. Op 12 november 2003 legt de verdediging van verzoeker op het secretariaat van de tuchtraad een verzoek tot heroverweging neer. Op 19 januari 2004 formuleert de Inspecteur-generaal van de federale politie en van de lokale politie zijn beschouwingen naar aanleiding van het verzoek tot heroverweging. 1.8.
  12. Op 29 januari 2004 stelt de tuchtraad voor de tenlastelegging te heromschrijven als volgt : "Op 7 december 2002 is INP Peinen bij de uitvoering van een interventie- opdracht te Antwerpen tekort gekomen aan zijn beroepsplichten door nagelaten te hebben in het proces-verbaal melding te maken van : - de voorafgaande vaststellingen van de hulpagente Van de Meuter, die getuigenissen aflegde van het feit dat een bepaald persoon voordien aan het portier voelde van een auto waarop braaksporen werden aangetroffen; - de concrete onderzoeksverrichtingen van de opgeroepen interventie- ploeg." Vervolgens adviseert de tuchtraad dat de feiten -zoals herom- schreven- bewezen zijn, dat zij toegerekend worden aan verzoeker en dat zij een tuchtvergrijp uitmaken in de zin van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet). Wat betreft de strafmaat adviseert de tuchtraad dat, gelet op de ernst van de feiten en de nefaste weerslag hiervan op het imago van de politie- dienst en op het onverschoonbaar karakter van het verzuim enerzijds, maar anderzijds rekening houdend met het feit dat verzoeker en zijn collega spontaan hun diensten hadden aangeboden om bijstand te verlenen, het blanco tuchtverle- den van verzoeker, het feit dat niet bewezen is en evenmin ten laste wordt gelegd dat er ter plaatse onvoldoende feitelijk onderzoek werd ingesteld, het feit dat het niet bewezen voorkomt dat het de bedoeling is geweest bewust informatie achter te houden vermits de gegevens vermeld staan op het activiteitenverslag en de tuchtinbreuk het gevolg is van een verkeerde (weliswaar onverschoonbare) inschatting vanwege verzoeker, aan verzoeker als tuchtstraf de blaam zou worden opgelegd. IX-4515-4/7 1.
  13. Op 12 februari 2004 besluit de burgemeester verzoeker te straffen met een blaam. Dat besluit, dat op 13 februari 2004 met een aangetekende brief naar verzoeker wordt verzonden en door hem op 16 februari 2004 wordt ontvangen, maakt het voorwerp uit van de onderhavige vordering tot schorsing.
  14. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  15. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker aanvoert wat volgt : "Door de bestreden beslissing wordt verzoeker gestraft, en dit blijvend. Verzoeker wordt gebrandmerkt als zijnde iemand die zijn functie niet in eer en geweten uitoefent. De opgelegde tuchtstraf wordt blijvend vermeld op de strafkaart. Het hoeft geen betoog dat dit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt in hoofde van verzoeker. Gedurende de periode dat deze sanctie vermeld wordt op de strafkaart, ontloopt verzoeker promotiekansen. Geldelijk heeft dit uiteraard zijn weerslag. Nog erger is evenwel de emotionele en psychische invloed van de straf. Door de onterechte straf is de motivatie van verzoeker om zijn beroep uit te oefenen ernstig aangetast. Ook de motivatie van collega's die vol verbazing de ganse tuchtprocedure en het verloop ervan nauwgezet gevolgd hebben is aangetast. Hoe langer deze toestand duurt, hoe moeilijker deze te herstellen is uiteraard. Deze situatie komt de emotionele en psychische toestand van verzoeker niet ten goede en de dienst evenmin." 3.
