id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.437 Rolnummer: A. 136817/XIV-15164 Zaak: Arrest 134437 - - 30/08/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-23 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 08:40 Fiche Arrest nr 134.437 van 30 augustus 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.437 van 31 augustus 2004 in de zaak A. 136.817/XIV-15.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. OPSOMMER, kantoor houdende te 9700 OUDENAARDE, Einestraat 22 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Ethiopische nationaliteit, op 16 mei 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 4 april 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 30 september 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 15 april 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 21 mei 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 9 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 maart 2004; XIV-15.164-1/8 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. DE CLERK, die loco advocaat J. OPSOMMER verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 11 september 2002 en zich vluchteling verklaart op 12 september 2002; dat op 30 september 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 4 april 2003 de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “IV.
- Eerste middel: Schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur meer bepaald van het zorgvuldigheidsbeginsel. Doordat bij de voorbereiding van de bestreden beslissing eerste verwerende partij weigerde haar hoorzitting te verplaatsen, ondanks herhaaldelijk gefundeerd aandringen door de raadsman van verzoeker; Terwijl nochtans het zorgvuldigheidsbeginsel impliceert dat elke overheid bij het nemen en voorbereiden van haar beslissing met de nodige omzichtigheid te werk zal gaan. Zodat de bestreden beslissing nietig is wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Toelichting : Verzoeker contacteerde na zijn aankomst in België een raadsman aan wie hij zijn volledige vluchtverhaal vertelde. Tussen verzoeker en zijn raadsman ontstond een vertrouwensband, die nog versterkte na herhaalde contacten tussen de raadsman van verzoeker en de belangengroeperingen voor Ethioopse mensen in België en de studie van het dossier door de raadsman. Verzoeker wenste daarom uitdrukkelijk dat zijn raadsman persoonlijk aanwezig was op de hoorzitting bij de eerste verwerende partij. Toen de raadsman van verzoeker evenwel kennis kreeg van fixatiedatum (16/0112003) stelde hij vast dat diezelfde dag een tweede zeer belangrijke zaak diende te worden gepleit voor de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Oudenaarde. De zaak voor de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Oudenaarde was dermate complex en uitgebreid (en bovendien gefixeerd in toepassing van art. 747 Ger.W.) dat verzoeker deze niet kon laten uitstellen noch zich ervoor laten vervangen. De raadsman van verzoeker vroeg daarop dezelfde dag bij fax en gewone brief dd. 17/1212002 om een kort uitstel van de hoorzitting van de heer XXX. Telefonisch werd het secretariaat van de raadsman op 30/12/2003 verwittigd dat een uitstel uitgesloten was, ook in uitzonderlijke omstandigheden. Doorschakelen naar de raadsman van verzoeker was voor eerste verwerende partij niet nodig. Toen de raadsman van verzoeker dit vernam stuurde hij prompt per fax en aangetekend een schrijven, mede-ondertekend door verzoeker, om aan te dringen op een verplaatsing van de hoorzitting. XIV-15.164-2/8 Eerste verwerende partij bleef echter onverzettelijk. Zonder dat eerste verwerende partij zich nog verwaardigde enige reactie te geven op het schrijven dd. 30112/2002 liet zij de hoorzitting plaatsvinden op 16/01/
