← België

Arrest 134444 - - 31/08/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.444 Rolnummer: A. 136977/XIV-15217 Zaak: Arrest 134444 - - 31/08/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-04 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 08:40 Fiche Arrest nr 134.444 van 31 augustus 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.444 van 31 augustus 2004 in de zaak A. 136.977/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. BUYTAERT, kantoor houdende te 9120 BEVEREN, Grote Markt 34 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, op 21 mei 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 april 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 februari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 22 april 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 10 juni 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 22 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 juni 2004; XIV-15.2171/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. VERMEIRE, die loco advocaat P. BUYTAERT verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 4 december 2002 en zich op dezelfde dag vluchteling verklaart; dat op 26 februari 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 17 april 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U, een Azerisch staatsburger van gemengde origine (vader= Armeen, moeder= Azeri) verklaart een asielaanvraag te hebben ingediend in Duitsland in mei
  3. Enkele maanden later ontving u een negatieve beslissing en was vastgesteld dat u een visum had voor België. U vroeg samen met uw kind asiel aan in België op 4 december
  4. U verklaart omwille van de volgende problemen met uw land van herkomst te zijn ontvlucht. Uw vader had samen met een vriend, XXX een schoenenatelier geopend. Beiden waren eigenaars van de zaak. Gedurende enkele jaren gingen de zaken goed. Op een dag nodigde XXX jullie gezin uit bij hem thuis. XXX deelde mee dat hij de zaak enkel op zijn naam had laten schrijven. Hij had hiervoor smeergeld betaald. XXX had vroeger documenten voor uw vader gekocht met een andere (Azerische) naam. XXX dreigde ermee dit aan de politie te melden. Dezelfde avond kwam de politie bij jullie thuis langs. U en uw ouders werden geslagen en uw vader werd door hen meegenomen. Sindsdien heeft u uw vader niet meer gezien. Hierna kwam de politie een tweede maal langs om naar de documenten van uw vader te vragen. Zij kwamen verschillende malen terug en u werd telkens geslagen. U verhuisde (in 1999) met uw moeder naar de woning van uw vriend. U huwde met uw vriend in februari
  5. In 2001 vluchtte uw moeder vervolgens naar Duitsland. U contacteerde XXX om naar uw vader te vragen. U contacteerde XXX om naar uw vader te vragen. U werd door XXX geslagen waarna u een miskraam kreeg. U lichtte uw man in die een conflict kreeg met uw XXX. U en uw man verhuisden naar een vriend van uw man van wie XXX het adres neit kende. Uw man kende ook problemen omwille van zijn politieke activiteiten. De politie was op zoek naar uw man. Einde 2001 werd uw man door de politie aangehouden bij een manifestatie. In mei 2002 vluchtte u weg uit Azerbeidzjan. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat tegenstrijdigheden voorkomen tussen uw opeenvolgende verklaringen afgelegd bij de dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het commissariaat-generaal (CGVS) waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas wordt ondermijnd. U verklaarde bij het CGVS (p. 9-10) dat toen uw vader bij jullie thuis door de politie werd meegenomen, u ook - net zoals uw ouders - door de politie werd geslagen. Nochtans maakte u bij de DVZ (pt. 42) geen melding van mishandelingen door de politie en stelde u louter dat toen de politie bij uw vader binnenviel u op dat moment samen met uw echtgenoot in jullie eigen huis was. Daarnaast verklaarde u vooreerst bij het CGVS (p. 19, 20, 21) dat wanneer de politie op zoek was naar uw man en zij naar de woning van uw man kwamen, de deur nooit werd geopend en u sedert uw verhuis naar de woning van uw vriend in 1999 geen problemen/geen contact meer had met de politie. Nadien verklaarde u dan weer (CGVS, p. 22, 23) wel éénmaal de deur te hebben geopend voor de politie die op zoek was naar uw man XIV-15.2172/5 waarbij u enkel door hen werd bedreigd maar niet geslagen (p. 23). Bij de DVZ (pt 42) verklaarde u daarentegen dat nadat u had vernomen dat uw moeder in Duitsland was overleden (CGVS, p. 13: uw moeder vluchtte naar Duitsland in 2001) dat de agenten op zoek waren naar uw man, u sloegen en u veel leed aandeden). Uw verklaringen na confrontatie tijdens het gehoor op het CGVS inzake bovenstaande tegenstrijdigheden (CGVS, p. 25, 26) doen geen afbreuk aan deze vaststellingen. Gezien bovenstaande tegenstrijdigheden betrekking hebben op de kern van uw asielrelaas wordt hierdoor de geloofwaardigheid van uw relaas compleet ondermijnd. De door u neergelegde documenten, namelijk een werkattest, huwelijksakte en attesten inzake de geboorte van uw kind in Duitsland doen geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaringen, uw leven, yw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993, artikel 17, par. 2, al. 2).”; 2.1.