id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.416 Rolnummer: A. 133918/XIV-14128 Zaak: Arrest 134416 - - 30/08/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-04 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 08:40 Fiche Arrest nr 134.416 van 30 augustus 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.416 van 30 augustus 2004 in de zaak A. 133.918/XIV-14.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. BUYTAERT, kantoor houdende te 9120 BEVEREN, Grote Markt 34b tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Somalische nationaliteit, op 10 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 februari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 november 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 7 februari 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 13 maart 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 9 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 maart 2004; XIV-14.128-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. KUSTERS, die loco advocaat P. BUYTAERT verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 22 oktober 2002 en zich op 23 oktober 2002 vluchteling verklaart; dat op 6 november 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 7 februari 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U verklaarde afkomstig te zijn uit Mogadishu en te behoren tot de Gaal-Jecel-clan. Sinds het begin van de Somalische burgeroorlog in 1991 ondervond u verschillende problemen als vrouw behorend tot een minderheidsclan. In 1991 of 1992 werd u door mooryaan, ongeorganiseerde militieleden, bestolen, geslagen, beschoten en in een been geraakt. Tevens werd u regelmatig het slachtoffer van een aanranding, ook na uw huwelijk met XXX (02/21605). Toen ook uw echtgenoot problemen bleef ondervinden met groepen mooryaan vertrok u op 15 oktober 2002 met uw gezin uit Mogadishu. Via de Verenigde Aragische Emiraten en Parijs kwam u op 22 oktober 2002 in België aan; de volgende dag diende u een asielaanvraag in. Er moet worden opgemerkt dat geen geloof kan gehecht worden aan uw bewering tot een minderheidsclan te behoren. Zo stelde u tijdens het onderhoud in dringend beroep dat de Gaal- Jecel-clan geen deel uitmaken van een grotere clangroep, wat niet strookt met de werkelijkheid (verhoorverslag dringend beroep, p. 2; documentatie in administratief dossier). Deze clan maakt immers deel uit van de Hawiye-clan en dient als zodanig niet als een minderheid te worden beschouwd. Evenmin kende u de subclan van de Geledi-clan, waartoe uw echtgenoot stelde te behoren. Dit is ten zeerste bedenkelijk en ondermijnt verder diens bewering tot deze minderheid te behoren. Hierdoor kan geen geloof gehecht worden aan uw basisinstelling geen bescherming te kunnen genieten in de Somalische samenleving omwille van het behoren tot een minderheidsclan. Bovendien verklaarde u tijdens het onderhoud met de dienst Vreemdelingenzaken, en dit in tegenstelling tot uw verklaringen in dringend beroep, niet dat u gedurende de oorlog het slachtoffer bent geworden van veelvuldige verkrachtingen (zie verhoorverslag dienst Vreemdelingenzaken dd. 6 november 2002, punt 42), wat verder de geloofwaardigheid van uw relaas ondermijnt.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij aanvoert dat de commissaris-generaal een diepgaand onderzoek naar beweerde leugens of tegenstrijdigheden enkel in de procedure ten gronde en niet in de ontvankelijkheidsfase kan voeren, dat de verzoekende partij een coherent verhaal heeft aangebracht waaruit blijkt dat XIV-14.128-2/5 zij voldoet aan de voorwaarden van de Vluchtelingenconventie van Genève, dat zonder onderzoek ten gronde niet kon worden beslist tot het voorhanden zijn van enkele tegenstrijdigheden, dat de aangebrachte feiten zonder dergelijk onderzoek niet al“bedrieglijk” konden worden afgedaan, dat de commissaris-generaal meent dat het asielrelaas van de verzoekende partij bedrieglijk is omdat zij heeft verklaard tot een minderheidsclan te behoren terwijl de Hawiye, waartoe zij zou behoren, de meerderheid vormen in Somalië, dat zij door haar huwelijk met een lid van de Geledi-clan echter de steun van de Hawiye verloor, dat zij geen subclan van de Geledi kende omdat die clan geen subclans heeft en dat het niet vermelden gedurende haar eerste verhoor van veelvuldige verkrachtingen niet een twijfel aan haar asielrelaas tot gevolg kan hebben; 2.1.
- Overwegende dat, op basis van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, een asielaanvraag onontvankelijk kan worden verklaard; dat in casu de asielaanvraag van de verzoekende partij onontvankelijk werd verklaard als zijnde bedrieglijk; dat de bedrieglijkheid van een asielaanvraag kan worden vastgesteld indien het asielrelaas van de betrokkene niet geloofwaardig, niet coherent of tegenstrijdig is; dat in casu tot de bedrieglijkheid werd besloten omdat geen geloof kan worden gehecht aan de bewering van de verzoekende partij dat zij tot een minderheidsclan behoorde en daarom geen bescherming in de Somalische samenleving zou kunnen genieten en omdat de verzoekende partij gedurende het verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken niet heeft gesproken over de veelvuldige verkrachtingen waarvan zij volgens haar verklaring op het commissariaat- generaal het slachtoffer zou zijn geweest; dat de verzoekende partij er ten onrechte van uitgaat dat een onderzoek naar de waarachtigheid van haar verklaringen en naar het bestaan van een kennelijk gegronde vrees voor vervolging bij gebrek aan bescherming in het land van herkomst, een onderzoek naar de gegrondheid is; Overwegende, wat de inhoudelijke kritiek van de verzoekende partij tegen de motieven van de bestreden beslissing betreft, dat de Raad van State niet bevoegd is om zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid doch enkel om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat de verzoekende partij met de bewering van het tegendeel van de vaststellingen van de commissaris-generaal over de Hawiye- en de Geledi-clan, zonder haar beweringen op enige wijze te staven en zonder in te gaan op de documentatie van de commissaris-generaal in het administratief dossier, deze vaststellingen niet weerlegt; dat de verzoekende partij geen enkele verklaring geeft voor het feit dat zij op de dienst Vreemdelingenzaken de veelvuldige verkrachtingen niet heeft vermeld waarvan zij het slachtoffer zou zijn geweest en die tot de kern van het asielrelaas zouden moeten behoren; dat de verzoekende partij met het voorgaande niet aannemelijk maakt dat de commissaris- generaal met de bestreden beslissing de grenzen van de ruime appreciatiebevoegdheid, die XIV-14.128-3/5 hem krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is toegekend, heeft overschreden noch dat hij de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of op onzorgvuldige wijze heeft genomen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van artikel 62 van de Vreemdelingenwet en van de zorgvuldigheidsplicht en de motiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dat zij aanvoert dat de ingeroepen schijnbare tegenstrijdigheden slechts een miniem karakter vertonen en dus niet op ernstige wijze de geloofwaardigheid van het asielrelaas aantasten, dat zij een verhaal met concrete feiten heeft aangevoerd waaruit blijkt dat zij voldoet aan de voorwaarden van de Vluchtelingenconventie van Genève en dat de door haar aangehaalde feiten minstens een onderzoek ten gronde verdienen; 2.2.
- Overwegende dat de bestreden beslissing niet is gesteund op tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van de verzoekende partij en haar echtgenote; dat het tweede middel in die mate feitelijke grondslag mist; dat betreffende de voorgehouden noodzaak van een onderzoek ten gronde kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel; dat het tweede middel in die mate ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-14.128-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig augustus tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-14.128-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.416 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.