← België

Arrest 134187 - - 30/07/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.187 Rolnummer: A. 154162/VII-32731 Zaak: Arrest 134187 - - 30/07/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-05 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-04 08:32 Fiche Arrest nr 134.187 van 30 juli 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.187 van 30 juli 2004 in de zaak A. 154.162/XIV-20.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, wonende te I., Z.straat 33 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van XXX nationaliteit, op 28 juli 2004 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 juli 2004 houdende weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 29 juli 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 28 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 juli 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DUPONT, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-20.255-1/5 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de feitelijke gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  5. Verzoekers dienen in België een asielaanvraag in op 12 november
  6. 1.
  7. Op 10 februari 2004 verzoekt België Italië om deze asielaanvragen over te nemen. Italië stemt toe op 9 juli
  8. 1.
  9. Op 26 juli 2004 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van beide verzoekers een beslissing tot weigering van verblijf. Deze beslissingen luiden als volgt: wat betreft eerste verzoeker: “België is niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag die aan de Italiaanse autoriteiten toekomt, met toepassing van art. 51/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van artikel 9 §4 van de Europese Verordening (EG) 343/
  10. Betrokkene is in het bezit van een visum afgeleverd door de Italiaanse autoriteiten en de Italiaanse overheid heeft op datum van 09/07/2004 ingestemd met de vraag tot overname van bovengenoemd persoon. Bovendien heeft betrokkene geen specifieke elementen aangehaald waarom zijn asielaanvraag in België behandeld zou moeten worden. Betrokkene verklaart naar België te zijn gekomen omdat hier een vriendin woont en omdat in België de mensenrech- ten gerespecteerd worden. In Italië worden de mensenrechten evenzeer gerespecteerd. Bijgevolg moet de bovengenoemde het grondgebied van het Rijk verlaten binnen de tien dagen en dient hij zich aan te bieden bij de Italiaanse overheid”; wat betreft tweede verzoekster: “België is niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag die aan de Italiaanse autoriteiten toekomt, met toepassing van art. 51/5 van de wet van 15 december1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van art. 9 §4 van de Europese Verordening (EG) 343/
  11. Betrokkene is in het bezit van een visum afgeleverd door de Italiaanse autoriteiten en de Italiaanse overheid heeft op datum van 09/07/2004 ingestemd met de vraag tot overname van bovengenoemd persoon. Bovendien heeft betrokkene geen specifieke elementen aangehaald waarom haar asielaanvraag in België behandeld zou moeten worden. Betrokkene is enkel naar België gekomen omdat hier kennissen van haar schoonfamilie wonen. Bijgevolg moet de bovengenoemde het grondgebied van het Rijk verlaten binnen de tien dagen en dient zij zich aan te bieden bij de Italiaanse overheid”; XIV-20.255-2/5
  12. Over de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat er ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
  13. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoekers een enig middel aanvoeren dat als volgt luidt: “Moyen unique pris de la violation de l'article 1er de la Convention de Genève du 28 juillet 1951, des articles 52, 62 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, des articles 2 et 3 de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs ainsi que de l'erreur manifeste d'appréciation, d'équitable procédure et de la violation du principe général selon lequel une autorité administrative est tenue de statuer en prenant connaissance de tous les éléments pertinents de la cause; violation de l'article 9 et 11 de la convention de Dublin signée le 15 juin
