← België

Arrest 134296 - - 13/08/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.296 Rolnummer: A. 147933/X-11783 Zaak: Arrest 134296 - - 13/08/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-19 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 08:37 Fiche Arrest nr 134.296 van 13 augustus 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.296 van 13 augustus 2004 in de zaak A. 147.933/X-11.

  1. In zake : Karla VUYTS, die woonplaats kiest bij Advocaat L. HILLEN, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 283 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat
  2. tussenkomende partij : de gemeente LIEDEKERKE, die woonplaats kiest bij Advocaat K. VEIRMAN, kantoor houdende te 1770 LIEDEKERKE, Warandestraat 103, bus
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Karla VUYTS op 23 februari 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 7 juli 2003 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan het gemeentebestuur van Liedekerke de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend tot verbeteringswerken aan de Paardeputweg te Liedekerke; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 19 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 april 2004; X-11.783-1/6 Gehoord het verslag van Staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. HILLEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat T. DE KETELAERE die, loco Advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij en van Advocaat K. VEIRMAN, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de gemeente LIEDEKERKE met een verzoekschrift van 15 maart 2004 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
  4. De feiten Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Liedekerke op 7 maart 2003 aan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een stedenbouwkundige vergunning vraagt voor het uitvoeren van verbeteringswerken in de zate van de met een ministerieel besluit van 21 oktober 2002 goedgekeurde rooilijnen van de buurtweg nr. 83, de Fabrieksstraat en de buurtweg nr. 77 te Liedekerke; dat de gevraagde vergunning met het bestreden besluit wordt gegeven;
  5. De rechtspleging Overwegende dat de verzoekende partrij op 28 april 2004 bijkomende stukken heeft overgemaakt aan de Hoofdgriffier van de Raad van State; Overwegende dat, enerzijds, uit de samenlezing van de artikelen 8 en 11 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechts- pleging in kort geding voor de Raad van State, blijkt dat enkel de akte houdende de vordering tot schorsing en de nota van de verwerende partij processtukken zijn die in het procedurereglement zijn voorzien; dat alle andere memories, aanvullende nota's, conclusies ..., uit de debatten dienen te worden geweerd; dat, anderzijds, X-11.783-2/6 artikel 17, § 3, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing of, in voorkomend geval, van voorlopige maatregelen rechtvaardigen; dat uit voormelde bepalingen volgt dat enkel de in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen uiteenzetting van feiten en verklaringen met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel bij het onderzoek van de vordering tot schorsing kan worden betrokken, en dat met nadien verstrekte gegevens (in een aanvullend stuk bijvoor- beeld) geen rekening meer kan worden gehouden;
  6. De ontvankelijkheid Overwegende dat de verwerende en de tussenkomende partij een zelfde exceptie van onontvankelijkheid opwerpen; dat in de huidige stand van het geding geen uitspraak over deze exceptie dient te worden gedaan nu, zoals hierna zal blijken, niet aan de schorsingsvoorwaarden ten gronde is voldaan;
  7. Beoordeling 4.
  8. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij wat de tweede voorwaarde betreft in essentie aanvoert dat zij eigenaar is van een perceel met woning en tuin aan de Molenstraat 6 te Liedekerke, dat de bestaande publieke erfdienstbaarheid van doorgang daarachter wordt gevormd door een smal weggetje van amper 1,7 meter breed, dat de verzoekende partij en haar kinderen aldus via hun tuin een veilige doorgang hebben naar de Fabrieksstraat, dat het na de uitvoering van de werken een weg van 4 meter breed zal zijn die net achter, en gedeeltelijk zelfs over, de eigendom van de verzoekende partij zal lopen en waarop autoverkeer in twee richtingen zal komen, dat de verkeersveiligheid op die weg en de rust in de tuin van de verzoekende partij zullen worden verstoord, dat er voor de vergunde verbreding bomen en struiken moeten worden gerooid waardoor de groene aanblik X-11.783-3/6 van het binnengebied zal worden aangetast en dat dit alles een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voor de verzoekende partij vormt; 4.2.
  10. Overwegende dat de verwerende partij in essentie antwoordt dat het ingeroepen nadeel is te herleiden tot de verbreding van de kwestieuze weg, dat de verzoekende partij geen beroep heeft ingesteld tegen het ministerieel besluit van 21 oktober 2002 waarbij een nieuw rooilijnplan werd goedgekeurd, dat het ingeroepen nadeel vreemd is aan het bestreden besluit, dat uit de plannen blijkt dat aan de twee meter hoge betonnen afsluiting van de verzoekende partij niet wordt geraakt, dat de privacy van de verzoekende partij in haar tuin derhalve niet wordt geschonden, dat de verzoekende partij slechts voor 4 m² zal worden onteigend en dit voor het gedeelte tussen de weg en de afsluiting, dat de Paardeputweg enkel wordt voorzien voor plaatselijk gemotoriseerd en zwak verkeer zodat er geen sprake kan zijn van trillingen, lawaai en vervuiling in de tuin van de verzoekende partij en dat het aangevoerde nadeel te herleiden is tot de aanwezigheid van de Paardeputweg en derhalve niet zijn oorsprong in het bestreden besluit vindt; 4.2.