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij aanvoert dat de commissaris-generaal een diepgaand onderzoek naar beweerde tegenstrijdigheden enkel in de procedure ten gronde en niet in de ontvankelijkheidsfase kan voeren, dat de verzoekende partij een coherent verhaal heeft aangebracht waaruit blijkt dat zij voldoet aan de voorwaarden van de Vluchtelingenconventie van Genève, dat zonder onderzoek ten gronde niet kon worden beslist tot het voorhanden zijn van enkele tegenstrijdigheden, dat de aangebrachte feiten zonder dergelijk onderzoek niet als “bedrieglijk” konden worden afgedaan, dat de commissaris-generaal meent een aantal tegenstrijdigheden tussen de opeenvolgende verklaringen van de verzoekende partij te hebben ontdekt doch dat deze tegenstrijdigheden kaderen in “een algemene sfeer van ontreddering en consternatie over de gebeurtenissen van de laatste jaren”, dat het in die omstandigheden niet verwonderlijk is dat de verzoekende partij bepaalde feiten niet meer goed kon plaatsen en dat de tegenstrijdigheden dermate minimaal zijn dat niet kan worden getwijfeld aan het asielrelaas van de verzoekende partij; 2.1.
  7. Overwegende dat, op basis van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, een asielaanvraag onontvankelijk kan worden verklaard; dat in casu de asielaanvraag van de verzoekende partij onontvankelijk werd verklaard als zijnde bedrieglijk; dat de bedrieglijkheid van een asielaanvraag kan worden vastgesteld indien het asielrelaas van de betrokkene niet coherent is of tegenstrijdig is; dat in casu tot de bedrieglijkheid werd besloten omdat de opeenvolgende verklaringen van de verzoekende partij, afgelegd op de dienst Vreemdelingenzaken en op het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, niet eensluidend zijn; dat de verzoekende partij er ten onrechte van uitgaat dat XIV-15.2173/5 een onderlinge vergelijking van de opeenvolgende verklaringen die zij tijdens haar asielprocedure heeft afgelegd, een onderzoek naar de gegrondheid is; Overwegende, wat de inhoudelijke kritiek van de verzoekende partij tegen de motieven van de bestreden beslissing betreft, dat de Raad van State niet bevoegd is om zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid doch enkel om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat de verzoekende partij zich beperkt tot het op algemene wijze minimaliseren van de tegenstrijdigheden tussen haar opeenvolgende verklaringen, zonder op enige concrete vaststelling van de commissaris-generaal in te gaan; dat de verzoekende partij met het voorgaande niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal met de bestreden beslissing de grenzen van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is toegekend, heeft overschreden noch dat hij de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of op onzorgvuldige wijze heeft genomen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van artikel 62 van de Vreemdelingenwet en van de zorgvuldigheidsplicht en de motiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dat zij aanvoert dat de ingeroepen schijnbare tegenstrijdigheden slechts een miniem karakter vertonen en dus niet op ernstige wijze de geloofwaardigheid van het asielrelaas aantasten, dat zij een verhaal met concrete feiten heeft aangevoerd waaruit blijkt dat zij voldoet aan de voorwaarden van de Vluchtelingenconventie van Genève en dat de door haar aangehaalde feiten minstens een onderzoek ten gronde verdienen; 2.2.
  9. Overwegende dat de motieven van de bestreden beslissing op eenvoudige wijze in die beslissing kunnen worden gelezen zodat de verzoekende partij er kennis van heeft kunnen nemen en heeft kunnen nagaan of het zin heeft de bestreden beslissing aan te vechten met de beroepsmogelijkheden waarover zij in rechte beschikt; dat uit de uiteenzetting in het eerste middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing, bestaande uit de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas omwille van een aantal tegenstrijdigheden tussen de opeenvolgende verklaringen van de verzoekende partij, kent en deze motieven betwist; dat daarmee aan de voornaamste doelstelling van de in artikel 62 van de Vreemdelingenwet vastgelegde uitdrukkelijke motiveringsplicht is voldaan; dat de verzoekende partij voor het overige de door de commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden op zeer algemene wijze tracht te minimaliseren, zonder op de concrete motivering in te gaan; dat, wat dat betreft, naar de XIV-15.2174/5 bespreking van het eerste middel kan worden verwezen; dat het tweede middel ongegrond is;
  10. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénendertig augustus tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-15.2175/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.444 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.