← België

Arrest 134298 - - 13/08/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.298 Rolnummer: A. 154385/X-11982 Zaak: Arrest 134298 - - 13/08/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-18 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 08:37 Fiche Arrest nr 134.298 van 13 augustus 2004 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.298 van 13 augustus 2004 in de zaak A. 154.385/X-11.982 In zake :

  1. Bart DE PAUW,
  2. Inès DE VOS,
  3. Gert JANSSEN,
  4. Christel HELSEN, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Grotehertstraat 12 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij Advocaat Wim DOM, kantoor houdende te 2580 PUTTE, Waversesteenweg 81 tussenkomende partijen :
  5. de n.v. BOUWBEDRIJF VAN POPPEL,
  6. de n.v. D’HULST OMNICONSTRUCT, die woonplaats kiezen bij Advocaat Y. LOIX, kantoor houdende te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg
  7. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bart DE PAUW, Inès DE VOS, Gert JANSSEN, en Christel HELSEN op 3 augustus 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te vorderen van het besluit van 1 juli 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij “het beroep van de nv. BOUWBEDRIJF VAN POPPEL en D’HULST-VAN POPPEL voor de n.v. D’HULST OMNICONSTRUCT, tegen de weigering van de vergunning tot het uitvoeren van het verbouwings- en nieuwbouw- project '‘t Kranske' op een terrein, gelegen Kerkstraat- St.-Gummarusstraat, sectie H, nrs. 49 A2, 49 B2, 49 C2, 48 N en 74 W 5, voorvloeiend uit de ontstentenis van een binnen de wettelijke termijn genotificeerde beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Lier, wordt ingewilligd en vergunning wordt X-11.982-1/13 verleend overeenkomstig de voorgebrachte plannen en onder de (daarna) volgende voorwaarden.”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 3 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 augustus 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. VAN WESEMAEL, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat T. VAN OUYTSEL die, loco Advocaat W. DOM verschijnt voor de verwerende partij en van Advocaat S. VERNAILLEN die, loco Advocaat Y. LOIX verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de n.v. BOUWBEDRIJF VAN POPPEL en de n.v. D’HULST OMNICONSTRUCT met een verzoekschrift van 4 augustus 2004 hebben gevraagd in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat de tijdelijke vereniging D’HULST-VAN POPPEL de begunstigde is van de thans bestreden beslissing; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat de tijdelijke vereniging D’HULST-VAN POPPEL op 1 augustus 2002 bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Lier een aanvraag heeft ingediend tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor een verbouw- en nieuwbouwproject, bestaande uit de omvorming van een voormalig schoolgebouw tot 24 woongelegenheden, de sloping van bepaalde gebouwen en hun vervanging door nieuwbouw en de aanleg van een ondergrondse parking op een terrein dat is gelegen te Lier, tussen de Kerkstraat, de Sint- Gummarusstraat en de Nete; dat een deel van het bouwterrein is gelegen binnen het bij ministeriële besluiten van 8 maart 1993 beschermde stadsgezicht “Kerkstraat 1-11, het voormalig klooster der Engelse Theresianen met kloostertuin en Aragonbrug" en X-11.982-2/13 "Sint-Gummarusstraat 5-33 en 2-32”; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Lier bij besluit van 31 maart 2003 de gevraagde stedenbouwkundige vergunning heeft verleend; dat de Raad van State ten verzoeke van onder meer huidige verzoekende partijen bij arrest nr. 118.490 van 18 april 2003 (zaak A. 135.301/X-11.373) de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van dit besluit heeft bevolen; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Lier bij besluit van 26 mei 2003 voormeld besluit van 31 maart 2003 heeft ingetrokken; dat de cel Monumenten & Landschappen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap op 3 november 2003 een bijkomend advies over de aanvraag heeft verleend waarin zij, zoals in het bestreden besluit wordt overwogen, “het eerder ingenomen standpunt verduidelijkt”; dat