  11. Overwegende dat de tussenkomende partij er aan toevoegt dat de verzoekende partij geen bezwaar heeft ingediend gedurende het openbaar onderzoek betreffende het rooilijn- en onteigeningsplan dat werd goedgekeurd met een ministerieel besluit van 21 oktober 2002, noch beroep heeft aangetekend tegen dit laatste ministerieel besluit, dat de door de verzoekende partij aangevoerde nadelen niet ernstig en zelfs deels verzonnen zijn, dat de tuin van de verzoekende partij immers is afgesloten door een hoge betonnen afsluiting, dat de grondinname voor de verbreding van de Paardeputweg slechts 4 m² bedraagt en de betonnen afsluiting intact laat, dat aan het genot van de tuin en de afsluiting derhalve niet wordt geraakt, dat de verzoekende partij, anders dan zij voorhoudt, geen toegang tot de voetweg via haar tuin heeft, dat er op de verbrede weg enkel gemotoriseerd verkeer voor de aangelanden is bedoeld, dat de Paardeputweg op bepaalde plaatsen nu al breder is en door auto’s wordt gebruikt, dat er ter plaatse slechts weinig groen is, dat het esthetisch uitzicht van de Paardeputweg zal verbeteren en dat de verzoekende partij er ingevolge de betonnen afsluiting thans ook geen uitzicht op heeft; 4.2.
  12. Overwegende dat de door de verzoekende partij aangevoerde nadelen betrekking hebben op de verbreding van de als Paardeputweg gekende buurtwegen nr. 83 en 77 te Liedekerke, gelegen achter de woning met tuin van de verzoekende partij; dat in het bestreden besluit uitdrukkelijk wordt gesteld dat de X-11.783-4/6 aanvraag "de aanleg (betreft) van een weg met wisselende breedte in de zate van de goedgekeurde rooilijnen van de voetweg nr. 83 en 77"; dat die rooilijnen met een ministerieel besluit van 21 oktober 2002 werden goedgekeurd; dat de aangevoerde nadelen die betrekking hebben op de verbreding van de voetwegen nr. 83 en 77 derhalve hun oorsprong vinden in het ministerieel besluit van 21 oktober 2002 en dat de verzoekende partij dit ministerieel besluit niet heeft aangevochten voor de Raad van State; dat dit stilzitten van de verzoekende partij er op wijst dat het nadeel van de verbreding van de kwestieuze voetweg alsdan niet als dermate ernstig en moeilijk te herstellen werd aanzien dat de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan moest worden gevorderd; dat de verzoekende partij thans geen concrete gegevens bijbrengt waaruit kan blijken dat de aangevoerde nadelen nu dermate ernstig en moeilijk te herstellen zijn geworden dat alleen een schorsing van de tenuitvoerlegging nog uitkomst kan brengen zonder dat het verloop van de annulatieprocedure kan worden afgewacht; Overwegende, ten overvloede, dat de verzoekende partij ter terechtzitting niet betwist dat haar tuin door een 2 meter hoge betonnen afsluiting van de voetweg is afgescheiden en dat in die afsluiting geen doorgang naar de voetweg is voorzien; dat de verzoekende partij toegeeft dat in de bestaande situatie reeds een klein deel van haar perceel achter de afsluiting door de voetweg wordt ingenomen; dat uit de gegevens van de zaak niet blijkt dat thans aan die afsluiting zal worden geraakt en dat de verzoekende partij ter terechtzitting slechts verklaart niet te weten of haar afsluiting al dan niet binnen de rooilijn langs de weg valt; dat de verzoekende partij derhalve geenszins aannemelijk maakt dat haar rust, haar uitzicht, haar privacy of de verkeersveiligheid worden aangetast door de tenuit-voerlegging van het bestreden besluit; dat de verzoekende partij geen andere nadelen aanvoert; 4.
  13. Overwegende dat uit de uiteenzetting van de verzoekende partij niet blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, X-11.783-5/6 BESLUIT: Artikel
  14. Het verzoek tot tussenkomst van de gemeente LIEDEKERKE in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  15. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  16. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien augustus 2004, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. C. ADAMS. X-11.783-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.296 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.498 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.