← België

Arrest 134359 - - 23/08/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.359 Rolnummer: A. 88997/XIV-3424 Zaak: Arrest 134359 - - 23/08/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-22 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 08:39 Fiche Arrest nr 134.359 van 23 augustus 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 134.359 van 23 augustus 2004 in de zaak A. 88.997/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 17 januari 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 december 1999 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 november 1999 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 31 december 1999; Gelet op het arrest nr. 96.200 van 7 juni 2001 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de genoemde bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de beschikking van 17 september 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; XIV-3424-1/5 Gelet op de beschikking van 9 december 2003 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 21 januari 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 6 april 1999 en zich vluchteling verklaart op 7 april 1999; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 4 november 1999 beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 30 december 1999 deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Aan betrokkene werd op 29 november 1999 op haar gekozen woonplaats een oproeping aangetekend verstuurd om de motieven voor haar asielaanvraag te komen toelichten of deze schriftelijk over te maken aan het commissariaat-generaal. Aangezien betrokkene zonder geldige reden binnen de maand na de verzending ervan geen gevolg heeft gegeven aan de vraag om inlichtingen, bevestigt de commissaris-generaal overeenkomstig artikel 52, par. 2, al. 4, van de Vreemdelingenwet, de weigering van verblijf besloten door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 4 november
  5. De commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”; 2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel het volgende aanvoert: “Eerste middel: Schending van de artikelen 52, §2, 4/ en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de zorgvuldigheidsverplichting, de hoorplicht en de rechten van verdediging. Dat door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen de artikelen 52, §2, 4/ en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling; de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen de rechten van verdediging en de hoorplicht geschonden worden, wanneer hij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf neemt ten aanzien van verzoekster zonder rekening te houden met XIV-3424-2/5 het door verzoekster hem toegezonden medisch attest dd. 10 december 1999 en zonder haar vooraf te horen. Dat verzoekster dd. 29 november 1999 door het commissariaat-generaal uitgenodigd werd voor een verhoor dd. 13 december 1999, als gevolg van het door verzoeksters ingediend dringend beroep dd. 5 november 1999 (cfr. stuk 2). Dat door verzoekster dd. 10 december 1999 aan het commissariaat-generaal per aangetekend schrijven het originele medisch getuigschrift, waaruit blijkt dat zij wegens ziekte niet in staat is om op de afspraak aanwezig te zijn, liet geworden (cfr. stuk 3). Dat door het toezenden van dit medisch attest naar verweerder verzoekster haar wens geuit had gehoord te worden omtrent haar asielaanvraag doch door haar ziekte verkeerde zij in de onmogelijkheid dit op 13 december 1999 effectief te doen. Dat door een bevestigende beslissing te nemen zonder rekening te houden met het medisch attest, waaruit de onmogelijkheid van verzoekster bleek op het verhoor dd. 13 december 1999 aanwezig te zijn, het art. 52, §2, 4/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, door verweerder geschonden worden. Dat verweerder onzorgvuldig te werk ging, de hoorplicht en de rechten van verdediging schendde door he t dossier van verzoekster af te handelen zonder rekening te houden met het medische attest en zonder haar vooraf te horen, gezien zij dit te kennen had gegeven. Dat verzoekster verwijst naar het arrest van de Raad van State dd. 31 juli 1998 (niet gepubliceerd) waarin de Raad van State stelde dat ‘... de commissaris-generaal, van zodra hij besliste verzoeker op te roepen om over te gaan tot een verhoor en eens verzoeker door het toezenden van een medisch getuigschrift zijn wens geuit had gehoord te worden, geen abstractie meer kon maken van een het medisch getuigschrift waardoor de onmogelijkheid voor betrokkene om aanwezig te zijn op het verhoor vaststond; dat door verzoekers dossier af te handelen zonder hem te horen, de commissaris-generaal niet de nodige zorgvuldigheid bij de feitenvinding heeft betoond, hetgeen tot gevolg heeft dat de motieven waarop zijn advies en bijgevolg de beslissing steunt, niet in rechte aanvaardbaar zijn, ...’ (stuk 4). Dat verweerder zelfs in de bestreden beslissing geen gewag maakt van voormelde medisch attest. Dat verweerder ingevolge de motiveringsplicht gehouden is alle feiten en neergelegde bewijsstukken in de beslissing op te nemen en te beoordelen. Dat de beslissing niet afdoende gemotiveerd is, waardoor het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurhandelingen geschonden worden.”; 2.
  7. Overwegende dat artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “De Minister of diens gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die het Rijk binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten zal worden in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven: (...) “4/ wanneer de vreemdeling, binnen een maand na de verzending, geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan geven”; Overwegende dat uit het administratieve dossier blijkt dat de commissaris-generaal op 29 november 1999 een oproeping voor een verhoor op 13 december 1999 aan de verzoekende partij heeft gestuurd, die deze oproeping op 30 november 1999 heeft ontvangen; dat onderaan de oproeping wordt vermeld: “Indien een geval van overmacht u belet gevolg te geven aan deze oproeping, wordt u dringend verzocht enerzijds het bewijs van de ingeroepen overmacht en anderzijds de elementen die u ter ondersteuning van uw asielaanvraag wil inroepen, binnen de maand die volgt op de datum van deze oproeping per aangetekend schrijven over te maken aan het Commissariaat-generaal.” XIV-3424-3/5 Overwegende dat voormelde brief een “oproeping” vormt in de zin van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij met een aangetekend schrijven van 10 december 1999 een medisch attest van dr. J. D. van dezelfde datum naar het commissariaat-generaal heeft gestuurd; dat dit medisch attest vermeldt dat de verzoekende partij zich wegens ziekte niet kan aanbieden op het commissariaat-generaal op 13 december 1999 en de woonst niet mag verlaten; dat de verzoekende partij daarmee een geldige reden in de zin van datzelfde artikel heeft laten gelden om niet op het voorziene verhoor te verschijnen; Overwegende dat de kwestieuze oproeping door de commissaris- generaal geen “verzoek om inlichtingen” vormt maar dat de vraag naar inlichtingen die erin vervat zit slechts een bijkomende voorwaarde vormt waaraan zou moeten worden voldaan in geval van overmacht om op het verhoor te verschijnen; dat dergelijke bijkomende voorwaarde niet in de wet is voorzien, nu daarin slechts sprake is van het aanvoeren van “een geldige reden”; dat derhalve in het ontbreken van een aangetekend schrijven met de elementen ter staving van de asielaanvraag in dit geval geen grond kan worden gevonden voor een afwijzing van de asielaanvraag op grond van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat het middel in die mate gegrond is;
  8. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  9. Het beroep tot nietigverklaring wordt vernietigd. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de eerste verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig augustus tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. XIV-3424-4/5 De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-3424-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.359 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.