dit bijkomend advies het enige nieuwe element is in het dossier van de aanvraag om stedenbouwkundige vergunning; dat de aanvraagster bij ontstentenis van een beslissing van het college van burgemees- ter en schepenen binnen de in artikel 52, § 1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalde termijn op 11 november 2003 beroep heeft ingesteld bij de bestendige deputatie van de provincie- raad van Antwerpen; dat de bestendige deputatie bij het bestreden besluit van 1 juli 2004 de gevraagde stedenbouwkundige vergunning heeft verleend overeenkomstig de bijgevoegde plannen en mits te voldoen aan de erin gestelde voorwaarden; Overwegende dat de tussenkomende partij opwerpt dat conform artikel 52, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van een stedenbouwkundige vergunning slechts gebruik kan worden gemaakt indien binnen 25 dagen de gemachtigde ambtenaar geen beslissing tot schorsing van de vergunning heeft genomen, dat de kennisgeving van de beslissing dateert van 27 juli 2004, zodat de gemachtigde ambtenaar nog tijd heeft tot en met 25 augustus 2004 om de beslissing te schorsen, zodat de bestreden beslissing derhalve alleszins niet uitvoerbaar is op het ogenblik van het instellen van de vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid en deze dus niet ontvankelijk is; Overwegende dat artikel 52, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalt dat van de met toepassing van de artikelen 41 en 44 afgegeven vergunning gebruik mag worden gemaakt indien binnen vijfentwintig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving ervan, de gemachtigde ambtenaar geen beslissing tot schorsing van de vergunning ter kennis van de aanvrager heeft gebracht; dat deze bepaling niet inhoudt dat die vergunning zonder rechtsgevolgen is; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; X-11.982-3/13 Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering betreft, verzoekende partijen in het verzoekschrift tot schorsing uiteenzetten wat volgt: “De Raad van State heeft reeds in haar arrest nr. 118.490 van 18 april 2003 aanvaard dat de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid verantwoord is in onderhavig geding. Nu de bestreden vergunning is afgeleverd op exact dezelfde onveranderde plannen, is er dan ook geen enkel element aanwezig om aan te nemen dat er thans van uiterst dringende noodzakelijkheid plots geen sprake meer zou zijn. De vergunning werd genotificeerd aan de aanvrager, luttele dagen vóór het einde van het bouwverlof. Verwacht mag dus worden dat de bouwheer zeer spoedig met de werken zal beginnen en hij niet de afloop van een gewone kort gedingprocedure zal afwachten. Verzoekers gingen de vergunning inzien op 29 juli 2004 op de dienst ruimtelijke ordening van de stad Lier, alwaar zij tevens een afschrift kregen. Het is dringend noodzakelijk dat de bestreden vergunning zo snel mogelijk wordt geschorst, teneinde te vermijden dat de afbraakwerken een aanvang nemen en zo onherstelbare schade wordt toegebracht aan twee bij Ministerieel Besluit van 3 maart 1993 beschermde stadsgezichten, m.n. het voormalig klooster der Engelse Theresianen en de Sint-Gummarusstraat. Het project is van die aard, en voorziet een zulke drastische ingreep in deze beschermde stadsgezichten, dat een arrest volgens de normale schorsingsproce- dure onherroepelijk te laat zal komen om het inmiddels veroorzaakte nadeel nog gemakkelijk herstelbaar te maken. Er wordt immers in de bouwplannen voorzien dat een groot deel van de kloostergebouwen, alsmede de woning met huisnummer 21 in de Sint- Gummarusstraat, worden gesloopt. Het spreekt voor zich dat zulke sloopwerken binnen het tijdsbestek van enkele dagen kunnen worden uitgevoerd en zo verzoekers voor voldongen feiten kunnen stellen. Bovendien gaat het hier om beschermde stadsgezichten met een artistieke en historische waarde. Eens een aanvang gemaakt met de afbraakwerken, is de kans groot dat deze historische gebouwen onherroepelijk verdwenen zullen zijn, nu het quasi onmogelijk is om deze in hun oorspronkelijke toestand te herstellen. Verzoekers doen dan ook een beroep op de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid teneinde