- Teneinde de kansen van verzoeker niet te hypothekeren, was deze uiteraard wel zelf aanwezig op de hoorzitting bijgestaan door een vervanger van zijn raadsman. Het hoeft geen betoog dat dergelijk optreden van eerste verwerende partij laakbaar is. Bovendien maakte eerste verwerende partij op die manier een inbreuk op het zorgvuldigheidsbeginsel. Immers verzoeker was niet in de mogelijkheid op de voor hem meest gunstige wijze deel te nemen aan de hoorzitting, het moment bij uitstek waarop eerste verwerende partij haar informatie vergaard. Bovendien maakte de raadsman van verzoeker reeds op voorhand overduidelijk dat de praktijken van eerste verwerende partij strijdig waren met de beginselen van behoorlijk bestuur en dat hij niet zou nalaten in voorkomend geval aan procedure te doen. Verzoeker meent dat in dit opzicht moet worden gewezen op de rechtsleer terzake: ‘De overheid mag niet zonder meer weigeren ernstig kennis te nemen van en rekening te houden met de gegevens, inlichtingen en bewijzen die de belanghebbende burger haar heeft verstrekt of zou hebben kunnen verstrekken mocht het bestuur hem daartoe de mogelijkheid en de nodige tijd hebben geboden.’ (C. BERX, Rechtsbescherming van de burger tegen de overheid, Intersentia rechtswetenschappen, Antwerpen, 2000, 318) A fortiori zal een bestuurlijke overheid er zorg dienen voor te vragen dat de belanghebbende minstens op een correcte manier kan deelnemen aan een hoorzitting. De bijstand van zijn raadsman is daarbij essentieel. Verzoeker verwijst naar het strafrecht waar ondanks moeilijker rolregelingen en grotere gerechtelijke achterstand, alle rechtbanken en hoven begrip hebben voor het feit dat een raadsman door de rechtsonderhorige persoonlis wordt gekozen, en dat het dan ook niet meer dan normaal is dat die advocaat persoonlijk de zaak pleit of volgt indien uitdrukkelijk gewenst door de rechtsonderhorige. In het licht van het zorgvuldigheidsbeginsel was het de taak van eerste verwerende partij de hoorzitting voor korte tijd uit te stellen. Het middel is gegrond.”; 2.1.
- Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel aan de commissaris- generaal de verplichting oplegt zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; dat de verzoekende partij de mogelijkheid heeft gekregen de vragenlijst naar aanleiding van haar dringend beroep in te vullen; dat zij werd uitgenodigd voor een interview, met hulp van een tolk en werd bijgestaan door een raadsman; dat zij voldoende de kans kreeg om haar asielmotieven kracht bij te zetten en nieuwe of aanvullende stukken neer te leggen; dat op de commissaris-generaal geen enkele wettelijke verplichting rust de kandidaat-vluchteling uit te nodigen voor een interview, laat staan om tijdens het verhoor te voorzien in de bijstand van een advocaat naar keuze; dat verzoekende partij nuttig is kunnen opkomen tegen de beslissing genomen op de dienst Vreemdelingenzaken; dat bovendien verzoekende partij niet aantoont welke verklaringen zij had wensen af te leggen tijdens het verhoor indien de door haar gekozen raadsman aanwezig was geweest en op welke wijze deze verklaringen de bestreden beslissing in positieve zin hadden kunnen ombuigen, dat met andere woorden, verzoekende partij niet aantoont welke elementen zij nog had moeten toevoegen, noch waarom het schriftelijk niet meer kon; dat zij derhalve niet aannemelijk maakt dat haar belangen geschaad zijn door het ontbreken van haar raadsman tijdens het interview, dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet geschonden is; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: XIV-15.164-3/8 “IV.2 Tweede middel: Schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur meer bepaald van het criterium van de goede huisvader en het fair-playbeginsel. Doordat verwerende partij geen inspanningen deed om verzoeker daadwerkelijk te laten bijstaan door zijn raadsman op de hoorzitting van 16101/
- Terwijl nochtans van een goede huisvader mag worden verwacht dat hij nauwgezet zal nastreven de belanghebbende kandidaat-vluchteling daadwerkelijk en optimaal zijn beroep uit te putten. Zodat de bestreden beslissing nietig is wegens schending van het principe van de goede huisvader Toelichting : Sinds kort aanvaardt uw Raad dat een bestuurlijke overheid de belanghebbende burger alle mogelijkheden moet geven om zijn rechtsmiddelen daadwerkelijk uit te putten. (R.v.St., nr. 97.954, X/Belgische Staat, 25 juli 2001) In de hoger vermelde zaak werd een beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken geschorst omdat de beslissing van weigering tot in acht nemen van een nieuwe asielaanvraag laattijdig werd betekend zodat de kandidaat vluchteling in kwestie zijn rechtsmiddelen moeilijker kon uitputten. De Dienst Vreemdelingenzaken had in de hoger vermelde zaak de bijlage l3quater opzettelijk achtergehouden en pas op het laatste moment doorgestuurd. In casu staan we voor een soortgelijk probleem. Verwerende partij was perfect op de hoogte van