id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.342 Rolnummer: A. 154702/XII-4228 Zaak: Arrest 134342 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 19/08/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-24 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 08:38 Fiche Arrest nr 134.342 van 19 augustus 2004 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Verwerping dwangsom Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.342 van 19 augustus 2004 in de zaak A. 154.702/XII-
- In zake : Marc DE MEERLEER, die woonplaats kiest bij advocaat F. Moeykens, kantoor houdende te Brugge, Puienbroeklaan 33 tegen : de SCHOLENGROEP 25 BRUGGE-OOSTKUST, die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Britselei 3, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat Marc De Meerleer op 13 augustus 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing betekend bij schrijven van de Heer Philip Vanhaverbeke, algemeen directeur scholengroep Brugge - Oostkust, daterend van 9 juli 2004 en waarbij meegedeeld werd aan verzoeker dat op 28 juni 2004 de Raad van Bestuur van de scholengroep 25 Brugge - Oostkust het dossier van verzoeker heeft behandeld, en waarbij hem de beslissing werd meegedeeld dat de Raad van Bestuur huidige verzoeker in het belang van de dienst overgeplaatst heeft” en waarbij verzoeker tevens vraagt om “de scholengroep te veroordelen tot een dwangsom van 100 i per dag, indien verzoeker niet behouden wordt in zijn functie in de Middenschool Assebroek”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 16 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 augustus 2004, om 10.30 uur; XII-4228-1/4 Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Moeykens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de uiterst dringende noodzakelijkheid betreft, dat verzoeker betoogt hetgeen volgt : “[d]at in het belang van het Gemeenschapsonderwijs het uiterst noodzakelijk is dat de rust in de Middenschool terugkomt. A. Dit kan slechts wanneer concluant hersteld wordt niet alleen in zijn functie van directeur, maar ook zijn overplaatsing tenietgedaan wordt. Er blijkt immers dat de klacht welke neergelegd werd door Mevrouw L[...] zonder grond was, en als tergend en roekeloos kan beschouwd worden. Wat betreft de klacht van Mevrouw G[...] blijkt uiteindelijk slechts een zeer klein aspect ervan, namelijk dat men uitzonderlijk meent dat de persoonlijke verhouding van concluant met Mevrouw G[...] de school zou hebben beïnvloed, hetgeen onjuist is. B. De onrust die tot stand gekomen is is dus volledig vreemd aan concluant en is te wijten aan de onrechtmatige klachten enerzijds, en de voorbarige schorsing ten overstaan van concluant anderzijds. C. Concluant werd opgeroepen voor de Raad van Bestuur ingevolge een uitnodiging van de algemeen directeur in het kader van een tuchtzaak welke gefixeerd is op 4 oktober 2004 om 20.00 uur. Vermits concluant de nietigverklaring vraagt van de beslissing van de Raad van Bestuur op basis van het feit dat de procedure niet gevolgd werd als tuchtzaak, en door de administratie niet beschouwd wordt als zijnde een tuchtzaak, terwijl ze in se een tuchtzaak is, is huidige behandeling hoogstdringend, zodat vóór 4 oktober 2004 hierover duidelijkheid dient te ontstaan”; XII-4228-2/4 Overwegende dat verzoeker een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft ingediend; dat hij met andere woorden heeft gekozen voor een zeer uitzonderlijke procedure die een ernstige stoornis in het normaal verloop van de rechtspleging voor de Raad van State teweegbrengt; dat die procedure immers vooreerst de verwerende en eventueel tussenkomende partijen aanzienlijk in hun rechten van verdediging belemmert; dat voorts de dringende aandacht die aan dergelijke procedure moet worden besteed, afbreuk doet aan de zorg die door alle betrokken geledingen van de afdeling administratie van de Raad van State aan de andere procedures kan worden besteed en de afhandeling daarvan vertraagt; dat in een dergelijke procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid de magistraten in voorkomend geval het administratief dossier en de nota van de verwerende partij evenals de eventuele verzoekschriften in tussenkomst slechts onmiddellijk vóór of op de terechtzitting ontvangen en deze stukken in grote spoed worden verzameld en opgesteld met gekende gevolgen van onvolledigheid en foutieve voorstelling van zaken; dat daarbij de zetelende magistraten ook niet de waarborg genieten van een geschreven verslag van het optredend lid van het auditoraat; dat tenslotte de rechtspraak die in een dergelijke procedure op zeer korte termijn tot stand wordt gebracht, onmogelijk dezelfde gedegenheid kan vertonen als mag worden verwacht in de andere procedures; Overwegende dat om al deze redenen de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts mag worden aangewend in de enkele gevallen dat het spoedeisend karakter van de zaak, namelijk het feit dat een gewone vordering tot schorsing te laat zou komen om het nadeel te weren, ofwel voor iedereen duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij duidelijk wordt aangetoond aan de hand van precieze en concrete gegevens en voorts de verzoekende partij zelf met bekwame spoed haar vordering heeft ingeleid; Overwegende dat te dezen verzoeker in zijn verzoekschrift verklaart dat de brief waarmee hem de bestreden beslissing is ter kennis gebracht, hem “werd betekend op 9 juli 2004”; dat verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift op geen enkele wijze verklaart of zelfs maar poogt te verklaren om welke reden hij dan nog vijf weken heeft gewacht, namelijk tot 13 augustus 2004, om zijn vordering in te stellen; dat verzoeker de huidige procedure vroeger had moeten instellen; dat zijn houding niet in te passen is in het uiterst dringend karakter dat die procedure kenmerkt; dat verzoeker overigens evenmin uiteenzet om welke reden een gewone schorsing onherroepelijk te laat zou komen om het geschetste nadeel te weren, en XII-4228-3/4 daarentegen zelf verwijst naar de latere datum van 4 oktober 2004 waarvóór “duidelijkheid dient te ontstaan”; dat de schorsingsvordering dienvolgens niet voldoet aan de eerste van de door het voormelde artikel 17 gestelde voorwaarden; dat de vordering tot het opleggen van een dwangsom eveneens wordt verworpen aangezien de vordering tot schorsing niet wordt ingewilligd, BESLUIT: Artikel
- De vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en tot het opleggen van een dwangsom worden verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien augustus 2004, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4228-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.342 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.945 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.