deze beschermde stadsgezichten van enige afbraak te vrijwaren en om te vermijden dat zij voor een voldongen toestand worden geplaatst. X-11.982-4/13 Alhoewel de voltooiing van het project op zich door zijn omvang wellicht enige maanden in beslag zal nemen, is de dreiging van een nakende afbraak binnen een kort tijdsbestek reëel. Het spreekt voor zich dat verzoekers zich niet alleen verzetten tegen de oprichting van het wooncomplex, maar eveneens en in eerste instantie tegen het slopen van de bestaande, historische én beschermde gebouwen, zodat zij geen andere keuze hebben dan onderhavige vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen. De normale procedure biedt immers niet de waarborg dat de tenuitvoerleg- ging van de bestreden beslissing kan worden bevolen vooraleer de beschermde gebouwen gesloopt zijn. De behandelingstermijn van een "gewoon" verzoek tot schorsing bedraagt in de huidige stand van zaken minstens enkele maanden, zodat op die manier niet kan belet worden dat de te slopen gebouwen intussen met de grond gelijk worden gemaakt. In die omstandigheden is er sprake van uiterst dringende noodzakelijkheid (cf. bv. R.v.St., Jonckheer, nr. 77.776 van 21 december 1998). Verzoekers hebben dan ook geen andere mogelijkheid dan opnieuw een beroep te doen op de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid.” Overwegende dat de tussenkomende partij in de hiervoor vermelde exceptie verklaart dat “de kennisgeving van de beslissing dateert van 27 juli 2004"; dat verzoekende partijen verklaren op 29 juli 2004 de vergunning te hebben ingezien op de dienst ruimtelijke ordening van de stad Lier, en er tevens een afschrift van te hebben ontvangen; dat de op 3 augustus 2004 ingestelde vordering tot schorsing met de voor een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereiste spoed werd ingesteld; dat de door verzoekende partijen in hun uiteenzetting aangevoerde gegevens, die door de verwerende en de tussenkomende partij overigens niet worden betwist, de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering afdoende verant- woorden; Overwegende dat verzoekende partijen in een eerste middel aanvoeren wat volgt: “Eerste middel, genomen uit de schending van het ministerieel besluit van 8 maart 1993 houdende bescherming als stadgezicht van de Sint-Gummarusstraat en het voormalig klooster der Engelse Theresianen, uit de schending van de artikelen 2, 3/, 9 en 11 § 1 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, uit de schending van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 118.490 van 18 april 2003 van de Raad van State, uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht der bestuurshandelingen, en wegens machtsoverschrijding. Doordat het bestreden besluit de stedenbouwkundige vergunning verleent voor een verbouw- en nieuwbouwproject “‘t Kranske” houdende onder meer afbraak en vervanging door nieuwbouw van een aantal kloostergebouwen en een woning die deel uitmaken van een beschermd stadsgezicht. En doordat in het bestreden besluit daarbij verwezen wordt naar een gunstig advies dd. 9 september 2002 uitgebracht door de cel Monumenten en Landschappen van AROHM, waarin uiteengezet wordt dat de bestaande X-11.982-5/13 kloostergebouwen in slechte toestand zijn en de binnenindeling ervan “historisch weinig relevant” is, zodat de voorgestelde afbraak en nieuwbouw te verantwoorden is. En doordat in een aanvullend advies dd. 3 november 2003 van de cel Monumenten en Landschappen, waar het provinciebestuur zich uitdrukkelijk bij aansluit, hieraan wordt toegevoegd dat "de optie voor een nieuwbouwwo- ning langs de Nete aanvaardbaar is, gelet op de slechte toestand van het bestaande gebouw en de reeds uitgevoerde verbouwingen". En doordat voornoemd advies dd. 9 september 2002 m.b.t. tot de af te breken woning in het beschermd stadsgezicht Sint-Gummarusstraat stelt dat deze afbraak "kan verantwoord worden door de kwaliteit van de gevel van de nieuwbouw enerzijds en de noodzaak voor een toegang voor wagens voor dit binnengebied anderzijds". En doordat ook het aanvullend advies dd. 3 november 2003 hier niets nieuws aan toevoegt en het huis nr. 21 niet meer beschermingswaard acht