het feit dat de raadsman van verzoeker de hoorzitting niet kon bijwonen, terwijl verzoeker hierop stond. In plaats van een nieuwe datum voor de hoorzitting te voorzien, hetgeen maximaal enkele weken extra kon duren, deed verwerende partij niets meer. Integendeel verwerende partij wachtte in alle stilte de zitting af om dan de hoorzitting te laten plaatsvinden zonder meer. Verzoeker wijst er bijvoorbeeld op dat een aangetekend schrijven van hem onbeantwoord werd gelaten. Verzoeker meent dat deze handelswijze strijdig is met het fair-playbeginsel en van de verplichting als goede huisvader te handelen. Verzoeker verwijst naar de rechtsleer terzake : ‘Daar waar het fair-play beginsel inhoudt dat een bestuur zich niet van onfatsoenlijke middelen mag bedienen om de burger het verkrijgen van zijn recht te verhinderen, kan de het criterium van de goede huisvader een grotere bescherming bieden. Een schending van het fair- play beginsel veronderstelt immers kwade trouw, opzet of moedwilligheid (M. VAN DAMME, o.c., 1116) door o.m. het achterhouden van relevante gegevens of het verstrekken van onjuiste gegevens, het uitstellen of niet nemen van beslissingen waarbij de burger belang heeft, het toepassen van een vertragingstactiek of het handelen met overdreven spoed ( L.P., SUETENS, ‘Algemene rechtsbeginselen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur’, T.B.P. 1981, 81 e.v.). Een inbreuk op het bonus pater familias principe daarentegen vereist niet noodzakelijkerwijze opzet of kwade trouw. De Raad van State stelde in haar overwegingen bij het arrest D'HERTEFELT (R.v.St., D'hertefelt, nr. 56.777 van 11 december lggs, niet gepubliceerd) enkel dat het criterium van de goede huisvader een ‘norm is waaraan ook de administratieve overheid haar beslissingen zorgvuldig dient af te wegen’.’ (J. OPSOMMER, ‘Het criterium van de goede huisvader als bijzondere toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur’, T. Vreemd. 2001, 332) Door moedwillig geen poging meer te doen een nieuwe hoorzitting te voorzien voor verzoeker heeft eerste verwerende partij zowel de bonus pater familias verplichting als het fair- playbeginsel geschonden. Het middel is gegrond.”; 2.2.
- Overwegende dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat op de commissaris-generaal geen enkele wettelijke verplichting rust om de verzoekende partij uit te nodigen voor een verhoor; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat er op 18 december 2002 een telefoongesprek was tussen de gemachtigde ambtenaar van het commissariaat-generaal en het kantoor van de raadsman waarbij er werd medegedeeld dat het interview onmogelijk kon worden uitgesteld en de raadsman van de verzoekende partij werd verzocht om zich te laten vervangen door een andere raadsman; dat niet kan worden gesteld dat het beginsel van de "goede huisvader" en van het "fair-play" geschonden werden aangezien de raadsman van verzoekende partij vóór de datum van het interview op de hoogte werd gebracht; dat het tweede middel ongegrond is; XIV-15.164-4/8 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat luidt als volgt: “IV.3 Schending van de formele en materiële motivatieplicht, volgend uit de wet 29juli 1991 en de algemene rechtsbeginselen gekoppeld aan een schending van art. 57/6 Vw. Doordat de bestreden beslissing stelt dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is om drie redenen; Doordat geen van die drie redenen bij nader inzien stand kunnen houden; Terwijl de formele motiveringsplicht de overheid verplicht in haar besluit de grondslagen te vermelden van haar beslissing. Terwijl de materiële motiveringsplicht de overheid verplicht enkel afdoende en draagkrachtige argumenten aan te wenden om haar beslissing te schragen. Zodat de bestreden beslissing nietig is wegens schending van de motivatieplicht juncto art. 57/6 Vw.. Toelichting : Verzoeker verwijst naar het feitenoverzicht en de bestreden beslissing. Eerste verwerende partij weerhield drie redenen om de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk en dus onontvankelijk te noemen. 1.Vooreerst zou het verhaal van verzoeker vage en tegenstrijdige verklaringen bevatten. 2.Vervolgens zouden er onduidelijkheden zijn omtrent de taak van verzoeker binnen de EDP 3.Tenslotte valt het verhaal van verzoeker niet te rijmen met zijn taak binnen de gouvernementele sector.