  14. Attendu que l'acte attaqué n'a pas tenu compte de l'article 9 de la Convention du Dublin qui dit que : « Art.
  15. Tout État membre peut, alors même qu'il n'est pas responsable, en application des critères définis par la présente convention, examiner pour des raisons humanitaires, fondées notamment sur des motifs familiaux ou culturels, une demande d'asile, à la requête d'un autre État membre et à condition que le demandeur d'asile le souhaite. Si l’État membre sollicité accède cette requête, la responsabilité de l'examen de la demande lui est transférée.» Attendu que les requérants sont dans une situation difficile, à savoir: - Que la requérante est gravement malade et nécessite un suivi médical constant à cause d'une grossesse difficile; - Qu'en plus elle a des problèmes particuliers de santé qui ne lui permettent même pas de marcher convenablement (cfr. le rapport médical ci-joint) - Que ses enfants âgés de 9 ans et de 5 ans ont besoin d'une attention particulière qui est donné par un couple d'amis belges, d'origine XXX, qui sont devenus une vraie famille d'accueil pour le couple et leurs enfants ; Attendu que le père a besoin d'une aide journalière en ce qui concerne ses enfants qui suivent une scolarité normale auprès de leurs camarades en Belgique ; Attendu qu'il doit s'occuper très souvent de la situation médicale de sa femme; Attendu que l'exécution du l'ordre de quitter le territoire serait contraire à l'article 3 de la CEDHE parce qu'il présente un traitement dégradant et humainement inacceptable ; Attendu que les requérants expriment le souhait que leur dossier d'asile soit traité par la Belgique, Qu'ils ne sont pas dans la possibilité de vivre en Italie pour les raisons suivantes:
  16. En Italie ils ne connaissent personne,
  17. Ils ne maîtrisent pas la langue et ne peuvent compter sur une quelconque aide,
  18. Qu'ici en Belgique ils sont aidés financièrement ( cfr. lettre de leurs amis en Belgique ci- jointe) et psychologiquement dans cette situation humainement angoissante comme le montrent les antécédents de la famille au L. (cfr. lettre de menaces, lettre du docteur attestant les séquelles physiques et psychologique subies par Monsieur O.); Qu'en outre la décision attaquée n'a pas respecté l'article 11 de la Convention de Dublin qui précise que: XIV-20.255-3/5 « Art
  19. L’État membre auprès duquel une demande d'asile a été présentée et qui estime qu’un autre État membre est responsable de l'examen de cette demande peut requérir ce dernier aux fins de prise en charge dans les plus brefs délais et, en tout état de cause, dans un délai de six mois après le dépôt de la demande d'asile,
  20. Si la demande de prise en charge n'est pas formulée dans le délai de six mois, la responsabilité de l'examen de la demande d'asile incombe à l’État auprès duquel la demande d'asile a été présentée.
  21. La demande de prise en charge doit comporter des indications permettant aux autorités de l’État requis de constater la responsabilité de cet État au regard des critères définis par la présente convention.
  22. La détermination de l’État responsable en application de ces critères se fait sur la base de la situation qui existait au moment où le demandeur d'asile a présenté sa demande pour la première fois auprès d'un État membre,
  23. L’État membre doit statuer sur la demande de prise en charge dans un délai de trois mois à compter de sa saisine. L'absence de réponse à l'expiration de ce délai équivaut à l'acceptation de la demande de prise en charge.
  24. Le transfert du demandeur d'asile de l’État membre dans lequel la demande d'asile a été présentée à l’État membre responsable doit intervenir au plus tard un mois après l'acceptation de la demande de prise en charge ou un mois après l'issue de la procédure contentieuse éventuellement engagée par l'étranger contre la décision de transfert si cette procédure est suspensive.
  25. Des dispositions arretées dans le cadre de l'article 18 pourront préciser ultérieurement les modalités particulières de la prise en charge.» Attendu que l'Italie n'a pas répondu dans le délai de trois mois après le 10/02/2004 Que la décision attaquée viole donc l'article 11 de la Convention de Dublin. Conclusions Attendu que la Belgique n'a pas respecté la Convention de Dublin utilisée pour motiver l'acte attaqué; Attendu que sur cette base la décision doit être suspendu en extrême urgence ; Que les parties requérantes demandent spécifiquement et pour les raisons expliquées ci-dessus que leur dossier d'asile soit examiné en Belgique ; Que ce souhait est justifié d'autant plus par l'article 9 de la même Convention; Que c'est a tort que la partie adverse n'y a pas fait droit.”; 2.
  26. Overwegende dat de uiteenzetting van het middel enkel handelt over de aangevoerde schending van de artikelen 9 en 11 van het Verdrag van Dublin van 15 juni 1990; dat het middel -in zoverre daarin de schending van andere rechtsregels wordt aangevoerd- niet ontvankelijk is; 2.
  27. Overwegende dat de bestreden beslissingen genomen zijn op basis van artikel 51/5 van de wet van 15 december 1980 en van artikel 9, § 4 van de Verordening (EG) Nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend; dat die verordening, naar dewelke de bestreden beslissingen overigens uitdrukkelijk verwijzen, de Conventie van Dublin vervangen heeft; dat de schending van de in het middel vermelde bepalingen -die niet naadloos zijn overgenomen door de thans van toepassing zijnde verordening- dan ook niet tot de onregelmatigheid van de bestreden beslissingen kunnen leiden; dat het niet aan de Raad van State behoort om, in een procedure gevoerd bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een aangevoerd middel in de plaats van de verzoekende partij te XIV-20.255-4/5 corrigeren en eventueel te nuanceren in functie van de nieuwe reglementering die aan de verzoekende partijen niet onbekend kon zijn; dat het aangevoerd middel niet ernstig is; 2.
  28. Overwegende dat de raadsvrouw van de verzoekende partijen ter terechtzitting ook nog verwijst naar de schending van de redelijke termijn waarbinnen de bestreden beslissingen genomen hadden moeten worden; dat dit middel evenwel niet als zodanig in het verzoekschrift uiteengezet is; dat het niet ontvankelijk is;
  29. Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  30. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  31. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juli tweeduizend en vier, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. VANDENDRIESSCHE. XIV-20.255-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.187 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.