enkel en alleen om reden dat "een toegang voor gemotoriseerd vervoer naar het binnengebied zich opdringt" en "het nieuw voorgesteld 'poortgebouw' zich discreet opstelt en zich wil inpassen binnen het totale spel van de geritmeerde witte gevels en het homogeen straatbeeld". Terwijl, eerste onderdeel, zowel het voormalig klooster der Engelse Theresianen als de Sint-Gummarusstraat bij Ministerieel Besluit van 8 maart 1993 in hun geheel werden gerangschikt als beschermd stadsgezicht, met inbegrip van de te slopen gevel en alle gebouwen van het kloostercomplex, en dit omwille van hun "artistieke en historische waarde". En terwijl in de verantwoordingsnota van de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen melding gemaakt wordt van de "homogene bebouwing" en het "typisch homogeen uitzicht" van de Sint-Gummarusstraat, en het feit dat “de straatwanden worden bepaald door bepleisterde en witgeschilderde lijstgevels, met de voor deze straat karakteristieke balkons". En terwijl ook de cel Monumenten en Landschappen in haar aanvullende advies dd. 3 november 2003 stelt dat in de Sint-Gummarusstraat "het artistiek ensemble" primeert, "waarvan de straatwanden worden bepaald door hun homogeen karakter". En terwijl diezelfde motiveringsnota van de provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen eveneens de historische en artistieke waarde roemt van het voormalige kloostercomplex der Engelse Theresianen. En terwijl het bestreden besluit thans afbreuk poogt te doen aan deze bescherming door te stellen dat het kloostergebouw "in slechte toestand" is, en de woning nr. 21 in de Sint-Gummarusstraat "op zich niet als het meest beeldbepalend of als drager van het stadsgezicht kan beschouwd worden". En terwijl deze motivering echter de definitieve bescherming van deze gebouwen niet teniet kan doen, nu deze verbindende kracht heeft. En terwijl trouwens niet kan worden ingezien hoe de vervanging van de woning nr. 21 door de in- en uitrit van een ondergrondse parking kan bijdragen tot het "homogeen karakter" van de straat of het "artistiek ensemble". En terwijl het feit dat deze gebouwen indertijd beschermingswaard werden bevonden, thans niet kan worden tenietgedaan door het gebrek aan onderhoud van de gebouwen of de overweging dat het huis nr. 21 niet als drager van het stadsgezicht kan worden beschouwd. En terwijl de woning nr. 21 indertijd uiteraard niet werd beschermd omdat het de drager is van het stadsgezicht, maar wel omdat het bijdraagt tot het "homogeen karakter" van de straat en een essentieel onderdeel uitmaakt van een waardevol geheel. En terwijl het voorgestelde project integendeel onbetwistbaar een stijlbreuk zal veroorzaken in de straat door de aanwezigheid van de inrijpoort en de X-11.982-6/13 functie van de woning nr. 21 binnen het beschermde stadsgezicht ontegenspre- kelijk zal teniet doen. En terwijl, tweede onderdeel, een besluit tot rangschikking als beschermd stadsgezicht overeenkomstig artikel 9 van het decreet van 3 maart 1976 verordenende kracht heeft. En terwijl dezelfde bepaling voorziet in een specifieke procedure om een rangschikking als stadsgezicht op te heffen of te wijzigen, procedure die in casu niet werd gevolgd. En terwijl de bestreden beslissing door het toestaan van afbraak en zeer grondige verbouwing van betrokken gebouwen, een feitelijke deklassering van de gebouwen vergunt, hetgeen in strijd is met voormeld artikel
  8. En terwijl de Raad van State in zijn arrest nr. 118.490 van 18 april 2004 (lees: 2003) hieromtrent eveneens heeft geoordeeld dat "de nieuwbouw uiteraard de afbraak veronderstelt van het gerangschikte goed, waarvoor een opheffing of wijziging van het rangschikkingsbesluit nodig lijkt". En terwijl het bestreden besluit op die manier niet alleen de verbindende kracht van het rangschikkingsbesluit zoals bedoeld in artikel 9 van het decreet van 3 maart 1976 veronachtzaamt, maar eveneens het gezag van gewijsde van voormeld arrest van de Raad van State met de voeten treedt. En terwijl, derde onderdeel, artikel 11 § 1 van het decreet van 3 maart 1976 daarenboven de eigenaar van een onroerend goed gelegen in een beschermd stadsgezicht verplicht dit in goede