- Met betrekking tot de zogenaamde tegenstrijdigheden merkt verzoeker op dat het geen van allen duidelijk tegenstrijdigheden betreft. Telkens weer gaat het om zaken die eerste verwerende partij niet duidelijk genoeg acht of waar eerste verwerende partij zich vragen bij stelde. Uiteraard is dit niet voldoende om van tegenstrijdigheden te kunnen spreken. Alle opgesomde zaken kunnen eerste verwerende partij dan misschien wel laten twijfelen, doch volstaan niet om de asielaanvraag als bedrieglijk te bestempelen. Op dit onderdeel faalt de motivatie van eerste verwerende partij. 2 -
- Ook met betrekking tot de tweede en derde reden dient hetzelfde te worden vastgesteld. Voor wat betreft de kennis van verzoeker van de EDP gaat eerste verwerende partij volledig voorbij aan het feit dat verzoeker slecht een promojongen van de partij was. Zoals in het hoger vermeld feitenoverzicht reeds werd gesteld bevond verzoeker zich slechts op de lagere middelste echelons van de partij. Het is dan ook niet meer dan logisch dat hij niet steeds even accuraat de partijstructuren kon beschrijven. Dit doet echter geen afbreuk aan de waarachtigheid van het verhaal van verzoeker. Verzoeker maakt de vergelijking met mensen die in België affiches gaan plakken en foldertjes uitdelen (exact het werk van verzoeker in zijn thuisland). Ook deze mensen weten niet steeds waar welk bureau of welke structuur bestaat. Meer in het bijzonder met betrekking tot het derde element merkt verzoeker op dat eerste verwerende partij van een compleet verkeerd standpunt vertrekt, namelijk dat verzoeker een job bij de staat zou hebben. Niets is minder waar. Verzoeker was ingeschakeld in een project dat gefinancierd werd door de Europese overheid. Hierdoor komt de volledige motivatie van eerste verwerende partij op dit onderdeel op losse schroeven te staan. Ingevolge de materiële en formele motiveringsplicht dient elke overheidsbeslissing met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden, nochtans in de akte de feitelijke en juridische overwegingen te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Bovendien moet deze motivering afdoende en draagkrachtig zijn. Het begrip 'afdoend' vervangt in deze de oorspronkelijke omschrijving uit het wetsvoorstel van de Wet op de uitdrukkelijke motivering die stelde dat duidelijk, nauwkeurig, volledig en waarheidsgetrouw vermeld dient te worden wat de juridische en feitelijke overwegingen zijn die aan de grondslag liggen van de betreffende beslissing. (OPDEBEEK,
- en COOLSAET, A., Formele motivering van bestuurshandelingen, die Keure, Brugge, 1999, 143) In het woord afdoende ligt enerzijds het evenredigheidsbeginsel en anderzijds de draagkrachtvereiste besloten. (ANDERSEN, R. en LEWALLE, P.,’La motivation formelle des actes administratifs’, A.P.T. 1993, 62-85) Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat de motivering in rechte en in feite wat betreft de omvang afhankelijk is van het belang, de aard en het voorwerp van de beslissing en het belang dat men hecht aan de motivering. XIV-15.164-5/8 De draagkrachtvereiste aan de andere kant vereist dat de motivatie volstaat om de beslissing te dragen. Met andere woorden moeten de aangevoerde motieven pertinent zijn en de beslissing in rechte en in feite verantwoorden. In casu wordt de bestreden beslissing niet naar recht verantwoord door de gegeven, foutieve motivatie. Verzoeker betwist bovendien terdege de aangehaalde motivering. Het middel is gegrond.”; 2.3.