  16. Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen op antwoordt dat verzoeker lang gewacht heeft alvorens zijn vordering in te dienen, dat hij geen concreet bewijs levert van het aangevoerde nadeel, dat trouwens in beginsel goedgemaakt zal worden door een vernietigings- arrest en dat de duur van de procedure, die wordt ingeroepen om en emotioneel en psychisch leed te ondersteunen, niet wordt weggenomen door een schorsings- arrest; dat zij daar aan toevoegt dat de opgelegde sanctie een relatief licht karakter heeft die geen onherstelbaar nadeel veroorzaakt en dat moeilijk aanvaard kan worden dat de straf een invloed zou hebben op de bevorderingsmogelijkhe- IX-4515-5/7 den van verzoeker, temeer hij de onwettigheid van deze tuchtstraf aan het bestuur kan tegenwerpen wanneer het verzoeker in een bevorderingsprocedure zou passeren omdat hij een tuchtstraf heeft opgelopen; dat zij ook nog stelt dat verzoeker niet aantoont dat hij, moest hij niet gestraft zijn, bevorderd zou kunnen worden of dat het onmogelijk is hem die bevordering retroactief nog toe te kennen na de vernietiging van de opgelegde tuchtstraf; dat zij besluit dat een blaam geen financiële gevolgen heeft en dat die tuchtstraf na twee jaar uitgewist wordt; 3.3.
  17. Overwegende dat artikel 4 van de tuchtwet de tuchtstraf van de blaam indeelt bij de lichte tuchtstraffen; dat overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van dezelfde wet die tuchtstraf na een termijn van twee jaar van ambtswege op het blad der tuchtstraffen wordt uitgewist voor zover er inmiddels geen nieuwe tuchtstraf uitgesproken werd; dat verzoeker dan ook ten onrechte stelt dat hij blijvend de gevolgen moet ondergaan van de opgelegde tuchtstraf; 3.3.
  18. Overwegende dat verzoeker in het algemeen verwijst naar het mislopen, gedurende een zekere tijd, van promotiekansen, maar dat hij zulks niet concreet toelicht; dat overigens de verwerende partij terecht erop wijst dat hij de mogelijkheid heeft de bevorderingen die hem zouden geweigerd worden omdat hij een blaam heeft opgelopen, te bestrijden en de onwettigheid van de tuchtstraf daarbij ter sprake te brengen, terwijl ook het ontberen van de geldelijke voordelen die met een bevordering verbonden zijn, geen nadeel is dat volgt uit de onmiddel- lijke tenuitvoerlegging van het hier bestreden besluit; 3.3.
  19. Overwegende dat het nadeel dat een schorsing kan verantwoor- den, persoonlijk moet zijn; dat verzoeker zich derhalve niet kan beroepen op een nadeel dat zijn collega’s of de dienst ondergaan; 3.3.
  20. Overwegende dat verzoeker verwijst naar de emotionele en psychische belasting die de bestreden beslissing hem bezorgt en die een verminderde professionele motivatie tot gevolg heeft; dat evenwel een lichte tuchtstraf, zoals de aan verzoeker opgelegde blaam, in beginsel niet geacht kan worden een moreel nadeel te berokkenen dat ernstig genoeg is om een schorsing te rechtvaardigen; dat zulks enkel het geval kan zijn wanneer verzoeker met concrete gegevens aannemelijk maakt dat bijzondere omstandigheden eigen aan zijn zaak een afwijkende beoordeling vereisen; dat verzoeker geen dergelijke IX-4515-6/7 bijzondere gegevens aanhaalt; dat hij wel verwijst naar de verwachte demotivatie die het gevolg zou kunnen zijn van de morele opdoffer die de bestreden beslissing hem berokkent, maar dat hij met die subjectieve gevolgtrekking geenszins het bestaan van een uitzonderingssituatie aantoont; dat derhalve niet aangetoond is dat een vernietiging van het bestreden besluit of zelfs de uitwissing ervan op het strafblad het aangevoerde moreel nadeel niet zal kunnen goedmaken;
  21. Overwegende aldus dat niet voldaan is aan de tweede grond- voorwaarde voor de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, BESLUIT: Artikel
  22. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  23. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juli 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4515-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.182 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.830 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.