staat te behouden, en het niet te ontsieren, te beschadigen of te vernielen. En terwijl niet kan aangenomen worden dat de in het bestreden besluit vergunde werken verenigbaar zijn met het bepaalde in artikel 11 § 1 van het decreet, gelet op de aard van de werken, die ertoe strekken een woning in de Sint-Gummarusstraat volledig te slopen en te vervangen door een inrit van een parkeergarage en een volledige nieuwe gevel van een nieuwbouw, alsook de afbraak van een groot deel van de bestaande kloostergebouwen. En terwijl het provinciebestuur en de cel Monumenten en Landschappen dan ook zonder meer over het feit van de bescherming van beide stadsgezichten wegens hun historische en artistieke waarde heen stappen, alsook van de te slopen panden die er deel van uitmaken. En terwijl, door te poneren in het bestreden besluit dat deze werken geen afbreuk doen aan de bescherming en "te verantwoorden zijn", de overheid op een ongeoorloofde wijze haar visie wijzigt op de erkenning van de Sint- Gummarusstraat en het voormalig klooster der Engelse Theresianen als stadsgezicht, terwijl zij nochtans in 1993 zonder meer beschermingswaard werden geacht. En terwijl het bestreden besluit dan ook eenvoudigweg een ontkenning betekent van deze erkenning als stadsgezichten en deze voor onbestaande houdt.” Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de te slopen panden wel deel uitmaken van een beschermd stadsgezicht, maar niet afzonderlijk als monument werden beschermd, dat wat waardevol is het “stadsgezicht” is, en niet de panden op zich, die overigens zelf niet als het meest beeldbepalend en als drager van het stadgezicht kunnen worden beschouwd; dat zij wat betreft de te slopen woning gelegen Sint-Gummarusstraat nummer 21 verwijst naar de de gunstige adviezen van de cel Monumenten & Landschappen van 9 september 2002 en 3 november 2003, waarbij volgens haar volgende gegevens relevant zijn: X-11.982-7/13 “ A. Het huis nr. 21 is geen "merkwaardig gebouw". In de inventaris van het cultuurbezit in België, noch in de straatnota wordt dit pand niet als afzonderlijk item opgenomen. B. Het huis nr. 21 kan op zich niet beschouwd worden als meest beeldbepa- lend of als drager van het stadsgezicht. C. Het pand heeft geen enkele eigen monumentwaarde. D. Het pand is slechts een klein onderdeel van een groter geheel. E. Vervangingsbouw kan verantwoord worden indien de nieuwbouw zich inpast in de overheersende esthetische kenmerken van het stadsgezicht, m.a.w. indien de gevel binnen dergelijk totaal zicht geen afbreuk doet aan de heersende ritmiek, percellering en kleurgebruik. Het project houdt dan ook - zoals verzoekende partijen ten onrechte beweren - geen aantasting in van het stadsgezicht, vermits de woning Sint-Gummaruss- traat 21 slechts een klein deel van het zicht uitmaakt en zelf niet als beeldbepa- lend of als drager van het stadsgezicht kan worden beschouwd. Verwerende partij verwijst tevens in dit verband naar het bijkomend gunstig advies dd. 03/11/2003 door de cel Monumenten en Landschappen dat stipuleert: "De aanvraag voorziet de sloping van de woning St.-Gumarusstraat 21 en het bouwen van een nieuwe woning met een onderdoorgang. Het nieuwe voorgestelde "poortgebouw" stelt zich discreet op en wil zich inpassen binnen het totale spel van de geritmeerde witte gevels en het homogene straatbeeld. Binnen de omvang van het stadsgezicht hypothekeert deze ingreep op niveau van één bouwkavel de eigen waarde van dit straatgezicht niet, terwijl deze ingreep de herbestemming en het behoud van een ander historisch waardevol geheel garandeert." dat zij besluit dat de sloping en de nieuwbouw in geen enkel opzicht het stadsgezicht aantast, aangezien de coherentie ervan hoofdzakelijk wordt bepaald door de gelijkaardige opbouw van de gevelordonnanties en door de breedtes en percellering- en van de oorspronkelijke verkaveling, waaraan niet wordt getornd, dat de Raad te dezen slechts tot een marginale toetsing kan overgaan, en dat de bestreden beslissing niet kennelijk onredelijk is, doch integendeel feitelijk en juridisch afdoende gemotiveerd; Overwegende dat de tussenkomende partij eenzelfde verweer voert; Overwegende dat het huis gelegen