- Overwegende dat wat de opgeworpen schending van artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet betreft, erop moet worden gewezen dat dit artikel niet de motiveringsplicht betreft; dat in dit artikel de bevoegdheden worden omschreven van de commissaris-generaal in het kader van de gegrondheidsfase; dat artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet dus enkel de bevoegdheden van de commissaris-generaal omschrijft aangaande de vraag of iemand al dan niet vluchteling is overeenkomstig de Vluchtelingenconventie; dat deze vraag helemaal niet aan de orde was bij het nemen van de bestreden beslissing, die kadert in de ontvankelijkheidsfase; dat de schending van artikel 57/6 dan ook niet dienstig kan worden aangevoerd; Overwegende dat de verzoekende partij in haar uiteenzetting niet ontkent dat er tegenstrijdigheden in haar asielrelaas zijn doch enkel betoogt dat die tegenstrijdigheden niet voldoende zwaar zijn om tot de bedrieglijkheid van haar asielrelaas te besluiten; dat verzoekende partij niet eens poogt om de tegenstrijdigheden of onduidelijkheden in concreto te weerleggen; dat, gelet op het geheel van de tegenstrijdigheden, vaagheden en onduidelijkheden die alle overeenstemmen met de gegevens van het administratief dossier, het niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris- generaal tot het besluit kwam dat de asielaanvraag bedrieglijk is; Overwegende dat de verzoekende partij verder stelt dat met betrekking tot haar taak binnen de EDP geen rekening werd gehouden met het feit dat zij slechts een "promojongen" was van de partijen en dat zij daarom niet steeds even accuraat de partijstructuren kon beschrijven; Overwegende dat de verzoekende partij haar land zou zijn ontvlucht omwille van een vervolging wegens haar politieke activiteiten voor de EDP; dat van een kandidaat-vluchteling die zich op een dergelijk vluchtmotief beroept redelijkerwijze kan verwacht worden dat zij voldoende op de hoogte is, zodat zij zonder al te veel problemen op vragen over deze partij kan antwoorden; dat, zelfs indien zij niet tot het partijkader behoort, mag worden verwacht dat zij een aantal fundamentele kennisvragen van haar partij kan beantwoorden, dat zij bijvoorbeeld weet of de EDP ooit deelgenomen heeft aan de verkiezingen en niet enkel de nationale structuur van de partij kent doch vooral de partijstructuur in Jimma waar verzoekende partij beweerde actief te zijn; Overwegende dat de verzoekende partij nog betoogt dat zij nooit heeft verklaard dat zij voor de staat werkte, dat zij integendeel was ingeschakeld in een project XIV-15.164-6/8 dat gefinancierd werd door de Europese overheid en dat de commissaris-generaal van een compleet verkeerd standpunt is uitgegaan; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de commissaris-generaal, aan de hand van een document door verzoekende partij zelf werd overgelegd, kon vaststellen dat het project werd gesteund door de federale regering en dat de stad Addis Abeba een nationale rol als zetel van de federale regering vervult; dat het uitgangspunt van de commissaris-generaal, met name dat de verzoekende partij bijgevolg voor de federale regering werkte, niet kennelijk onredelijk is; dat de verzoekende partij heeft nagelaten in concreto aan te tonen dat het project onafhankelijk zou zijn van de federale regering; dat een loutere bewering van het tegendeel niet volstaat om de voormelde vaststelling van de commissaris-generaal te weerleggen; Overwegende dat uit de analyse van de bestreden beslissing blijkt dat in een eerste deel de feiten gedetailleerd en precies worden weergegeven overeenkomstig de neerslag van de verklaringen van de verzoekende partij tijdens haar verhoor op het commissariaat-generaal; dat in een tweede deel de verklaringen van de verzoekende partij op nauwkeurige wijze worden onderzocht; dat de motieven worden geconcretiseerd en gestaafd door een aantal precieze voorbeelden; dat de juistheid en pertinentie ervan niet worden weerlegd door de verzoekende partij; dat de bestreden beslissing de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat het derde middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-15.164-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénendertig augustus tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-15.164-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.437 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.