Sint-Gummarusstraat 21 te Lier behoort tot het bij ministerieel besluit van 8 maart 1993 beschermde stadsgezicht "Sint-Gummarusstraat 5-33 en 2-32” dat als stadsgezicht werd beschermd omwille van: “-het algemeen belang gevormd door de historische en artistieke waarde van deze eind 19e eeuw aangelegde straat met homogene bebouwing. Deze straat werd op het einde van de 19e eeuw getrokken doorheen de terreinen van de X-11.982-8/13 Sint-Gummaruskerk. Het huidige uitzicht van de beide straatwanden is nog vrij gaaf bewaard en heeft het typisch homogeen uitzicht van een nieuw getrokken straat, die in een korte periode verkaveld en bebouwd werd. De straatwanden worden bepaald door een reeks van bepleisterde en witgeschilderde lijstgevels, met de voor deze straat karakteristieke balkons.”; Overwegende dat het bestreden besluit steunt op het erin overgenomen advies van de cel Monumenten en Landschappen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 9 september 2002 en het “bijkomend advies” van 3 november 2003, dat wat betreft de voorziene afbraak van de woning Sint- Gummarusstraat nr. 21, luidt als volgt: “De cel Monumenten en Landschappen van de provinciale afdeling ROHM van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap heeft over de aanvraag voorwaardelijk gunstig advies uitgebracht op 9 september
  9. De aanvraag is gelegen binnen de begrenzing van de bij besluiten van 8 maart 1993 beschermde stadsgezichten ‘Geheel van straatgevels en aansluitende bedaking van de Sint-Gummarusstraat 5-33 en 20-22' en ‘Voormalig Klooster Engelse Theresianen’ (...) De afbraak van de woning in het beschermd stadsgezicht kan verantwoord worden door de kwaliteit van de gevel van de nieuwbouw enerzijds, en de noodzaak voor een toegang voor wagens voor dit binnengebied anderzijds. Gelet op de ligging in het stadscentrum is een eigen parking voor het project noodzakelijk. Een ingang langs de Sint-Gumarusstraat biedt de enige mogelijke uitweg. Bovendien voorziet één toegang parkeergelegenheid voor vele wagens. De nieuwe voorgevel past door zijn klassieke geleding in het straatbeeld. Gelet op de beperkte breedte van de ingreep in het straatgeheel is een nieuwbouw binnen dit stadsgezicht aanvaardbaar. Als gevolg van het schorsingsarrest van de Raad van State werd door de stad Lier een bijkomend advies aan de cel Monumenten en Landschappen gevraagd. Bij brief van 3 november 2003 heeft de cel Monumenten en Landschappen het eerder ingenomen standpunt, samengevat, als volgt verduidelijkt: (...) De aanleg van de Sint-Gummarusstraat dateert van 1877-
  10. Hierin primeert hoofdzakelijk het artistieke ensemble, waarvan de straatwanden worden bepaald door hun homogeen karakter. Binnen het perspectief naar de Sint-Gummarus kerk bezitten de bepleisterde en witgeschilderde gevels nochtans elk een eigen ritmiek. De coherentie van dit geheel wordt hoofzakelijk bepaald door de gelijkaardige opbouw van de gevelordonnanties en door de breedtes en percellering van de oorspronkelijke verkaveling. We treffen hier met name overwegend enkelhuizen van drie tot vier traveeën en drie bouwlagen onder zadeldaken, soms met een benadrukte middentravee door gebruik van deurvensters met balkon, rechthoekige vensters, vaak in geriemde of vlakke omlijsting, al dan niet met sluitsteen. Binnen deze uniformiteit in kleur en opbouw verschilt elk pand in hoogte, afhankelijk van de eigen verdiepingshoog- tes, zodat binnen het horizontale perspectief een verticale geleding primeert. Binnen dit geheel vinden we enkele merkwaardige gebouwen terug. In de inventaris van het cultuurbezit in België worden van de gehele Sint-Gummarus- straat de nr. 3, de St-Ursulaschool (een bakstenen complex uit 1926) en de nr. 22 (een neoclassicistisch herenhuis met enkelhuis opstand uit XIX d) als apart item opgenomen. In de straatnota worden de nrs 18-20, nr 9, als beeldbepalend X-11.982-9/13 opgenomen, zowel als nr 2

(1877). Nrs 5
(1877), nr 7
(1879), 9
(1877)werden eveneens opgesomd in de straatnota, alle naar ontwerp van F.H. Cox. Binnen het stadsgezicht zijn wij dan ook van mening dat het huis nr. 21 op zich niet als het meest beeldbepalend of als drager van het stadsgezicht kan beschouwd worden. Het pand werd opgenomen als behorende tot een deel van dit typisch stedelijk landschap omwille van de gelijkaardige ritmiek en balkon. Het betreft een donkerkleurige gevel, weinig versierd en zonder eigen monumentwaarde. Zij behoort evenwel tot het stadsgezicht als onderdeel van de totale perceptie, als bouwsteen voor het grotere geheel, als drager voor het perspectief naar de kerk. Een vervangingsbouw op deze plek van het beschermd stadsgezicht kan ons inziens verantwoord worden, indien de nieuwbouw zich inpast in de overheersende esthetische kenmerken van het stadsgezicht m.a.w. indien de gevel binnen dergelijk totaalzicht geen afbreuk doet aan de heersende ritmiek, percellering en kleurgebruik: een architectuur die de kwaliteiten van het stadsgezicht erkent en ondersteunt. In het kader van de nieuwe bestemmingswijziging van schoolgebouwen naar wooneenheden dringt een toegang voor gemotoriseerd vervoer naar het binnengebied zich op. De toegangmogelijkheid langs de Kerkstraat via de bestaande toegang tot de kloostertuin is wegens haar bouwhistorisch belang en haar nog authentiek karakter ons inziens niet ombouwbaar tot een functionele toegang voor auto's. - De aanvraag voorziet de sloping van de woning Sint-Gummarusstraat 21 en het bouwen van een nieuwe woning met een onderdoorgang. Het nieuw voorgesteld Binnen de omvang van het stadsgezicht hypothekeert deze ingreep op niveau van 1 bouwkavel de eigen waarden van dit straatgezicht niet, terwijl deze ingreep de herbestemming en het behoud van een ander historisch waardevol geheel garandeert. (...).”; Overwegende dat uit voormelde motivering blijkt dat de afbraak van de woning Sint-Gummarusstraat 21 verantwoord wordt door, luidens het advies van 9 september 2002, de kwaliteit van de gevel van de nieuwbouw enerzijds en de noodzaak van een toegang voor wagens voor het binnengebied anderzijds, de noodzaak van een parking voor het project, het feit dat een ingang langs de Sint- Gummarusstraat de enig mogelijke uitweg biedt, en dat de nieuwe voorgevel door zijn klassieke geledingen in het straatbeeld past; dat de “verduidelijking” van dit standpunt in het bijkomend advies van 3 november 2003 hieraan toevoegt dat het huis nr. 21 op zich niet als het meest beeldbepalend of als drager van het stadsgezicht kan worden beschouwd, dat het pand werd opgenomen omwille van de gelijkaardige ritmiek en balkon, dat het een donkerkleurige gevel betreft, weinig versierd en zonder eigen monumentwaarde, dat een vervangingsbouw kan worden verantwoord indien de nieuwbouw zich inpast in de overheersende esthetische kenmerken van het stadsgezicht, en met name geen afbreuk doet aan de heersende ritmiek, percellering en kleurgebruik, dat een toegang voor gemotoriseerd vervoer naar het binnengebied zich opdringt, dat de bestaande toegang langs de Kerkstraat wegens haar bouwhisto- risch belang en haar nog authentiek karakter niet ombouwbaar is tot een functionele X-11.982-10/13 toegang voor auto’s, en dat het nieuw voorgestelde ‘poortgebouw’ zich discreet opstelt en wil inpassen binnen het totale spel van de geritmeerde witte gevels van het homogeen straatbeeld; Overwegende dat het huis gelegen aan de Sint-Gummarusstraat nr. 21 behoort tot het stadsgezicht “Sint-Gummarusstraat 5-33 en 2-32" dat werd beschermd bij ministerieel besluit van 8 maart 1993 omwille van “het algemeen belang gevormd door de historische en artistieke waarde van deze eind 19e eeuw aangelegde straat met homogene bebouwing”, waarbij “het huidige uitzicht van de beide straatwanden (...) nog vrij gaaf (
  1. is)bewaard en (...) het typisch homogeen uitzicht (heeft) van een nieuw getrokken straat, die in een korte periode verkaveld en bebouwd werd” en waarbij “de straatwanden worden bepaald door een reeks van bepleisterde en witgeschilderde lijstgevels, met de voor deze straat karakteristieke balkons.”; Overwegende dat krachtens artikel 9 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en van stads- en dorpsgezichten de beschermingsbesluiten “verordenende”, (lees: bindende kracht) bezitten, dat er alleen van mag worden afgeweken in de door dit decreet bepaalde gevallen en vormen, en dat de Koning (thans de Vlaamse regering), de Koninklijke Commissie gehoord, besluit tot het opheffen of wijzigen van het besluit tot bescherming van een monument of stads- of dorpsgezicht; dat de gevel en het dak van het huis Sint- Gummarusstraat nr. 21 deel uitmaakt van het als stadsgezicht beschermde “geheel van gevels en daken” waarop krachtens artikel 11, § 1, van hetzelfde decreet voor de eigenaars en vruchtgebruikers de verplichting geldt “door de nodige instandhoudings- en onderhoudswerken, het in goede staat te behouden en het niet te ontsieren, te beschadigen of te vernielen.”; Overwegende dat de in het bestreden besluit vermelde overweging- en om de afbraak van het huis Sint-Gummarusstraat nr. 21 en nieuwbouw toch toe te staan, de negatie zelf zijn van de redenen waarom onder meer het pand gelegen Sint-Gummarusstraat nr. 21 als stadsgezicht werd beschermd, met name de “historische” en “artistieke waarde” van deze eind 19e eeuw aangelegde straat met “homogene bebouwing”, waarbij “de straatwanden worden bepaald door een reeks van bepleisterde en witgeschilderde lijstgevels, met de voor deze straat karakteristie- ke balkons”; dat het toelaten het beschermde te slopen en te vervangen door een nieuwbouw, in wezen de negatie is van het beschermingsbesluit; dat hiervoor een X-11.982-11/13 opheffing of wijziging van het beschermingsbesluit nodig lijkt; dat de overwegingen dat in het kader van de nieuwe bestemmingswijziging van schoolgebouwen naar wooneenheden een toegang voor gemotoriseerd vervoer naar het binnengebied zich opdringt en de bestaande toegang langs de Kerkstraat wegens het bouwhistorisch belang en het nog authentiek karakter ervan niet ombouwbaar is tot een functionele toegang voor auto’s, en dat de “het nieuwe voorgesteld ‘poortgebouw’ (...) zich discreet op(stelt) en (...) zich (wil) inpassen binnen het totale spel van de geritmeerde witte gevels en het homogeen straatbeeld” uiteraard geen afdoende en rechtens aanvaardbare motivering kunnen uitmaken om een beschermingsbesluit impliciet doch zeker op te heffen of te wijzigen; dat het middel in zoverre ernstig is; Overwegende dat voormeld arrest nr. 118.490 van 18 april 2003 heeft overwogen dat wat de alsdan bestreden beslissing betreft, de vordering voldeed aan voormelde voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat te dezen onder meer dezelfde verzoekende partijen hetzelfde moeilijk te herstellen ernstig nadeel aanvoeren tegen de beslissing tot het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning voor dezelfde werken en handelingen; dat er geen reden is om thans over het door verzoekende partijen aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel anders te oordelen; dat verzoekende partijen voldoende concrete en precieze gegevens bijbrengen die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. BOUWBEDRIJF VAN POPPEL en de n.v. D’HULST OMNICONSTRUCT in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel 2. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van 1 juli 2004 van de bestendige X-11.982-12/13 deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij “het beroep van de nv. BOUWBEDRIJF VAN POPPEL en D’HULST-VAN POPPEL voor de n.v. D’HULST OMNICONSTRUCT, tegen de weigering van de vergunning tot het uitvoeren van het verbouwings- en nieuwbouwproject ‘t Kranske op een terrein, gelegen Kerkstraat- St.-Gummarusstraat, sectie H, nrs. 49 A2, 49 B2, 49 C2, 48 N en 74 W 5, voorvloeiend uit de ontstentenis van een binnen de wettelijke termijn genotificeerde beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Lier, wordt ingewilligd en vergunning wordt verleend overeenkomstig de voorgebrachte plannen en onder de (daarna) volgende voorwaarden.”. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenk- omende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien augustus 2004, door : de H.. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr.. A. DE SMET, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. J. BOVIN. X-11.982-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.298 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.399 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.